Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10223

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012 niet van toepassing zijn omdat het hebben van een tussenruimte tussen de gevels in deze artikelen geen eis is. Dat geen enkele vorm van onderhoud mogelijk is en dat het bouwplan daarmee direct zal leiden tot een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen is niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat de tussenruimte tussen de gevels gering is, maakt niet dat bij voorbaat kan worden geconcludeerd dat aan deze zorgplicht niet kan worden toegekomen. Hieraan kan ook worden tegemoetgekomen door deze tussenruimte af te dichten zodat geen vuil in de tussenruimte kan ontstaan, aldus verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op voorgaand standpunt gesteld. Het hebben van een tussenruimte tussen de zijgevel van de woning van eiser en die van het bouwplan is geen vereiste op grond van de hiervoor aangehaalde artikelen; ook niet op basis van een analoge toepassing daarvan. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat -anders dan de bestaande situatie- de nieuwbouw op de erfgrens zal komen te staan en daarmee nagenoeg zo niet geheel zal aansluiten op de zijgevel van de woning van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. drs. J. Rutteman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder,

(gemachtigde: mr. F.P. Brouwer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Inverdan Ontwikkelcombinatie B.V., hierna: Inverdan,

gemachtigde: mr. J.J. de Boer.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2018 heeft verweerder aan Inverdan een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 10 appartementen aan de Vlusch 5 te Krommenie en het maken, hebben, veranderen of het gebruik te veranderen van een uitweg.

Bij besluit van 13 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 3 december 2018 in stand gelaten met wijziging van de grondslag voor het onderdeel parkeren, alsmede wijziging van het aantal parkeerplaatsen (negen in plaats van acht). Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de externe hoor- en adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften in de gemeente Zaanstad.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 7 augustus 2019 is Inverdan in de gelegenheid gesteld om als partij aan deze beroepsprocedure deel te nemen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2020. Ter zitting is [eiser 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegen-woordigen door zijn gemachtigde. Zij werd vergezeld door collega’s B. Malloul en R. Visser. Voorts is de gemachtigde van Inverdan verschenen. Hij werd vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , beiden [functie] van Inverdan. Ter zitting is deze zaak gezamenlijk behandeld met het beroep van [naam 3] (HAA 19/3127).

Overwegingen

1. Voor de relevante wetsartikelen verwijst de rechtbank naar de bijlage welke integraal onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2. De omgevingsvergunning ziet op de bouw van 10 appartementen aan de Vlusch 5 te Krommenie. Het bouwplan bestaat uit twee gebouwen. Het ene gebouw staat aan de Vlusch 5; het andere aan de Hermesstraat. Beide gebouwen worden verbonden met een loopbrug. Eisers wonen op [perceel]

3. Verweerder heeft het zich op het standpunt gesteld dat geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn en dat hij derhalve gehouden was de omgevingsvergunning te verlenen.

4.1

Eisers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012, omdat niet is voorzien in voldoende tussenruimte tussen de gevels van het bouwplan en het pand van eisers voor schoonmaak en onderhoud.

4.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012 niet van toepassing zijn omdat het hebben van een tussenruimte tussen de gevels in deze artikelen geen eis is. Dat geen enkele vorm van onderhoud mogelijk is en dat het bouwplan daarmee direct zal leiden tot een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen is niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat de tussenruimte tussen de gevels gering is, maakt niet dat bij voorbaat kan worden geconcludeerd dat aan deze zorgplicht niet kan worden toegekomen. Hieraan kan ook worden tegemoetgekomen door deze tussenruimte af te dichten zodat geen vuil in de tussenruimte kan ontstaan, aldus verweerder.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op voorgaand standpunt gesteld. Het hebben van een tussenruimte tussen de zijgevel van de woning van eiser en die van het bouwplan is geen vereiste op grond van de hiervoor aangehaalde artikelen; ook niet op basis van een analoge toepassing daarvan. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat -anders dan de bestaande situatie- de nieuwbouw op de erfgrens zal komen te staan en daarmee nagenoeg zo niet geheel zal aansluiten op de zijgevel van de woning van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Voorts hebben eisers aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand omdat het niet in overeenstemming is met de criteria die op grond van de Welstandsnota van de gemeente Zaanstad gelden. Het bouwwerk is gelet op de bouwmassa niet in harmonie met de omgeving en het karakter van het gebied, aldus eisers.

5.2

Volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2018:3860) dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft verweerder -met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan- meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

5.3

Niet in geschil is dat het bouwplan zowel voor wat betreft het gebruik als voor wat betreft de bouwvoorschriften volledig past in het vigerende bestemmingsplan Krommenie.

De in het plan opgenomen maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken worden niet overschreden. Datzelfde geldt voor het maximale bebouwingspercentage van 70%. Gelet hierop is sprake van een situatie waarbij de bebouwingsmogelijkheden in het bestemmingsplan gedetailleerd zijn aangegeven. Deze vormen bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In aanvulling daarop merkt de rechtbank op dat de welstandscommissie positief heeft geadviseerd over het bouwplan omdat de bouwmassa in harmonie is met het gebiedskarakter door de situering en door het laten aansluiten van de voorgevel op de bestaande bebouwing. De beroepsgrond slaagt niet

6.1

Eisers hebben aangevoerd dat onduidelijk is of de maatvoering van de parkeerplaatsen die op eigen terrein zullen worden gerealiseerd wel voldoet en dat het derhalve de vraag is of voldaan wordt aan de eisen die de Uitvoeringsnota parkeren stelt. Indien de plaatsen onvolwaardig zijn, zullen deze immers niet (geheel) kunnen worden gebruikt en zal de parkeerbehoefte op straat groter zijn, aldus eisers. Voorts voeren eisers aan dat onduidelijk is hoe de fietsparkeerbehoefte wordt opgevangen. Uit de bij de vergunningaanvraag gevoegde rapportage blijkt dat 27 fietsplaatsen voor de bewoners en 14 voor bezoekers nodig zijn. Behalve de mededeling dat een relatief groot deel van de bewonersplaatsen zou kunnen worden ‘weggeschreven’ in de bergingen blijkt niet uit de rapportage dat de fietsparkeer-behoefte is opgelost. Met name blijkt niet dat een oplossing aanwezig is voor de 14 openbaar toegankelijke plaatsen die benodigd zijn voor bezoekers. Uit de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad blijkt dat voor deze fietsparkeerbehoefte geen vrijstelling kan worden gegeven bij appartementengebouwen, terwijl op eigen terrein geen oplossing voorhanden lijkt te zijn. Er is dus geen sprake van een situatie die in overeenstemming is met de eisen die Zaanstad stelt aan het parkeren, aldus eisers.

6.2

Niet in geschil is dat voor het bouwplan negen parkeerplaatsen nodig zijn. In het bouwplan is aan de zijde van de Hermesstraat over de gehele lengte van het gebouw een overdekte ruimte opgenomen waaronder volgens de bouwtekening vijf auto’s kunnen worden gestald. In de hiervoor weergegeven beroepsgronden hebben eisers zich afgevraagd of deze parkeerplaatsen op eigen terrein wel volwaardig zijn. Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat dat het geval is. Ter onderbouwing daarvan is ter zitting een tekening overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat per personenauto een diepte beschikbaar is van meer van 5 meter (m) en een breedte van 2,3 m. Daarmee is de vraag van eisers beantwoord. Verder hebben zij hier niets meer tegen ingebracht. De beroepsgrond over parkeerplaatsen slaagt niet.

6.3

In de rapportage parkeeronderzoeken Vlusch 5 e.o. in Krommenie van maart 2018, waar eisers naar verwijzen, is de fietsparkeerbehoefte op grond van de Zaanse Parkeernota berekend op grond van het uitgangspunt van 1 fiets per 25 m2 en een 0,5 voor bezoekers. Gelet op het totale (gebruiks)vloeroppervak van 663 m2 zijn 27 fietsparkeerplekken berekend voor bewoners (deze hoeven niet openbaar te zijn) en 14 bezoekersparkeerplaatsen (die wel openbaar toegankelijk moeten zijn).

6.4

Ter zitting heeft de rechtbank verweerders gemachtigde aldus begrepen dat voor wat betreft het fietsparkeren als uitgangspunt wordt genomen dat er per appartement met berging minimaal twee fietsplekken benodigd zijn. Voor bezoekers wordt als uitgangspunt genomen 0,3 per woning. Het vorenstaande zou betekenen dat realisatie van het bouwplan meebrengt dat er 23 fietsen moeten worden gestald.

6.5

De rechtbank stelt vast dat volgens bijlage 1 van het Beleidsplan Fietsparkeren 2013 van de gemeente Zaanstad er minimaal 2 plekken voor fietsparkeervoorzieningen beschikbaar dienen te zijn en dat daarnaast in de openbare ruimte minimaal rekening wordt gehouden met fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers van 0,5 per woning. Op grond van voornoemd beleidsplan zou realisatie van het bouwplan meebrengen dat er 25 fietsen moeten kunnen worden gestald.

6.6

Uit het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank begrepen dat er in beginsel voldoende ruimte is in de bij de appartementen horende bergingen voor het stallen van twee fietsen en dat er op de binnenplaats ook nog eens ruimte is voor het stallen van 12 fietsen. Gelet op het vorenstaande zou er dan ruimte zijn voor het plaatsen van 32 fietsen, zodat het er genoeg-zaam voor kan worden gehouden dat bouwplan voorziet in voldoende fietsparkeer-voorzieningen. De beroepsgrond over fietsparkeren slaagt niet.

7.1

Het betoog van eisers dat het bouwplan grote negatieve gevolgen heeft voor hun privacy, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Reeds hiervoor is vastgesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, zodat er geen ruimte is om de bij het bouwplan betrokken belangen (waaronder de privacy van eiser) af te wegen bij de verlening van de omgevingsvergunning. Alle relevante belangen moeten worden geacht (in abstracto) te zijn afgewogen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt dus niet.

8.1

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.