Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10182

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
C/15/299494 / HA ZA 20-110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Feitelijke afgifte van machine is geen oplevering in juridische zin.

Verregaande overschrijding van redelijk te achten leveringstermijn levert grond op voor ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

ACH/AJB

zaaknummer / rolnummer: C/15/299494 / HA ZA 20-110

Vonnis van 9 december 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVH MACHINEBOUW B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Helder,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.R. van der Boom te Alkmaar,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[naam vennootschap] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.P.A. Hoogstad te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna AVH en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 februari 2020 met 17 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 27 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 24 juni 2020;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 1 september 2020 en de daarin vermelde stukken;

  • -

    de akte houdende uitlating voortzetting procedure tevens akte overlegging producties met producties 21 t/m 23 van AVH;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] ;

  • -

    de brief d.d. 2 november 2020 van mr. Hoogstad, waarin hij reageert op de inhoud van het proces-verbaal;

  • -

    de brief d.d. 3 november 2020 van mr. Van der Boom, waarin hij reageert op de inhoud van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

AVH is een onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging en verkoop van (landbouw)machines.

[gedaagden] houdt zich bezig met de teelt van bloembollen.

2.2.

Nadat [gedaagden] AVH had benaderd met het verzoek om voor haar een rooimachine (voor het machinaal oppakken van de bloembollen die zich vlak onder de grond van de akkers bevinden) te vervaardigen, heeft AVH op 14 september 2017 een offerte uitgebracht. Deze offerte is op 18 januari 2018 door [gedaagden] voor accoord getekend. Blijkens de offerte diende [gedaagden] voor de rooimachine een bedrag van € 117.500,- exclusief BTW te voldoen. Een leveringstermijn is daarbij niet overeengekomen.

2.3.

Op 8 maart 2018 heeft [gedaagden] een bedrag van € 36.045,- (excl. BTW) aan AVH voldaan, zijnde 30% van het totaalbedrag.

2.4.

Door partijen en (later ook) door hun gemachtigden is vanaf september 2018 uitvoerig gecorrespondeerd over de vraag wanneer de rooimachine, zonder mankementen, geleverd zou kunnen worden. In dat verband is door [gedaagden] bij AVH veelvuldig aangedrongen op duidelijkheid wat betreft de leveringsdatum.

2.5.

Een mailbericht d.d. 14 maart 2019 van [naam 1] (AVH) houdt onder meer in :

“Zoals eerder gemeld in de mail en de meeting van 7 januari, hadden wij ongeveer nog 2,5 tot 3 maanden werk met alles.

Hoewel het ongeveer blijft, liggen wij hiermee nog wel redelijk op schema.”

2.6.

Een brief d.d. 12 april 2019 van de gemachtigde van AVH, J.H.E. de Beer van DAS Rechtsbijstand, vermeldt onder meer :

“Cliënte wil de rooimachine uiteraard opleveren. Zij verwacht dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk 10 mei a.s. te kunnen doen.”

2.7.

Op 14 juni 2019 heeft [gedaagden] de rooimachine bij AVH opgehaald. Omdat zich volgens [gedaagden] tijdens het gebruik (wederom) diverse gebreken openbaarden heeft zij de machine op 17 juli 2019 weer naar AVH gebracht teneinde deze gebreken te verhelpen. Nadat AVH nog een aantal reparaties had verricht heeft zij de machine met een beroep op haar retentierecht onder zich gehouden.

2.8.

Omdat de levering van de rooimachine langer op zich liet wachten dan [gedaagden] had verwacht heeft zij in de maanden juni en juli 2018, in het jaar 2019 en in januari 2020 loonwerkwerkers ingehuurd voor het rooien van haar bloembollen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

AVH vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 125.133,99 vermeerderd met rente en proces- en incassokosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vordert samengevat – dat de rechtbank :

primair de overeenkomst tussen partijen ontbindt en AVH veroordeelt tot (terug)betaling aan [gedaagden] van een bedrag van € 36.045,00, vermeerderd met rente, en

subsidiair AVH veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst door alsnog, op straffe van verbeurte van een dwangsom, een deugdelijke rooimachine te leveren.

Daarnaast vordert [gedaagden] veroordeling van AVH tot betaling van € 26.433,24 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente.

Ten slotte vordert [gedaagden] veroordeling van AVH in de proceskosten.

3.5.

AVH voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de inhoudelijke samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.

4.2.

De rechtbank zal eerst de vraag bespreken of, zoals AVH stelt en [gedaagden] betwist, op 14 juni 2019 oplevering van de rooimachine heeft plaatsgevonden. Het antwoord op deze vraag is namelijk zowel voor de uitkomst van de procedure in conventie als voor die in reconventie van belang.

Hoewel partijen de aard van de tussen hen gesloten overeenkomst niet expliciet benoemen, leidt de rechtbank uit het feit dat zij frequent de term “oplevering” bezigen af dat in hun visie de overeenkomst in elk geval gedeeltelijk als een aannemingsovereenkomst moet worden gezien. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze kwalificatie ook aan bij hetgeen partijen overeengekomen zijn. Dat betekent dat de hier aan de orde zijnde vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de artikelen 7:750 lid 1 en 7:758 BW.

4.3.

Namens AVH is ter zitting meegedeeld dat door haar op 14 juni 2019 aan [gedaagden] is gezegd dat de machine klaar was en dat [gedaagden] die vervolgens heeft meegenomen. Het standpunt van [gedaagden] is dat zij de machine toen (slechts) heeft opgehaald om te testen.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een oplevering in juridische zin. Een dergelijke oplevering houdt immers meer in dan de kale mededeling van de opdrachtnemer/aannemer dat het werk gereed is en het feitelijk tot zich nemen daarvan door de opdrachtgever. Volgens de genoemde wetsartikelen is de oplevering, zijnde een van de hoofdverplichtingen van de aannemer, een tweezijdige aangelegenheid, waarbij beide partijen een actieve inbreng (moeten) hebben. Daarbij is een wezenlijk element dat de opdrachtgever expliciet een standpunt inneemt : hij dient het werk te keuren en het (al dan niet onder voorbehoud) te aanvaarden dan wel (onder aanwijzing van de gebreken) te weigeren. Van enige standpuntbepaling door [gedaagden] blijkt echter niets en evenmin dat haar daarom door AVH is gevraagd.

4.4.

Verder is het, hoewel juridisch niet vereist, bepaald gebruikelijk, ook om disputen achteraf te vermijden, dat partijen een opleveringsdocument ondertekenen, waarbij de eventueel nog te verhelpen gebreken in kaart worden gebracht. Ook gebruikelijk is dat aan de opdrachtgever de nodige documenten (garantie- en eventuele andere certificaten, gebruikshandleiding) worden overhandigd. Ondertekening van een opleveringsdocument ligt te meer voor de hand in geval van opdrachten die een aanzienlijk financieel belang vertegenwoordigen, zoals in deze zaak het geval is. De rechtbank stelt vast dat op 14 juni 2019 geen enkel document is ondertekend of (ter ondertekening) aan [gedaagden] is overhandigd.

4.5.

Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband nog dat zowel voor als (geruime tijd) na 14 juni 2019 tussen partijen veelvuldig is gecommuniceerd (zoals onder meer blijkt uit de producties 15 en 16 bij conclusie van antwoord) over de talrijke gebreken die volgens [gedaagden] nog verholpen moesten worden en dat AVH na de genoemde datum nog een aantal (reparatie)werkzaamheden aan de machine heeft verricht. Tegen die achtergrond komt een definitieve oplevering op die datum de rechtbank bepaald niet aannemelijk voor.

4.6.

Nu geen oplevering heeft plaatsgevonden is de vordering van AVH in conventie tot betaling van het restant van de aanneemsom niet opeisbaar. Dit vloeit overigens ook voort uit de door AVH verzonden factuur d.d. 28 februari 2018 (productie 5 bij dagvaarding), waarin staat dat dit restant (70% van de aanneemsom) eerst na levering dient te worden voldaan.

Deze niet-opeisbaarheid brengt tevens met zich dat de basis onder het retentierecht waarop AVH zich heeft beroepen wegvalt.

4.7.

Het meest verstrekkend is echter de door [gedaagden] in reconventie ingestelde vordering tot ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Daarom zal de rechtbank die vordering nu eerst bespreken.

[gedaagden] grondt deze vordering, kort samengevat, op het volgende.

AVH is in verzuim geraakt omdat zij in gebreke is gebleven met het tijdig leveren van de rooimachine (welke levering tot op heden niet heeft plaatsgehad) en omdat de machine tal van gebreken vertoonde en bleef vertonen die aan een normaal gebruik daarvan in de weg stonden.

AVH heeft hier tegenover gesteld dat tussen partijen geen (fatale) leveringstermijn is afgesproken, dat zij een deugdelijke machine heeft vervaardigd en dat [gedaagden] heeft nagelaten concreet aan te geven welke gebreken er aan de machine zouden kleven. Van verzuim is dan ook geen sprake, te meer omdat een behoorlijke ingebrekestelling ontbreekt.

4.8.

De rechtbank overweegt, zoals hiervoor onder 2.2 al is vermeld, dat partijen geen leveringstermijn voor de rooimachine hebben afgesproken. Dat betekent echter niet, zoals AVH lijkt te menen, dat zij volkomen de vrije hand had wat betreft het tijdstip van (op)levering. Het achterwege blijven van een partijafspraak op dit punt brengt mee dat AVH een, alle concrete omstandigheden in aanmerking genomen, redelijke termijn in acht diende te nemen. Daarbij is enerzijds van belang dat het hier een speciaal voor [gedaagden] te bouwen machine betrof (wat de kans op enige uitloop van werkzaamheden groter maakt dan bij een standaardproduct) en anderzijds dat [gedaagden] er (uiteraard) een bedrijfsmatig belang bij had om (zo) spoedig (mogelijk) over de machine te kunnen beschikken.

Desgevraagd is namens AVH ter zitting verklaard dat haar uitgangspunt was om de machine na 6-8 maanden te leveren. Dit sluit aan bij de termijn die eerder in haar brief van 11 september 2019 (onderdeel van productie 11 bij dagvaarding) was genoemd. Duidelijk is dat deze termijn, ook in de visie van AVH zelf (“Het is 15 maanden geworden”, aldus [naam 1] van AVH ter zitting), bij lange na niet is gehaald. Verder is haar (globale) inschatting (de rechtbank verwijst naar het hiervoor onder 2.5 vermelde mailbericht van 14 maart 2019) dat het vanaf begin januari 2019 nog 2,5 tot 3 maanden zou duren voordat de machine gereed zou zijn onjuist gebleken. Echter, ook de zeer concrete toezegging, namens AVH gedaan in de brief van haar gemachtigde d.d. 12 april 2019 (onderdeel van productie 8 bij dagvaarding), dat uiterlijk op 10 mei 2019 zou worden opgeleverd is niet waargemaakt. Nu hierboven is overwogen dat de door AVH als oplevering betitelde afgifte van de machine op 14 juni 2019 die naam niet verdient, moet worden vastgesteld dat AVH thans, ruim tweeëneenhalf jaar na ontvangst van de aanbetaling, de rooimachine nog steeds niet heeft geleverd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank een redelijke termijn van levering verre overschreden.

4.9.

Vervolgens is de vraag aan de orde of AVH in verzuim is geraakt, wat immers noodzakelijk is voor een succesvolle ontbindingsvordering (zie artikel 6:265 lid 2 BW). De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend omdat, nog daargelaten de vele schriftelijke aansporingen, aanmaningen en verzoeken om spoedige levering van [gedaagden] zelf, de brief van haar gemachtigde d.d. 2 april 2019 (productie 7 conclusie van antwoord), anders dan AVH beweert, als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW moet worden gezien. Door het uitblijven van een passende reactie op deze brief van de zijde van AVH is het verzuim per 1 mei 2019 ingetreden.

Overigens is AVH ook nog langs andere weg in verzuim geraakt, namelijk doordat zij zich op 17 juli 2019, althans kort daarna (ten onrechte, zie hiervoor onder 4.6) ging beroepen op een retentierecht. Daarmee gaf zij immers te kennen dat zij haar verplichting om de machine te leveren (voor onbepaalde tijd) niet zou nakomen, zolang zij haar ontijdig opgeëiste restantvordering niet betaald zou krijgen. Aldus ontstond de in artikel 6:82 lid 2 BW bedoelde situatie dat uit de houding van AVH bleek dat aanmaning nutteloos zou zijn. Niettemin heeft de gemachtigde van [gedaagden] bij brief van 9 oktober 2019 (productie 14 bij dagvaarding) AVH nogmaals gesommeerd, onder het stellen van een termijn, om tot levering van een goed werkende machine over te gaan en haar aldus een extra gelegenheid geboden om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen. AVH heeft echter (ook) deze gelegenheid niet benut.

4.10.

Gelet op het aan de zijde van AVH ingetreden verzuim is [gedaagden] gerechtigd om reeds vanwege de verregaande overschrijding van een redelijke leveringstermijn op de voet van het bepaalde in artikel 6:265 BW ontbinding van de overeenkomst tussen partijen te vorderen. Deze vordering is dan ook toewijsbaar. De overige door [gedaagden] gestelde tekortkomingen, die betrekking hebben op gebreken aan de machine, behoeven geen bespreking.

4.11.

Door de uit te spreken ontbinding van de overeenkomst tussen partijen ontstaan over en weer ongedaanmakingsverbintenissen met betrekking tot de reeds ontvangen prestaties. In beginsel maakt [gedaagden] dus terecht aanspraak op restitutie van het door haar betaalde bedrag van € 36.045,00 (excl. BTW). Indien echter sprake is (aldus artikel 6:272 BW) van prestaties die naar hun aard niet ongedaan gemaakt kunnen worden, dan treedt daarvoor een vergoeding van de waarde daarvan in de plaats.

In dit geval gaat het om de periode van een aantal weken waarin [gedaagden] van de rooimachine gebruik heeft gemaakt, niet alleen om deze te testen, maar ook om een deel van haar bloembollen te rooien. Dit laatste blijkt uit het rapport van [naam 2] d.d. 26 februari 2020 waarin op pagina 1 staat vermeld :”Tellerstand : Ongeveer 15 ha gerooid”.

In de hiervoor al vermelde brief van haar gemachtigde van 9 oktober 2019 staat te lezen dat [gedaagden] slechts een deel van de rooiwerkzaamheden heeft kunnen uitvoeren in de testperiode. De rechtbank leidt hieruit af dat [gedaagden] in de bewuste periode de machine niet alleen heeft getest, maar daarvan ook economisch profijt heeft gehad. Dat profijt begroot de rechtbank schattenderwijs op € 5.000,00. Dit bedrag strekt dus in mindering op het toe te wijzen bedrag.

4.12.

Ten slotte is aan de orde de door [gedaagden] gevorderde schadevergoeding in verband met de hierboven onder 2.8 vermelde inzet van loonwerkers. De rechtbank acht deze vordering deels toewijsbaar, namelijk voor zover het betreft de in 2019 gemaakte kosten. De in 2018 gemaakte kosten zal de rechtbank afwijzen, nu [gedaagden] ter zitting heeft verklaard dat het rooiseizoen in juni/juli begint. Naar het oordeel van de rechtbank mocht zij redelijkerwijs niet verwachten dat de rooimachine op dat moment al geheel voltooid en bedrijfsklaar zou zijn. Bovendien had het op haar weg gelegen om, als dat voor haar een prominente kwestie was, daarover een uitdrukkelijke afspraak met AVH te maken.

4.13.

Voor zover AVH ter afwering van deze schadeclaim een beroep wil doen op de door haar gebruikte Metaalunievoorwaarden faalt dit beroep, nu [gedaagden] terecht de vernietiging van deze algemene voorwaarden heeft ingeroepen. Tegenover de betwisting door [gedaagden] dat zij ooit een exemplaar van die voorwaarden heeft ontvangen heeft AVH haar stelling dat dit wel het geval is onvoldoende onderbouwd. Bovendien is AVH bepaald onduidelijk over de wijze waarop zij de voorwaarden aan [gedaagden] zou hebben doen toekomen. In de dagvaarding (randnummer 5) heet het dat de algemene voorwaarden “ter hand zijn gesteld”, de offerte (productie 4 bij dagvaarding) vermeldt dat de voorwaarden op verzoek worden toegezonden, terwijl ter zitting is gesteld dat de voorwaarden altijd met de offerte per mail worden meegezonden. Uit de in dit verband overgelegde productie 22 blijkt dat echter niet. Derhalve beroept [gedaagden] zich terecht op de vernietigingsgrond van artikel 6:233 onder b BW.

4.14.

AVH heeft in dit verband verder nog aangevoerd dat de door [gedaagden] gemaakte kosten voor het rooiseizoen 2019 hooguit voor een deel ten laste van AVH zouden kunnen worden gebracht omdat de rooimachine –na reparatie door AVH- vanaf 18 juli 2019 weer beschikbaar was voor [gedaagden] Dit betoog is echter onbegrijpelijk in het licht van de stelling van AVH (dagvaarding, randnummer 20) dat zij juist op dat moment een retentierecht met betrekking tot de machine is gaan uitoefenen. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij.

4.15.

AVH maakt terecht bezwaar tegen het feit dat de schadevordering ook de BTW omvat. De BTW kan immers door [gedaagden] als voorbelasting worden afgetrokken, zodat in zoverre geen sprake is van een schadepost.

Toewijsbaar zijn dus de op de facturen (overgelegd als productie 17 bij conclusie van antwoord) vermelde bedragen exclusief de daarover berekende BTW. Het gaat om een achttal facturen die in totaal een bedrag van € 9.978,13 belopen.

4.16.

AVH zal als de in conventie geheel en in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 4.131,00

- salaris advocaat € 5.121,00 (2 punten in conventie × tarief € 1.707,00 + 2 x 0,5 punt in reconventie)

Totaal € 9.252,00

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie

5.2.

ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot de rooimachine,

5.3.

veroordeelt AVH om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 31.045,00 (eenendertigduizend vijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van heden tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt AVH om, ten titel van schadevergoeding, aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 9.978,13 (negenduizend negenhonderdachtenzeventig euro en dertien cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van heden tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

5.5.

veroordeelt AVH in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 9.252,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt AVH in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat AVH niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis in conventie en reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.