Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10370

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
8820565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitleg ondernemings-cao. Cao-norm. Geen verplichting voor werkgever om tot overeenstemming met vakvereniging te komen over sociaal plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2021/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8820565 \ KG EXPL 20-96 (IL)

Uitspraakdatum: 9 december 2020

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV)

gevestigd te Badhoevedorp

eiseres

verder te noemen: VNV

gemachtigde: mr. A. Stege

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHC Helicopters Netherlands B.V.

gevestigd te Den Helder

gedaagde

verder te noemen: CHC

gemachtigde: mr. P.A. Nabben

1 Het procesverloop

1.1.

VNV heeft een dagvaarding d.d. oktober 2020 jegens CHC uitgebracht, waarin is opgemerkt dat CHC heeft aangegeven vrijwillig in het geding te zullen verschijnen. CHC is vervolgens in het geding verschenen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft VNV bij brief van 23 november 2020 stukken toegezonden. CHC heeft een conclusie van antwoord en bij brief van 23 november 2020 stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

CHC is een luchtvaartmaatschappij gespecialiseerd in het vervoer van passagiers per helikopter. Bij CHC werken circa 41 vliegers op basis van een arbeidsovereenkomst.

2.2.

VNV is een vakvereniging die, onder meer, de arbeidsvoorwaardelijke belangen van helikoptervliegers in dienst van CHC behartigt. Van de bij CHC in dienst zijnde vliegers zijn er 40 lid van VNV.

2.3.

Partijen hebben voor de vliegers in dienst van CHC de ‘collectieve arbeidsovereenkomst voor vliegers in dienst bij CHC Helicopters Netherlands B.V.’ (hierna: de cao) gesloten. Deze cao heeft een looptijd van 1 mei 2017 tot 31 december 2018.

2.4.

In mei 2020 is bekend geworden dat een klant van CHC zijn contract niet zal verlengen. Het contract is vervolgens op 1 juli 2020 beëindigd. Een andere klant van CHC heeft zijn contract per 1 november 2020 teruggebracht qua bemanning, waardoor de omvang van de werkzaamheden van CHC zou afnemen met 29%. Mede gezien de verwachtingen op de markt, heeft CHC besloten 18 arbeidsplaatsen te laten vervallen: negen arbeidsplaatsen van de vliegers en negen van het grondpersoneel.

2.5.

Op 23 juni 2020 heeft CHC een adviesaanvraag voor het groepsontslag van de vliegers (en het grondpersoneel) ingediend bij de ondernemingsraad en een adviesaanvraag voor het groepsontslag van de vliegers bij VNV.

2.6.

De adviesaanvraag aan VNV d.d. 23 juni 2020 is gegrond op artikel 1.4.1 en 1.5.2 van de cao. In de adviesaanvraag staat, onder meer, dat CHC voornemens is om met VNV een sociaal plan overeen te komen en dit te delen met de ondernemingsraad (OR).

2.7.

Bij brief van 3 juli 2020 heeft CHC onder meer aan VNV bericht dat de viermaandentermijn van artikel III lid 3 van bijlage 13 van de cao geen minimumtermijn, maar een maximumtermijn is en dat het overleg dus eerder kan plaatsvinden dan nadat de OR heeft geadviseerd.

2.8.

Op 7 augustus 2020 heeft VNV onder meer aan CHC gemaild dat de viermaandentermijn pas start als CHC formeel overtolligheid heeft verklaard en bekendgemaakt aan de vliegers nadat de OR en VNV daarover advies hebben uitgebracht en dat het eerder over maatregelen praten afbreuk zou doen aan de waarde van de nog uit te brengen adviezen.

2.9.

VNV heeft haar advies op 3 september 2020 uitgebracht.

2.10.

Op 4 september 2020 heeft de OR advies uitgebracht.

2.11.

Op 8 september 2020 hebben partijen overleg gevoerd.

2.12.

CHC heeft in haar brief aan de leden van de OR en in kopie aan VNV d.d. 11 september 2020 bericht over de door het MT genomen besluiten met betrekking tot de adviesaanvraag van 23 juni 2020. In de brief staat onder meer dat 8,07 fte in de functie van Captain komt te vervallen en wat de planning is. Daarbij staat ook: “Zoals aangegeven in (6) planning (hierboven) zal CHC aan piloten (…) de mogelijkheid aanbieden om in deeltijd te werken, onbetaald verlof / non-activiteit op te nemen en gebruik te maken van Vrijwillige Vertrek Regeling”.

2.13.

In een ongeadresseerde brief van CHC van 23 september 2020, gericht tot een vlieger die in aanmerking komt voor gedwongen ontslag, staat dat CHC als onderdeel van de cao en de afspraken met VNV, voordat wordt overgegaan tot gedwongen ontslag, eerst probeert via alternatieve mogelijkheden ontslagen te voorkomen. Deze alternatieve mogelijkheden zijn een vrijwillig vertrek met ontslagvergoeding en een vermindering van arbeidsomvang (deeltijdwerken) via een vrijwillige functiewijziging van captain naar SFO met bijbehorend salaris.

2.14.

Bij brief van 29 september 2020 heeft VNV aan CHC bericht dat zij zich jegens VNV heeft verbonden om in overleg met VNV een sociaal plan op te stellen op basis van de kaders genoemd in bijlage 13 van de cao en dat dit nog niet is gebeurd. VNV roept CHC op om geen verdere uitvoering aan de reorganisatie te geven. In de brief staat voorts, samengevat, dat CHC in strijd met de cao een tweetal maatregelen heeft voorgesteld (demotie en collectieve deeltijd) en dat boventalligheid kan worden uitgesteld door de afbouw van het saldo collectieve vakantiedagen. VNV heeft voorts CHC voorgesteld een minnelijke oplossing te bereiken.

2.15.

Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

2.16.

CHC heeft op 8 oktober 2020 een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen bij UWV ingediend voor de desbetreffende vliegers.

2.17.

Inmiddels heeft een vlieger de vrijwillige vertrekregeling geaccepteerd en hebben drie vliegers een vaststellingsovereenkomst met CHC gesloten. De overtolligheid ziet nu dus nog op vijf arbeidsplaatsen van vliegers.

3 De vordering

3.1.

VNV vordert om bij wijze van voorlopige voorziening:

A) CHC te gebieden art. 1.4.1, leden 3 en 4, van de cao, alsmede art. 1.5.2, lid 2, van de cao na te komen, en de sociale gevolgen van de herziening van het personeelsbestand, en de reeds vastgestelde overtolligheid van vliegers, in overleg met de VNV te regelen, en in dit kader het overleg te hervatten over een sociaal plan;

B) CHC te verbieden uitvoeringsmaatregelen te treffen in het kader van het oplossen van de door haar vastgestelde overtolligheid van vliegers in dienst van CHC, totdat er tussen CHC en de VNV een sociaal plan tot stand is gekomen dat door de CHC-leden van de VNV is goedgekeurd;

C) CHC te gebieden eventuele ontslagprocedures om bedrijfseconomische redenen voor vliegers bij het UWV te beëindigen door aanvragen voor ontslagvergunningen in te trekken en geen nieuwe aanvragen te doen, zo lang er geen door de CHC-leden van de VNV goedgekeurd sociaal plan tussen CHC en de VNV tot stand is gekomen;

D) CHC te verbieden arbeidsovereenkomsten van vliegers om bedrijfseconomische redenen op te zeggen met eventueel door het UWV afgegeven ontslagvergunningen, zo lang er geen door de CHC-leden van de VNV goedgekeurd sociaal plan tussen CHC en de VNV tot stand is gekomen, zoals dit mede tussen CHC en de VNV is overeengekomen in art. III, lid 3, van bijlage 13 van de cao;

E) CHC te verbieden individuele vertrekregelingen aan vliegers aan te bieden, zo lang er geen door de CHC-leden van de VNV goedgekeurd sociaal plan tussen CHC en de VNV tot stand is gekomen;

F) CHC te verbieden op individuele basis demotie aan vliegers aan te bieden van gezagvoerder naar (senior) first officer, en daarmee gepaard gaande salarisverlaging, vanwege strijdigheid met bijlage 13 van de cao, en zo lang een dergelijke mogelijkheid niet alsnog expliciet wordt toegestaan in een te sluiten sociaal plan;

G) CHC te gebieden eventuele reeds afgesproken demoties van gezagvoerder naar (senior) first officer, en de salarisverlagingen, ongedaan te maken binnen drie dagen na betekening van het vonnis;

H) CHC te verbieden op individuele basis vermindering van arbeidsduur met vliegers af te spreken, en daarmee gepaard gaande salarisverlagingen, vanwege strijdigheid met de cao, en zo lang een dergelijke mogelijkheid niet alsnog expliciet wordt toegestaan in een te sluiten sociaal plan;

I) CHC te gebieden eventuele reeds individueel met vliegers afgesproken verminderingen van arbeidsduur, en de salarisverlagingen, ongedaan te maken binnen drie dagen na betekening van het vonnis;

J) CHC te gebieden de openstaande vakantiedagen van vliegers in te delen zoals bepaald in art. 3.4 van bijlage 8a van de cao;

K) CHC te verbieden vliegers in te zetten die niet bij haar in dienst zijn, op basis van een met CHC gesloten arbeidsovereenkomst, om productie (vluchten) ten behoeve van CHC uit te voeren, zo lang er vliegers in dienst van CHC overtollig zijn, waarbij dit verbod niet van toepassing is op externe vliegers die met ingang van 1 november 2020 voor een periode van drie maanden op een tussen partijen genoegzaam bekend wetlease-contract ingezet zullen worden;

L) CHC te veroordelen tot een dwangsom van € 10.000 (tienduizend euro), althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat CHC niet voldoet aan één of meer van de onder B) tot en met K) genoemde vorderingen; en

M) CHC in de kosten van dit geding te veroordelen, te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis;

3.2.

VNV voert daartoe het volgende aan, samengevat.

ad A (sociaal plan)

3.3.

CHC is op grond van de artikelen 1.4.1 lid 3 en 4 en 1.5.2 lid 1 en 2 van de cao verplicht een sociaal plan te sluiten. CHC heeft zich niet alleen verplicht te onderhandelen (een inspanningsverbintenis), maar heeft zich vrijwillig verbonden daarover tot overeenstemming te komen (resultaatsverbintenis). CHC moet de bepalingen van de cao nakomen, maar voert een eigen koers. Hiermee pleegt CHC wanprestatie. Dit zorgt voor onrust en onvrede bij het vliegerkorps.

3.4.

Bijlage 13 geeft een limitatieve opsomming van mogelijke maatregelen die CHC kan nemen in geval van overtolligheid en kan niet met een sociaal plan worden gelijkgesteld. Partijen kunnen naast de in bijlage 13 genoemde kaders aanvullende afspraken maken. CHC kan niet eenzijdig andere maatregelen dan in bijlage 13 genoemd, nemen. Dat is in strijd met de cao.

ad B tot en met E (uitvoeringshandelingen)

3.5.

Zolang er geen sociaal plan tot stand is gekomen, mag CHC geen uitvoering aan de reorganisatie geven. De uitvoeringshandelingen van CHC tot beëindiging en/of aanpassing van arbeidsovereenkomsten van vliegers zijn prematuur zolang partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een sociaal plan.

3.6.

Het is CHC op grond van artikel III lid 3 van bijlage 13 niet toegestaan om binnen vier maanden na bekendmaking van de overtolligheid (op 11 september 2020) tot gedwongen ontslagen over te gaan. Deze termijn loopt tot en met 10 januari 2021. CHC mag pas tot gedwongen ontslagen overgaan, nadat zij met VNV de voorwaarden daarvoor is overeengekomen.

ad F en G (demotie) en H en I (vermindering arbeidsduur)

3.7.

CHC heeft vliegers voorgesteld in te stemmen met een demotie (van captain naar senior first officer, SFO) met salarisverlaging en met een vermindering van arbeidsduur met salarisverlaging voor onbepaalde tijd. Daarmee handelt zij in strijd met bijlage 13 bij de cao, omdat deze maatregelen daarin niet worden genoemd als mogelijkheid om overtolligheid op te vangen en dit niet in overleg met VNV is afgesproken.

ad J (niet-genoten vakantiedagen)

3.8.

De overtolligheid kan en moet worden uitgesteld door het collectieve saldo van niet-genoten vakantiedagen eerst af te bouwen, omdat CHC in de cao heeft afgesproken niet-genoten vakantiedagen in te delen (bijlage 8a, hoofdstuk 3, artikel 3.4 lid 3 van de cao).

3.9.

Als hierover afspraken gemaakt kunnen worden, kan de overtolligheid worden uitgesteld en zullen er pas later vliegers gedwongen uit dienst hoeven te treden. CHC wil daar niet aan meewerken, maar dat is onverenigbaar met de gestelde overtolligheid. Enerzijds stelt CHC dat er teveel vliegers zijn voor het beschikbare werk, anderzijds stelt zij dat vakantiedagen niet ingedeeld kunnen worden omdat het werk dit niet toelaat. Dan vraagt VNV zich af of er wel sprake is van overtolligheid.

ad K (personeel van derden)

3.10.

CHC zet externe medewerkers in om vluchten ten behoeve van CHC te verzorgen. Uit artikel 1.5.4 lid 5 van de cao volgt dat tewerkstelling van vliegers van derden niet mag leiden tot overtolligheid. Het moet CHC dus worden verboden om personeel van derden in te zetten, zolang er bij CHC sprake is van overtolligheid van vliegers.

3.11.

VNV heeft bij deze vordering uitgezonderd, zonder haar rechten prijs te geven, de medewerkers die CHC ten behoeve van een wetlease (huur van helikopter met meegeleverde externe bemanning) per 1 november a.s. voor een periode van drie maanden zal inzetten op een toestel waarvoor de eigen CHC-vliegers thans niet bevoegd zijn.

4 Het verweer

4.1.

CHC betwist de vordering. Zij voert onder meer het volgende aan, samengevat.

ad A tot en met E (sociaal plan en uitvoeringshandelingen)

4.2.

CHC is niet verplicht om met VNV een sociaal plan overeen te komen. Artikel 1.5.2 lid 2 van de cao moet anders worden uitgelegd. Dit artikel bevat (slechts) een verplichting voor CHC tot het voeren van overleg met VNV over het opstellen van een sociaal plan binnen de kaders van bijlage 13.

ad F en G (demotie)

4.3.

In artikel 1 lid 8 van bijlage 13 staat dat, na toepassing van de hoofdstukken II en III, het vliegerbestand in overeenstemming zal worden gebracht met de dan aanwezige behoefte in de respectievelijke functies, waarbij herplaatsing in lagere functies mogelijk is. De hoofdstukken II en III zijn toegepast. Herplaatsing is dus mogelijk.

4.4.

De viermaandentermijn van artikel III lid 3 van bijlage 13 is geen minimumtermijn. Deze termijn is gaan lopen op 3 juli 2020. Er zijn voorafgaand aan de adviezen van de OR en VNV ook al gesprekken geweest die onder het bereik van deze viermaandentermijn vallen. Na de door VNV en de OR uitgebrachte adviezen heeft verder, zeer uitvoerig overleg plaatsgevonden. Duidelijk is dat partijen (sinds het overleg dat feitelijk al in juli 2020 begon) niet op een lijn komen op een aantal knelpunten zoals anti-cumulatie, de maximum duur van twee jaar en de wijze waarop deeltijdwerk en eventueel plaatsing in een lagere functie vorm zou moeten krijgen.

ad H en I (vermindering arbeidsduur)

4.5.

De mogelijkheid tot parttime werken wordt genoemd in hoofdstuk II van bijlage 13, maar is nergens uitgewerkt. Uit niets blijkt dat de lijst van artikel II lid 1 van bijlage 13 limitatief is en/of dat de mogelijkheid tot parttime werken niet ook in overleg met de werknemers kan plaatsvinden. Ten aanzien van artikel II lid 1 onder c van bijlage 13 geldt op de voet van artikel III lid 3 van bijlage 13 slechts een overlegplicht.

ad J (niet-genoten vakantiedagen)

4.6.

CHC heeft reeds een overschot aan verlofdagen afgebouwd in de afgelopen periode. CHC verplicht de vliegers in beginsel niet om alle verlofdagen op te nemen: het is gebruikelijk binnen CHC dat werknemers verlofoverschot bestaande uit bovenwettelijke verlofdagen mee kunnen nemen naar het volgende jaar. CHC heeft in 2018 voor dat jaar een regeling opengesteld die het voor de werknemers aantrekkelijker maakte om bovenwettelijke verlofdagen uit te laten betalen, maar daar heeft VNV bezwaar tegen gemaakt, zodat CHC deze mogelijkheid niet heeft kunnen aanbieden aan de vliegers (anders dan het grondpersoneel). Verder is er sprake van overuren, omdat de contracten van de derden per 1 juli werden beëindigd, terwijl ze nog waren ingeroosterd, en de gaten moesten worden opgevuld door personeel. Datzelfde geldt voor de vliegers die als lid van VNV en de OR aan het overleggen waren. Ook was er een achterstand in het wegwerken van het urenoverschot door de Covid-maatregelen.

ad K (personeel van derden)

4.7.

CHC zet vanaf 1 juli 2020 geen vliegers in die niet bij haar in dienst zijn.

5 De beoordeling

5.1.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als VNV daarbij een spoedeisend belang heeft. VNV stelt dat het spoedeisend belang erin is gelegen dat CHC het bepaalde in de cao op meerdere onderdelen overtreedt en dat het CHC daarom moet worden verboden om uitvoeringshandelingen te treffen voordat de sociale gevolgen van de reorganisatie in overleg tussen CHC en VNV zijn geregeld. Volgens VNV is het spoedeisend belang er voorts in gelegen dat CHC gedwongen ontslagen niet uitsluit en overleg over het voorkomen daarvan urgent is. CHC heeft deze stellingen niet betwist. De kantonrechter neemt derhalve aan dat het belang van VNV bij het gevorderde spoedeisend is.

5.2.

Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

De cao heeft een looptijd van 1 mei 2017 tot 31 december 2018. VNV heeft gesteld dat de cao op grond van artikel 19 lid 1 Wet cao is verlengd en nog steeds van kracht is. Nu CHC dat niet heeft betwist, gaat de kantonrechter daar ook van uit.

maatstaf

5.4.

De cao is aan te merken als een ondernemings-cao. Deze moet worden uitgelegd conform de cao-norm, omdat de uit te leggen bepalingen mede de rechtspositie van niet gebonden werknemers en andere derden beïnvloeden die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van die bepalingen en dus geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud of formulering daarvan en voor wie de bedoelingen van de wel bij die totstandkoming betrokken partijen slechts kenbaar kunnen zijn uit de in de cao opgenomen bepalingen of eventuele bijbehorende schriftelijke toelichting.

5.5.

Volgens vaste rechtspraak houdt de cao-norm in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. (zie HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO1427, NJ 2005/493 (DSM/Fox), rov. 4.2-4.5.; HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR: 2016:2687, NJ 2017/114 (FNV/Condor), rov. 3.4 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018: 678).

opstellen sociaal plan

5.6.

In de eerste plaats is in geschil hoe de bepalingen van de artikelen 1.4.1 lid 3 en 4 en 1.5.2 lid 1 en 2 van de cao moeten worden uitgelegd. VNV stelt dat CHC op grond van die bepalingen verplicht is om in overleg en overeenstemming met VNV een sociaal plan op te stellen binnen de kaders van bijlage 13. CHC betoogt dat zij verplicht is om met VNV overleg te voeren over het opstellen van een sociaal plan binnen de kaders van bijlage 13 en dat zij daarbij geen overeenstemming met VNV hoeft te bereiken.

5.7.

De bewuste bepalingen luiden als volgt:

1.4.1

lid 3: Indien de hieronder vermelde ontwikkelingen van invloed zijn op de werkgelegenheid binnen het bedrijf van CHC HN, zal CHC HN de Vakvereniging zo tijdig en volledig mogelijk inlichten in ieder geval van een voornemen tot: (…) c. Herziening van de personeelsbezetting (…)

1.4.1

lid 4: In geval lid 3 van dit artikel van toepassing is, zal CHC HN de gevolgen op sociaal gebied voor de betrokken vliegers in overleg met de Vakvereniging regelen. (…)

1.5.2

lid 1: CHC HN verbindt zich geen beslissingen te nemen ter zake van overtolligheid dan na overleg met de Vakvereniging. Onverkort de wettelijke rechten van de ondernemingsraad zal in eerste instantie de Vakvereniging hierin als het adviesuitbrengend orgaan worden beschouwd.

1.5.2

lid 2: In overleg met de Vakvereniging zal CHC HN in voorkomende gevallen een sociaal plan opstellen op basis van de kaders genoemd in bijlage 13 van de cao.

5.8.

Allereerst geldt dat in de tekst van deze bepalingen niet valt te lezen dat CHC verplicht is om in overeenstemming met of instemming van VNV een sociaal plan op te stellen. Uitgaande van de tekst moet CHC de gevolgen van een reorganisatie op sociaal gebied voor de betrokken vliegers in overleg met VNV regelen en zal CHC in overleg met VNV in voorkomende gevallen een sociaal plan opstellen op basis van de kaders genoemd in bijlage 13 van de cao. Het gebruik van de woorden ‘in overleg’ duidt, in objectieve zin en in het normale taalgebruik, op het voeren van overleg met VNV of het raadplegen van VNV. Daaruit volgt niet dat CHC overeenstemming met VNV over een sociaal plan moet bereiken.

5.9.

Daarnaast volgt uit de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, niet dat CHC verplicht is om een sociaal plan met VNV overeen te komen. De cao vermeldt bij de formulering ‘in overleg met’ soms niet en soms wel een nadere toevoeging, namelijk de toevoeging ‘overeenkomen’ of ‘overeenstemming’. Zo vermeldt artikel 1.4.1 lid 1 van de cao dat partijen zich met elkaar verbinden om ‘in overleg’ te treden over hun gemeenschappelijke belangen en die van de vliegers en dat ‘ten aanzien van die zaken die tot dusver in overleg zijn geregeld maar niet in de CAO zijn vastgelegd’ geen regelingen zullen worden getroffen ‘dan nadat hierover met de Vakvereniging overeenstemming is bereikt’. Het gebruik van beide formuleringen in een zin duidt erop dat ‘in overleg’ niet hetzelfde betekent als ‘overeenstemming’. Nu de overtolligheid in de cao is vastgelegd (in artikel 1.5.2 en in bijlage 13), geldt de in artikel 1.4.1 lid 1, laatste zin genoemde verplichting voor CHC om hierover met VNV tot overeenstemming te komen niet. Daarnaast wordt bijvoorbeeld in artikel II lid 3 van bijlage 13 naast de formulering ‘in overleg’ het woord ‘overeenkomen’ gebruikt. Ook dit duidt erop dat beide formuleringen een andere betekenis hebben. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld artikel 1.3.2 van de cao, waarin de zinsnede ‘nadat hierover in overleg tussen partijen overeenstemming is bereikt’ wordt gebruikt.

5.10.

Het voorgaande leidt de kantonrechter tot het voorshands oordeel dat CHC niet verplicht is om in overstemming met of instemming van VNV een sociaal plan op te stellen. De omstandigheid dat elders in de cao -in afwijking van de formulering ‘in overleg’- de formulering ‘na overleg’ wordt gebruikt, zoals VNV stelt, maakt die conclusie niet anders.

bijlage 13

5.11.

In de tweede plaats is in geschil hoe bijlage 13, met name artikel III lid 3, van de cao moet worden uitgelegd.

5.12.

Bijlage 13 bevat een overtolligheidsregeling, onverkort het gestelde in hoofdstuk 1 en 2 van de cao en de artikelen 1.5.2, 2.6 en 2.7. De regeling komt op het volgende neer. De overtolligheid wordt met inachtneming van artikel 1.4.1 door CHC vastgesteld (artikel 1 lid 4). In geval van overtolligheid zal het teveel aan vliegers worden opgeheven door toepassing van het onder III van de bijlage gestelde (artikel 1 lid 6). In geval van overtolligheid zullen eerst de onder II van de bijlage vermelde maatregelen worden toegepast (artikel III lid 1), vervolgens de maatregel van plaatsing in grondfunctie (artikel III lid 2) en als dat noch overleg met VNV “binnen 4 maanden na het bekendmaken van de overtolligheid aan de vliegers” het dienstverband heeft doen eindigen, zal tot gedwongen beëindiging van het dienstverband met het resterende aantal overtollige vliegers worden overgegaan. “Dit geschiedt op de door CHC HN en VNV- met inachtneming van het onder 1.7. en onder IV gesteld - daarvoor overeen te komen voorwaarden” (artikel III lid 3). Na toepassing van het onder II en III gestelde zal het vliegerbestand in overeenstemming worden gebracht met de dan aanwezige behoefte in de respectievelijke functies, waarbij herplaatsing in lagere functies mogelijk is. Dit laatste zal plaatsvinden met inachtneming van het gestelde in bijlage 10 en eventueel nader met de VNV overeengekomen bepalingen (artikel 1 lid 8).

5.13.

De bewoordingen van de bepalingen van bijlage 13 duiden niet op een limitatieve opsomming van de mogelijke maatregelen noch op een verplichting voor CHC om andere maatregelen met VNV overeen te komen. Op grond van de schakelbepaling van artikel III lid 1 van bijlage 13, is in geval van overtolligheid artikel II lid 3 van toepassing. In artikel II lid 3 staat dat partijen afgezien van het onder II.1 en II.2 gestelde ‘in overleg’ ‘andere maatregelen’ ‘kunnen overeenkomen’. Het is dus mogelijk om in overleg (en, zoals hiervoor al is geoordeeld, dus niet in overeenstemming) met VNV andere maatregelen te treffen. De woorden ‘kunnen’ (artikel II lid 3) en ‘eventueel’ (artikel 1 lid 8) duiden op een bevoegdheid van, en niet op een verplichting voor, CHC om andere maatregelen te treffen dan de in bijlage 13 genoemde maatregelen. Maar, als CHC in geval van overtolligheid andere maatregelen wenst te treffen, moet zij daarover wel overeenstemming met VNV bereiken. Dat laatste volgt uit (de bewoordingen van) de laatste zin van artikel 1 lid 8 van bijlage 13.

5.14.

De kantonrechter kijkt vervolgens naar de bewoordingen van artikel III lid 3 van bijlage 13, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao. Een grammaticale uitleg van deze bepaling geeft geen eenduidige uitkomst. Deze bepaling regelt enerzijds dat een gedwongen dienstbeëindiging mogelijk is, als noch het hiervoor gestelde (dat wil zeggen de maatregelen van de artikelen 1 en II van bijlage 13) noch het overleg tussen CHC en VNV binnen vier maanden na het bekendmaken van de overtolligheid aan de vliegers, tot een einde van het dienstverband hebben geleid. Daarvoor is gezien de tekst van de bepaling dus geen overeenstemming tussen partijen vereist. Anderzijds regelt artikel III lid 3 dat ‘dit’, dat wil zeggen de gedwongen dienstbeëindiging, gebeurt op de door CHC en VNV daarvoor

- met inachtneming van het onder 1.7 en onder IV gestelde - overeen te komen voorwaarden. De voorwaarden waaronder de dienstbetrekking gedwongen zal worden beëindigd moeten, volgens de tekst van de bepaling, dus wel door partijen nader worden overeengekomen. Dit lijkt innerlijk tegenstrijdig en geeft dus geen uitsluitsel over de vraag of partijen overeenstemming moeten bereiken over de maatregel van gedwongen dienstbeëindiging. Aan de andere kant duidt het bepaalde in artikel 1.4.1 lid 1, laatste zin van de cao erop dat, nu de gedwongen dienstbeëindiging in de cao is vastgelegd, partijen hierover geen overeenstemming hoeven te bereiken. De kantonrechter houdt daarom ook rekening met het volgende.

5.15.

De kantonrechter is het met VNV eens dat de viermaandentermijn van artikel III lid 3 gaat lopen vanaf de formele bekendmaking van de overtolligheid aan de vliegers op 11 september 2020. Op die datum heeft CHC, na de ontvangst van de adviezen van VNV en de OR, het besluit om de arbeidsplaatsen te laten vervallen genomen. Een tekstuele uitleg van artikel III lid 3 brengt mee dat de datum van het besluit als uitgangspunt heeft te gelden. Daarbij heeft de kantonrechter mede gelet op artikel 1.5.2 lid 1 van de cao. Daarin staat dat CHC zich verbindt geen beslissingen te nemen ter zake van overtolligheid dan na overleg met VNV en dat VNV hierin als het adviesuitbrengend orgaan wordt beschouwd. Deze bepaling zou naar het oordeel van de kantonrechter zinledig zijn als de viermaandentermijn al eerder zou ingaan. Dat de datum van het besluit tot uitgangspunt moet worden genomen, wordt bovendien bevestigd door de brief van CHC aan VNV d.d. 6 februari 2019 betreffende een eerdere reorganisatie (dagvaarding, productie 8). Daarin stelt CHC zelf dat zij het uitgangspunt hanteert dat de viermaandentermijn in bijlage 13 ingaat wanneer de OR een advies heeft uitgebracht en de vliegers op de hoogte zijn gebracht van een overtolligheid. Dit is in lijn met wat hoe de cao moet worden uitgelegd, namelijk dat de termijn pas ingaat na een door CHC genomen besluit. Dat CHC al op 3 juli 2020 via een e-mail aan de vliegers bekend zou hebben gemaakt dat er sprake is van overtolligheid, zoals zij betoogt, maakt het voorgaande niet anders.

5.16.

CHC betoogt dat de viermaandentermijn van artikel III lid 3 van bijlage 13 geen ‘minimumtermijn’ is. Ter zitting heeft CHC toegelicht dat zij daarmee bedoelt dat het geen wachttermijn betreft en dat zij dus ook eerder dan pas na afloop van de viermaandentermijn tot gedwongen ontslag kan overgaan. VNV heeft daarop enerzijds gesteld dat het inderdaad geen minimumtermijn betreft (omdat ‘praten om te praten’ geen zin heeft), en anderzijds dat CHC pas na afloop van de vier maanden tot gedwongen ontslag kan overgaan nadat zij met VNV de voorwaarden daarvoor is overeengekomen en dat de termijn dus wel moet worden voltooid. Dat is tegenstrijdig. Daarbij komt dat de door VNV laatstgenoemde uitleg zou leiden tot een onaannemelijk rechtsgevolg. Als CHC en VNV na herhaaldelijk overleg niet tot overeenstemming zouden komen over de voorwaarden van het gedwongen ontslag en dus sprake is van een impasse, zou CHC immers pas na het verstrijken van de vier maanden mogen overgaan tot gedwongen ontslag, terwijl nader overleg geen enkel doel meer dient. De kantonrechter is het met CHC eens dat dit in feite zou betekenen dat zij tot elke prijs een akkoord met VNV zou moeten sluiten en (artikel III lid 3 van bijlage 13 van) de cao een soort blanco cheque of blokkaderecht oplevert voor VNV. Terwijl, zoals hiervoor al is opgemerkt, artikel 1.4.1 lid 1, laatste zin van de cao erop wijst dat overeenstemming tussen partijen niet nodig is, indien een en ander in de cao is vastgelegd.

5.17.

De kantonrechter is op grond van het bovenstaande voorshands van oordeel dat zowel de elders in de cao gebruikte formuleringen als de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, wijzen op de door CHC voorgestane uitleg van artikel III lid 3 van bijlage 13.

ad A tot en met E (opstellen sociaal plan en uitvoeringshandelingen)

5.18.

Samengevat betekent een en ander het volgende. CHC moet in geval van overtolligheid met VNV overleggen over een sociaal plan op basis van de kaders van bijlage 13. Daarbij hoeft CHC geen overeenstemming over (de inhoud van) het sociaal plan met VNV te bereiken. Verder is CHC bevoegd bij de reorganisatie de in bijlage 13 genoemde maatregelen te treffen. Daarbij is overeenstemming met VNV niet vereist. Als CHC echter andere maatregelen dan in bijlage 13 genoemd wenst te nemen, moet zij die overeenkomen met VNV. Voorts is gedwongen ontslag mogelijk als de maatregelen van de artikelen II en III van bijlage 13 en het overleg tussen CHC en VNV binnen vier maanden na het bekendmaken van de overtolligheid aan de vliegers op 11 september 2020, nog niet tot een einde van het dienstverband hebben geleid. Daarbij hoeft de termijn van vier maanden niet te worden voltooid, als het overleg tussen partijen geen doel meer dient.

5.19.

Vast staat dat CHC de beslissing over de overtolligheid heeft genomen na overleg met VNV. Verder staat vast dat partijen herhaaldelijk, feitelijk al sinds juli 2020 en ook na het besluit van 11 september 2020, met elkaar hebben overlegd over de (sociale) gevolgen van de reorganisatie. Uit de stukken blijkt dat beide partijen de nodige moeite hebben gedaan om tot nader overleg te komen. Partijen zijn het erover eens dat hun standpunten over en weer helder zijn, maar (te) ver uit elkaar liggen. In deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat CHC tekortschiet in haar (inspannings)verbintenis om met VNV overleg te voeren over een sociaal plan. Nader overleg dient in de onderhavige omstandigheden geen doel meer. CHC wenst immers geen andere maatregelen dan de in bijlage 13 genoemde maatregelen te treffen. Zij hoeft die dus ook niet met VNV overeen te komen. De viermaandentermijn hoeft in dit geval dus niet te worden afgewacht of voltooid.

5.20.

Ter zitting heeft VNV nog gewezen op de vrijwillige vertrekregeling (VVR) van 7 juli 2020 waaraan zij op verzoek van CHC haar medewerking heeft verleend (productie 14) en ‘de erkenning’ van CHC in de begeleidende e-mail van 10 juli 2020 dat een VVR niet eerder kan worden aangegaan dan wanneer deze voor akkoord is gestemd door de leden. In de bewuste VVR staat dat partijen de bepalingen van de VVR overeenkomen ‘gelet op artikel 1.4.1 van cao (…), onder de voorwaarde van goedkeuring door dagelijks bestuur en de leden van de VNV’. De voorwaarde of erkenning waarop VNV doelt, is dus een specifieke door partijen getroffen regeling op basis van artikel 1.4.1 van de cao. Dat betekent niet dat CHC met betrekking tot elk - ander - onderwerp gehouden is om afspraken met VNV te maken.

ad F en G (herplaatsing)

5.21.

De kantonrechter kan VNV niet volgen in haar stelling dat de maatregel van demotie niet in de cao is geregeld. Artikel 1 lid 8 van bijlage 13 bevat immers de mogelijkheid van herplaatsing in lagere functies. Een tekstuele uitleg van dit artikel houdt in dat herplaatsing in lagere functies mogelijk is, als de maatregelen van de artikelen II en III zijn toegepast. Volgens artikel 1 lid 8 zal ‘dit laatste’, namelijk de herplaatsing in lagere functies, plaatsvinden met inachtneming van het gestelde in bijlage 10 (de Regeling vliegerloopbaan) en “eventueel nader met de VNV overeengekomen bepalingen”. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.13 al is overwogen, houdt dit geen verplichting, maar een bevoegdheid, voor CHC in om nadere bepalingen met VNV overeen te komen. Wel moet CHC bij de herplaatsing in lagere functies de Regeling vliegersloopbaan van bijlage 10 in acht nemen.

5.22.

De vordering onder F betreft een verbod om herplaatsing aan de vliegers aan te bieden, zolang die mogelijkheid niet alsnog wordt toegestaan in een te sluiten sociaal plan. Uit het voorgaande volgt dat CHC niet verplicht is om hierover nadere afspraken met VNV te maken.

5.23.

VNV stelt terecht dat herplaatsing pas aan de orde is, als de maatregelen van de artikelen II en III zijn toegepast en dat, als de herplaatsing aan de orde is, daarbij bijlage 10 in acht moet worden genomen. CHC voert aan dat de maatregelen van de artikelen II en III al zijn toegepast. Wat daarvan ook zij, VNV heeft niet gesteld noch onderbouwd dat er reeds vliegers zijn herplaatst. Het is de kantonrechter daarom niet duidelijk welk belang VNV heeft bij haar vordering onder G om CHC te verbieden ‘eventuele reeds afgesproken demoties’ ongedaan te maken.

H en I (parttime werken)

5.24.

De maatregel van parttime werken staat genoemd in artikel II lid 1 onder d van bijlage 13. Deze maatregel zal in eerste instantie worden toegepast om de overtolligheid op te heffen of te verminderen (zie de schakelbepaling van artikel III lid 1 van bijlage 13). Ook hier geldt, naar het oordeel van de kantonrechter, op basis van de bewoordingen van de bepaling gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, dat hierover geen overeenstemming tussen partijen vereist is. De bepaling zelf zegt daar niets over, terwijl in artikel 1.4.1 lid 1, laatste volzin is bepaald dat ‘ten aanzien van die zaken die tot dusver in overleg zijn geregeld maar niet in de CAO zijn vastgelegd’ ‘geen regelingen worden getroffen dan nadat hierover met de Vakvereniging overeenstemming is bereikt’. De maatregel van parttime werken is (in overleg tussen partijen) in de cao geregeld en vastgelegd. De overeenstemmingsverplichting van artikel 1.4.1 lid 1 van de cao is ten aanzien van deze maatregel dus niet van toepassing. De omstandigheid dat de maatregel niet in de cao is uitgewerkt, maakt dat niet anders. De kantonrechter slaat in dit verband mede acht op de in artikel II lid 1 onder f van bijlage 13 vermelde maatregel van vrijwillig ontslag en het daarop van toepassing zijnde vierde punt, waarin is bepaald dat de onder e (de maatregel van non-activiteit) en f (vrijwillig ontslag) genoemde maatregelen plaatsvinden “op door CHC met de individuele vlieger overeen te komen voorwaarden”. Hierbij wordt VNV niet genoemd, hetgeen er eveneens op duidt dat die maatregelen zonder overeenstemming met VNV kunnen worden toegepast.

5.25.

Overigens is het de kantonrechter niet duidelijk wat het belang van VNV bij de vordering onder I is. Zo is het onduidelijk of CHC reeds concrete afspraken over parttime werken heeft gemaakt. VNV heeft daarover niets gesteld.

ad J (niet-genoten vakantiedagen)

5.26.

De kantonrechter stelt vast dat VNV naar aanleiding van het verweer van CHC ter zitting slechts heeft gesteld dat CHC haar verplichting van artikel 3.4 lid 3 bijlage 8a van de cao ten onrechte ontkent en niet naleeft. Het gaat er volgens VNV om dat CHC de vakantiedagen indeelt zoals de cao dat voorschrijft. Daarmee heeft VNV het verweer van CHC niet voldoende weersproken. Zij heeft haar vordering ook overigens onvoldoende onderbouwd.

5.27.

Voor zover VNV met haar ter zitting ingenomen standpunt dat overtolligheid in overleg tussen partijen kan worden uitgesteld als de vakantiedagen wordt afgebouwd en dat iets is wat in een sociaal plan kan worden opgenomen, bedoelt dat CHC verplicht is om hierover nadere afspraken met VNV te maken, heeft zij die stelling evenmin voldoende onderbouwd.

ad K (personeel van derden)

5.28.

VNV stelt dat CHC externe medewerkers inzet om vluchten ten behoeve van CHC te verzorgen. Uit artikel 1.5.4 lid 5 van de cao volgt dat tewerkstelling van vliegers van derden niet mag leiden tot overtolligheid. Het moet CHC dus worden verboden om personeel van derden in te zetten, zolang er bij CHC sprake is van overtolligheid van vliegers, aldus VNV. CHC voert hiertegen aan dat zij sinds 1 juli 2020 geen vliegers inzet die niet bij haar in dienst zijn.

5.29.

Naar aanleiding van het verweer van CHC heeft VNV ter zitting gewezen op productie 12. Dat is een (door VNV zelf opgesteld) ‘overzicht van de tekorten die er in september t/m november 2020 bij de uitvoering van de werkzaamheden zijn als wordt uitgegaan van de door CHC gestelde overtolligheid.’ Zij heeft dit overzicht echter niet nader toegelicht. Nu het overzicht gemotiveerd door CHC is betwist, had het op de weg van VNV gelegen haar stelling op dit onderdeel nader toe te lichten of te onderbouwen. Dat heeft zij echter nagelaten. VHV heeft de stelling van CHC dan ook niet voldoende gemotiveerd weersproken. Gelet hierop houdt de kantonrechter het ervoor dat CHC sinds 1 juli 2020 geen vliegers van derden te werk stelt.

conclusie

5.30.

De kantonrechter acht het, gelet op het bovenstaande, niet in voldoende mate waarschijnlijk dat de vorderingen van VNV in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zullen worden toegewezen. De conclusie is dat de kantonrechter de vorderingen van VNV zal afwijzen.

5.31.

De proceskosten komen voor rekening van VNV, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt VNV tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor CHC worden vastgesteld op een bedrag van € 960,00 aan salaris van de gemachtigde van CHC.

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter