Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10284

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 24
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Beroep niet-ontvankelijk. Verzoek om terugbetaling. Eiseres komt geen zelfstandige rol toe.

Zij heeft de goederen niet onder de regeling extern Uniedouanevervoer geplaatst en niet het document T1 afgegeven,

dat heeft geleid tot de utb. De utb is opgelegd aan X als aangever, zodat X als schuldenaar een verzoek om terugbetaling

kon indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-12-2020
NTFR 2020/3744
FutD 2020-3804
NLF 2020/2813 met annotatie van
Douanerechtspraak 2020/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/24

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

[X] , gevestigd te [Z] , eiseres,

hierna te noemen: [X] ,

(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 9 mei 2017 aan [A] B.V. (hierna: [A] ) een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt van € 520,87, zijnde een bedrag van
€ 57,49 aan douanerechten op industrieproducten, € 459,25 aan omzetbelasting en € 4,13 aan rente op achterstallen. Tegen deze utb is geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 december 2017 heeft [X] , onder overlegging van een machtiging van [A] , een verzoek om terugbetaling gedaan.

Bij beschikking van 22 februari 2018 heeft verweerder het verzoek om terugbetaling afgewezen.

Bij brief van 30 maart 2018 hebben [X] en [A] hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar bij beslissing van 5 november 2018 ongegrond verklaard.

[X] en [A] hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[X] en [A] hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020 te Haarlem.

Namens [X] zijn verschenen [B] (bedrijfsleider van [X] ), [C] (accountmanager van [X] ) en de gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
mr. [D] .

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting het onderzoek heropend, omdat de rechtbank tot het voorlopig oordeel was gekomen dat partijen de rechtbank aanvullende informatie dienden te verstrekken over het verloop van de procedure in de fase van bezwaar. Bij brief van 11 augustus 2020 heeft de rechtbank verweerder en de gemachtigde van [X] en [A] ter zake het mogelijk niet goed zijn doorlopen van de procedure in bezwaar twee vragen gesteld, welke vragen verweerder bij brief van 4 september 2020 heeft beantwoord en de gemachtigde van [X] en [A] bij brief van 8 september 2020. Tevens heeft de rechtbank besloten om de zaak te splitsen in twee zaken, zodat [X] de enige eiseres is gebleven in deze zaak en [A] de enige eiseres is geworden in de nieuw aangemaakte zaak met het nummer HAA 20/3932.

Overwegingen

Feiten

1. [X] is een logistiek dienstverlener, die zich specifiek bezighoudt met de logistiek rondom het bevoorraden van schepen. Zij besteedt de douanewerkzaamheden uit aan [A] .

2. [A] heeft op 30 november 2016 als toegelaten afzender goederen geplaatst onder de regeling extern Uniedouanevervoer door middel van afgifte van het document [#] . Het kantoor van vertrek is Rotterdam. Het kantoor van bestemming is [E] in Duitsland.

3. Omdat de aangifte niet (elektronisch) is afgemeld in het New Computerised Transit System (NCTS), heeft verweerder - nadat de uiterste vervoerstermijn op 7 december 2016 was verstreken - het nasporingsonderzoek als bedoeld in artikel 310 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie (UVo. DWU) ingeleid bij het kantoor van bestemming. Dit onderzoek heeft geen informatie opgeleverd over de regelmatige beëindiging van de regeling extern Uniedouanevervoer.

4. Op 5 januari 2017 is [A] door verweerder via een geautomatiseerd bericht IE140 (“navraag niet beëindigd vervoer”) ervan in kennis gesteld dat het bewijs van de regelmatige beëindiging van de regeling niet is ontvangen. [A] heeft hierop niet gereageerd.

5. Bij brief van 5 maart 2017 heeft verweerder aan [A] bericht dat hij voornemens is om een utb uit te reiken wegens de niet-zuivering van de aangifte T1 van 30 november 2016. Op deze brief heeft [A] bij e-mail van 7 maart 2017 gereageerd. Naar aanleiding van de in deze e-mail verstrekte informatie heeft verweerder op 15 maart 2017 de Duitse Douane (via het gemeenschappelijk/communautair inlichtingenblad TC 24) verzocht of zij de invordering wil overnemen. Omdat de Duitse douane de invordering niet heeft overgenomen, heeft verweerder de onderhavige zaak voortgezet en de utb met dagtekening 9 mei 2017 vastgesteld.

6. Op 10 maart 2017 heeft [A] [X] schriftelijk voor onbepaalde tijd gemachtigd om namens haar onder meer bezwaar- en beroepschriften en verzoekschriften tot terugbetaling in te dienen in zaken waarin [X] de douaneactiviteiten aan [A] heeft uitbesteed.

7. Bij het op 28 december 2017 ingediende verzoek om terugbetaling zijn onder meer het uitgaand T1-document, een kopie van de CMR vrachtbrief, een kopie van een verklaring van de scheepseigenaar en een kopie van het manifest/pro forma invoice overgelegd.

8. Bij brief van 14 september 2018 hebben [X] en [A] verweerder onder meer verzocht om in de onderhavige zaak (en in negen andere - volgens [X] en [A] vergelijkbare – zaken) in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

Geschil

9.
Vooreerst is de vraag aan de orde of [X] ontvankelijk is in haar beroep. Zo ja, dan dient de rechtbank te beoordelen of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen en zo nee, of [A] recht heeft op terugbetaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen tot een bedrag van € 520,87.

10. [X] stelt zich op het standpunt dat het verzoek om terugbetaling van

28 december 2017 (alsnog) behoort te worden toegewezen. Zij voert daarvoor drie gronden aan.

In de eerste plaats is de beslissing op bezwaar onbevoegd genomen, omdat de ambtenaar die het bezwaarschrift heeft behandeld volgens [X] ook betrokken is geweest bij de daaraan voorafgaande procedure inzake het verzoek om terugbetaling. [X] verwijst ter zake naar artikel 10.3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ECLI:NL:HR:2002:AD9084.

In de tweede plaats stelt [X] dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid (artikel 2:4, eerste lid,Awb). Niet alleen is de ambtenaar die de uitspraak op bezwaar heeft gedaan ook betrokken geweest bij het behandelen van het verzoek om terugbetaling, ook heeft hij het verzoek om rechtstreeks beroep afgewezen zonder onderbouwing waarom er in de bezwaarprocedure niet reeds uitputtend van gedachten zou zijn gewisseld.

Ten slotte stelt [X] dat de douaneschuld is tenietgegaan, omdat de goederen niet in de Europese Unie (EU) zijn verbruikt of gebruikt, de goederen de EU hebben verlaten en zich geen poging tot bedrog heeft voorgedaan (artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het Douanewetboek van de Unie, hierna: DWU). Het betreft goederen zonder handelskarakter en het zijn geen goederen bestemd voor consumentendoeleinden.

[X] concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, het alsnog toewijzen van het verzoek tot terugbetaling en te bepalen dat verweerder het onverschuldigde bedrag van € 520,87 dient terug te betalen. Voorts verzoekt [X] om vergoeding van de griffiekosten en de (forfaitaire) proceskosten in bezwaar en beroep.

11. Verweerder heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat slechts [A] , aan wie de utb is opgelegd, een verzoek om terugbetaling kon indienen. Het verzoek om terugbetaling is ingediend door [X] , namens [A] . [X] heeft zich zowel in de terugbetalingsprocedure als in de bezwaarprocedure als gemachtigde van [A] gepresenteerd. Aan [X] komt in deze beroepsprocedure geen zelfstandige rol toe. Het beroep van [X] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijk recht

13. Artikel 172 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie (Uvo. DWU)

Aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding

(Artikel 22, lid 1, van het wetboek)

Aanvragen tot terugbetaling of kwijtschelding worden ingediend door de persoon die het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten heeft voldaan of gehouden is dit te voldoen, of door eenieder die hem in zijn rechten en verplichtingen is opgevolgd.

14. Artikel 9:1 van de Algemene douaneregeling (ADR)

Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verleend in de gevallen waarin bij of krachtens het Douanewetboek van de Unie aanspraak op terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer bestaat of zou bestaan.

Beoordeling van het geschil

15. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat aan [X] in deze beroepsprocedure geen zelfstandige rol toekomt. [A] heeft de goederen onder de regeling extern Uniedouanevervoer geplaatst en heeft het document T1 afgegeven, dat heeft geleid tot de onder het procesverloop genoemde utb. De utb is opgelegd aan [A] als aangever, zodat [A] als schuldenaar een verzoek om terugbetaling kon indienen. Verweerder heeft aangenomen dat [X] zowel bij het verzoek om terugbetaling, als in de bezwaarschriftprocedure als gemachtigde voor [A] is opgetreden. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft [X] dit bevestigd. Het is volgens haar duidelijk dat [A] (formeel) de belanghebbende is in deze zaak, aldus eiseres. [X] is in haar visie materieel belanghebbende en daarom is de aanduiding [X] c.s. gebruikt. Het enkele feit dat [X] de opgelegde douanerechten en omzetbelasting feitelijk heeft betaald, maakt nog niet dat zij in de hier voorliggende zaak als belanghebbende kan worden aangemerkt. Gelet hierop dient het beroep van [X] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

16. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de overige in overweging 9 genoemde vragen.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [X] niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 1 december 2020 door mr. F. Kleefmann, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en mr. S. Kleij, leden, in aanwezigheid van W.G. van Gastelen, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.