Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10164

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
8071569
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Autoverzekering. Vordering tot betaling vermogensschade (onderzoekskosten) op grond van onrechtmatig handelen. Poging tot het bewust verstrekken van onjuiste/onvolledige informatie niet vast komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8071569 \ CV EXPL 19-14535

Uitspraakdatum: 9 december 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de naamloze vennootschap ASR SCHADEVERZEKRING N.V.

gevestigd te Utrecht

eiseres

verder te noemen: ASR

gemachtigde: mr. G.R.M. van den Assum

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. F. Teuben

1 Het procesverloop

1.1.

ASR heeft bij dagvaarding van 18 september 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

ASR heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. ASR heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd op de tegenvordering.

2 De feiten

2.1.

ASR is een verzekeringsmaatschappij. ASR heeft met [gedaagde] een autoverzekering gesloten.

2.2.

De verzekerde auto is een VW Golf die op naam van [gedaagde] staat.

2.3.

De echtgenoot van [gedaagde] , [echtgenoot gedaagde] (hierna [echtgenoot gedaagde] ), staat naast [gedaagde] op de polis als regelmatige bestuurder. [echtgenoot gedaagde] heeft een (auto)garage ‘ [garage] ’ in [plaats] .

2.4.

[gedaagde] heeft op 22 januari 2016 aangifte gedaan ter zake van diefstal vanaf of uit de verzekerde auto en deze inbraak op 26 januari 2016 aan ASR gemeld.

2.5.

[gedaagde] heeft twee keer eerder bij ASR schade onder de autoverzekering geclaimd. De eerste keer schade door inbraak tussen 27 en 28 augustus 2015. De tweede keer schade door inbraak tussen 12 en 13 november 2015.

2.6.

De inbraken hebben plaatsgevonden in de buurt van de (voormalige) woning van [gedaagde] aan de [straat] in [plaats 2] .

Eerste inbraak

2.7.

Bij de eerste inbraak is namens ASR het voertuig geïnspecteerd door schade-expertisebureau Dekra. De schade bestond uit gestolen (Xenon) koplampen en navigatie-radiosysteem RNS 510 alsmede schade aan aircopaneel en voorbumper. De door de tussenpersoon namens [gedaagde] gestuurde reparatienota is gedateerd vóór de schadedatum en een factuurnummer ontbreekt. De nota kwam van [garage] , de garage van [echtgenoot gedaagde] , omdat de auto in eigen beheer is gerepareerd.

2.8.

Op de afgesproken datum waarop Dekra de reparatie van de auto zou controleren, was het voertuig niet aanwezig. Dekra heeft op basis van door [gedaagde] toegestuurde foto’s vastgesteld dat de auto waarschijnlijk is gerepareerd. Namens ASR is de volledige schade uitgekeerd.

Tweede inbraak

2.9.

Bij de tweede inbraak bestond de geclaimde schade uit gestolen Xenon koplampen en navigatie-/radiosysteem RNS 510 en schade aan de voorbumper. ASR heeft wederom Dekra ingeschakeld. De schade aan de voorbumper was dezelfde als bij de eerste inbraak. In het rapport van Dekra van 28 april 2016 staat: “Wij inspecteerden het voertuig op 18 november 2015 (…) Wederom werd ook de beschadigde voorbumper geclaimd. Deze hebben wij buiten beschouwing gehouden, aangezien het volgens ons dezelfde schade betrof als uit onze eerdere dossier.”

2.10.

Bij controle van de reparatie van de tweede schademelding, bleek dat niet de opgegeven (duurdere) nieuwe onderdelen, maar goedkopere onderdelen waren ingebouwd. In het rapport van Dekra van 28 april 2016 staat: “Op 11 december 2015 inspecteerden wij de Volkswagen nogmaals bij [garage] . Dit voor een technische inspectie. (…) Het voertuig bleek alweer hersteld. Er waren ‘normale’ koplampen gemonteerd. De reparateur gaf ons aan dat het wel de bedoeling was weer Xenon-koplampen aan te brengen, maar pas na verhuizing naar een ander adres (vanwege het inbraakrisico). Deze lampen werden ons getoond. De bedrading van de koplampen bleek geschikt te zijn voor Xenonlampen. In de Volkswagen zat ook alweer een ander radio/navigatiesysteem, zij het een gebruikt systeem voor Skoda. Tenslotte bleek er ook een gebruikt aircopaneel te zijn gemonteerd.”

2.11.

Namens ASR is de schade (onder inhouding van een deel van het geclaimde bedrag) uitgekeerd.

Derde inbraak

2.12.

Bij de derde inbraak bestond de geclaimde schade uit gestolen achterlichten, radio/ navigatiesysteem, stuur met airbag en aircopaneel. [gedaagde] heeft op 26 januari 2016 aan ASR gemeld dat op 22 januari 2016 weer in de auto was ingebroken.

Volgens het rapport van Dekra van 28 april 2016, heeft [gedaagde] op vrijdag 22 januari 2016 internetaangifte gedaan, waarin zij heeft vermeld dat zij: “vanochtend om 08.30 uur zag dat (…) er weer was ingebroken.”

ASR heeft weer Dekra ingeschakeld. Dekra heeft de auto op 1 februari 2016 omstreeks 12.00 uur met een transportvoertuig bij [garage] op laten halen voor vervoer naar haar garage in Uden en heeft de auto onderzocht. In het rapport van Dekra van 28 april 2016 staat:

“Onze bevindingen hebben wij separaat gerapporteerd. Bijzonderheden:

• De tellerstand bij het ophalen in [plaats] bedroeg 156.038 kilometer.

• Door DEKRA is niet met het voertuig gereden.

(…)

• De Volkswagen bleek uitgerust met H7-koplampunits. Deze hadden wij ook reeds waargenomen bij onze inspectie op 11 december 2015 (…)

• De bestuurdersairbag en het audiosysteem ontbraken, evenals de achterlichten.

(…)

• Onderzoek leverde informatie op over de volgende relevante storingen:

(…)

Richtingaanwijzers achter bij kilometerstand 156.038

Mistachterlicht bij kilometerstand 156.038

Achteruitrijlicht bij kilometerstand 156.028

Stuurairbag bij kilometerstand 156.028 d.d. 20-01-2016 11.00 uur

Passagiersairbag bij kilometerstand 156.038 d.d. 01-02-2016 10.36 uur

Aircomodule bij kilometerstand 156.038

(…)

De afstand tussen [straat] in [plaats 2] en [adres] in [plaats] bedraagt (blijkens controle middels een af-fabriek navigatiesysteem uit 2014 in één onzer leaseauto’s) circa 10 kilometer. Deze afstand is belangrijk in verband met de storingsinformatie.”

2.13.

ASR heeft Post Crash Voertuig Diagnose (hierna PCVD) opdracht gegeven om de door Dekra uitgelezen storingsinformatie te interpreteren en te beoordelen of deze storingsinformatie kan passen bij de derde (partiële) diefstal. De auto is op 9 maart 2016 nogmaals door Dekra, nu in het bijzijn van PCVD, geïnspecteerd.

2.14.

In het kader van haar onderzoek heeft Dekra op 18 maart 2016 een gesprek met [echtgenoot gedaagde] , die tegenover Dekra een verklaring heeft afgelegd. In die verklaring staat:

De laatste inbraak vond plaats op 22 januari 2016. Als in de politie-aangifte is opgenomen dat de inbraak tussen donderdag 21 januari 2016 omstreeks 18.00 uur en vrijdag 22 januari 2016 omstreeks 08.30 uur heeft plaatsgevonden, dan zal dat juist zijn. (…) Gestolen waren de Led achterlichten (gehele units), het stuur inclusief airbag, een RCD 310 radio en het aircopaneel. (…) Na de constatering van de inbraak kon ik dus niet rijden. Mijn broer heeft toen een stuur naar mij gebracht. Ik heb toen de auto naar de zaak gereden. Vanaf mijn adres reed ik naar de zaak via [woonplaats] en de Oude Schipholweg. U vraagt mij wat er precies met de auto is gebeurd in de periode 22 januari 2016 en 1 februari 2016 toen de VW bij mijn garagebedrijf werd opgehaald voor onderzoek. Ik heb de auto in die periode bij mijn zaak laten staan. Er is dus niets meer met de auto gebeurd nadat ik deze na de inbraak vanuit [plaats 2] naar mijn zaak had gereden.”

2.15.

PCVD heeft aan ASR een rapport uitgebracht d.d. 8 april 2016 waarin PCVD concludeert dat zij de partiële diefstal op 22 januari 2020 niet aannemelijk acht. In de conclusie van dat rapport staat:

“• De storingsinformatie (kilometerstand) betreffende de elektronische onderbreking van de stuurwielairbag, het bijrijderairbag controle-/waarschuwingslampje en het aircobedienings-paneel past niet bij de verklaarde omstandigheid dat deze onderdelen tijdens de gemelde partiële diefstal werden ontvreemd.

• De stuurwielairbag werd bij een kilometerstand van 156.028 kilometer en zeer waarschijnlijk voor de gemelde diefstal op 20-01-2016 omstreeks 11.00 uur elektronisch onderbroken danwel als zodanig waargenomen en opgeslagen in de airbagregeleenheid.

• Het bijrijderairbag controle-/waarschuwingslampje en het aircobedieningspaneel werden bij een kilometerstand van 156.038 km en zeer waarschijnlijk voor het transport door het bergingsbedrijf op 01-02-2016 omstreeks 10.30 uur elektronisch onderbroken c.q. gedemonteerd.

(…)

Getuige de gelezen storingsinformatie en de werking van storingswaarneming en opslag in de Volkswagen acht ik onderhavig gemelde partiële diefstal niet aannemelijk.”

2.16.

In het kader van haar onderzoek heeft Dekra op 14 april 2016 weer een gesprek met [echtgenoot gedaagde] gehad. Dit heeft geleid tot opheldering van de discrepantie tussen de uitgelezen technische informatie van de auto en de opgegeven datum van diefstal. In het rapport van Dekra van 28 april 2016 staat:

“Reeds bij aanvang van het gesprek en nog voordat we hem confronteerden met de storingsgegevens, gaf [echtgenoot gedaagde] ons aan dat hij over een video-opname en foto’s beschikte, die zijn vrouw met haar telefoon had gemaakt vlak nadat ze de inbraak had geconstateerd. Hij kwam er pas recent achter dat zij opnamen had gemaakt, toen hij de zaak vanwege de gerezen problemen met de verzekering nog met haar besprak. Vandaar dat hij dit ons nu pas kon melden. (…) Het werd ons aannemelijk gemaakt dat de opnamen op 20 januari 2016 omstreeks 09.07 uur op de [straat] waren genomen en dat de tellerstand toen 156.028 kilometer bedroeg. Ook was zichtbaar dat het stuur verdwenen was, evenals de achterlichtunits en het audiosysteem. [echtgenoot gedaagde] verklaarde dat zijn vrouw die de aangifte had gedaan, zich in de data had vergist.

Aangezien zij direct na de diefstalconstatering de opnamen had gemaakt, moest de inbraak in de nacht van 19 op 20 januari 2016 hebben plaatsgevonden, aldus [echtgenoot gedaagde] . (…)

De data van de aangeleverde opnamen komen wel overeen met de ‘harde’ storingsgegevens ten aanzien van de stuurwielairbag.”

Het eerder als gestolen opgegeven aircopaneel is door [echtgenoot gedaagde] zelf verwijderd:

Ondanks dat er geen aircopaneel als zijnde gestolen in het proces-verbaal van aangifte stond vermeld, werd dit wel geclaimd. Nadat wij [echtgenoot gedaagde] hadden gewezen op het feit dat het aircopaneel op het moment dat de opnamen waren gemaakt nog in het voertuig aanwezig was, verklaarde hij dat op de zaak bleek dat dit onderdeel kapot was en vervangen moest worden. Daarom had hij het maar verwijderd voordat de auto werd opgehaald om naar Uden te worden gebracht. Dit kon verklaren dat de storingen ten aanzien van het aircopaneel en het bijrijders-airbaglampje bij een tellerstand van 156.038 kilometer waren ontstaan. Hij had er niet bij stilgestaan dit te melden, maar liet blijken dat hij er geen moeite mee had dat het aircopaneel niet vergoed zou worden. Dat hij eerder had opgegeven dat het gestolen was zou een vergissing zijn geweest.”

2.17.

ASR heeft [gedaagde] bij brief van 18 mei 2016 laten weten de door haar geclaimde schade ter zake de derde inbraak niet te zullen uitkeren en vordert betaling van de door ASR gemaakte (onderzoeks)kosten. In de brief staat: ”Alle feiten overziend stellen wij dat gedurende de schaderegeling bewust opzettelijk onjuiste / onvolledige informatie is verstrekt, hetgeen impliceert dat er geen verzekeringsdekking uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst is. Daarnaast maakt u en [echtgenoot gedaagde] zich schuldig aan (poging tot verzekeringsfraude. (…) Door uw handelswijze hebt u jegens a.s.r. onrechtmatig gehandeld. Wij houden u daarom beiden aansprakelijk voor de (extra) gemaakte kosten,”.

2.18.

[gedaagde] heeft bij brief van 13 juli 2016 uitkering gevorderd van alle schade ten gevolge van de tweede en derde inbraak en gevraagd af te zien van de claim van vergoeding van (onderzoeks)kosten.

2.19.

[gedaagde] heeft op 21 oktober 2016 een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KIFID). De klacht betrof het feit dat ASR is overgaan tot royement en registratie van de persoonsgegevens van [gedaagde] . Het KIFID heeft op 10 augustus 2017 de klacht afgewezen.

3 De vordering

3.1.

ASR vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:

  1. de hoofdsom van € 532,-, vermeerderd met een bedrag aan onderzoekskosten ad € 5.070,30;

  2. de wettelijk rente vanaf de dag van verzuim te weten 18 december 2017, althans 2 maart 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. al het vorenstaande nog te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 859,05 overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

  4. met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de na kosten ten belope van € 100,- een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te berekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

ASR legt aan de vordering ten grondslag - kort weergegeven - dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor ASR schade heeft geleden, bestaande uit directe en indirecte schade. [gedaagde] is op grond van art. 6:162 BW verplicht de schade die ASR te vergoeden.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist. Zij voert aan - kort samengevat - dat elke rechtsgrond ontbreekt, omdat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst dan wel van een onrechtmatige daad. Voor zover zij al aansprakelijk zou zijn, beroept zij zich op matiging van de vordering tot schadevergoeding.

4.2.

[gedaagde] voert aan dat van onjuist/onvolledige informatie sprake kan zijn geweest, maar het ging hier om enkele menselijke vergissingen en niet om opzettelijke misleiding. ASR heeft haar standpunt gebaseerd op vermoedens en aannames en niet op feiten.

4.3.

[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering veroordeling van ASR tot betaling van de door [gedaagde] geleden schade ten gevolge van de derde inbraak, te weten een bedrag van € 5.107,41, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 februari 2016 of een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van voldoening en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 630,37, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

4.4.

[gedaagde] legt aan haar tegenvordering ten grondslag - kort weergegeven - dat haar schade voor vergoeding in aanmerking komt, omdat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst of van onrechtmatige daad. De schade wordt dus gedekt op grond van de verzekeringsovereenkomst.

5 Het verweer tegen de tegenvordering

5.1.

ASR heeft de tegenvordering gemotiveerd betwist en voert aan dat geen sprake is van vergissingen van de zijde van [gedaagde] , maar van opzettelijke bewuste misleiding.

6 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

6.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor beide vorderingen is het van belang eerst vast te stellen of [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig jegens ASR heeft gehandeld. Pas daarna kunnen de vorderingen tot schadevergoeding in conventie en reconventie aan de orde komen.

wanprestatie

6.2.

Vast staat dat tussen partijen een verzekeringsovereenkomst bestaat, te weten een autoverzekering. [gedaagde] heeft betwist dat zij wanprestatie heeft gepleegd door in strijd met de (voorwaarden van de) verzekeringsovereenkomst te hebben gehandeld. ASR heeft haar stelling niet nader onderbouwd of zelfs maar aangegeven welke contractuele bepaling(en) [gedaagde] heeft overtreden. Noch de betreffende polis noch de op de verzekering van toepassing verklaarde algemene voorwaarden zijn overlegd, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen of en zo ja in strijd met welke voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst [gedaagde] heeft gehandeld. [gedaagde] heeft op dit punt ook geen deugdelijk verweer kunnen voeren. De kantonrechter zal de vordering voor zover gegrond op wanprestatie dan ook afwijzen.

onrechtmatig handelen

6.3.

ASR stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens ASR heeft gehandeld door opzettelijke misleiding, althans een poging daartoe, door ASR opzettelijk onjuist te informeren over de aard en omvang van de schade en zo bewust te veel schade te claimen.

6.4.

Als uitgangspunt geldt dat het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan ASR is te onderbouwen en te concretiseren - en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen - dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door ASR opzettelijk te misleiden, althans een poging daartoe heeft gedaan.

6.5.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een (poging tot) opzettelijke misleiding, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de concrete feiten en omstandigheden een zwaardere verdenking moeten opleveren dan enkel een redelijk vermoeden van (poging tot) misleiding. Het ligt op de weg van ASR om die aan te voeren.

6.6.

Ter ondersteuning van haar vordering heeft ASR de volgende feiten en omstandigheden / verwijten aangevoerd:

Geantedateerde reparatienota

6.7.

ASR stelt dat [gedaagde] een bewust onjuiste opgave heeft gedaan door een geantedateerde reparatienota aan ASR te overleggen met betrekking tot de eerste schadeclaim. Vast staat dat de reparatienota was gedateerd op een datum gelegen vóór de eerste inbraak. [gedaagde] betwist echter dat sprake is van een bewuste antedatering. Haar verweer is dat als gefraudeerd zou worden, men er dan juist erg scherp op zou zijn om geen traceerbare fouten te maken. De onjuiste datum berust op een eenvoudige vergissing. Het garagebedrijf maakt facturen handmatig aan. Op een oude factuur worden nieuwe gegevens ingevoerd en het kan gebeuren dat enkele gegevens per abuis niet zijn aangepast. Dat antedatering van de reparatienota een bewust onjuiste opgave is van [gedaagde] , is niet aannemelijk gemaakt.

6.8.

Voor zover ASR haar stelling heeft gegrond op haar verweer in de klachtprocedure bij het KIFID, namelijk dat zij ten onrechte teveel uitgekeerd zou hebben als zij de schade had afgewikkeld op grond van de geantedateerde reparatienota, kan dit niet tot een andere conclusie leiden, omdat [gedaagde] op dit punt geen deugdelijk verweer heeft kunnen voeren.

Dubbel claimen van schade aan bumper

6.9.

ASR stelt dat [gedaagde] een dubbele schade van de (voor)bumper heeft geclaimd bij de tweede schadeclaim (en zo bewust te veel schade heeft geclaimd). [gedaagde] voert aan dat het opnieuw noemen van de schade aan de bumper, een vergissing is geweest. Zij was in de veronderstelling dat alle schade (na de eerste inbraak) was gerepareerd en dat dit nieuwe schade was. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat het een dusdanig kleine schadepost betreft, dat iemand daarover niet zou frauderen.

Het verweer dat [gedaagde] zich heeft vergist is niet onaannemelijk en het feit levert daarom niet meer op dan een vermoeden van (poging tot) opzettelijke misleiding.

Niet de opgegeven (duurdere) nieuwe onderdelen, maar goedkopere onderdelen zijn ingebouwd

6.10.

Na de tweede schadeclaim, zijn niet de opgegeven (duurdere) nieuwe onderdelen, maar goedkopere onderdelen ingebouwd. [gedaagde] heeft vooraf niet aangegeven dat goedkopere onderdelen waren ingebouwd. Dit bleek pas bij de inspectie van de schade.

[gedaagde] voert aan dat zij geen verplichting heeft om duurdere onderdelen direct in te bouwen. Zij wilde de luxe/dure onderdelen pas na de verhuizing in de auto laten monteren om te voorkomen dat er opnieuw werd ingebroken. Het inbouwen van goedkopere onderdelen was slechts tijdelijk. Zij heeft de opgegeven schade daadwerkelijk geleden. De onderdelen die zij na de eerste inbraak nieuw kocht, zijn immers bij de tweede inbraak gestolen.

Gezien het korte tijdsbestek tussen de eerste en de tweede diefstal vanuit de auto, acht de kantonrechter het verweer van [gedaagde] , om tijdelijk goedkopere onderdelen in te laten bouwen, niet onaannemelijk. Daarnaast heeft ASR niet toegelicht waarom [gedaagde] verplicht zou zijn vooraf te melden dat er goedkopere onderdelen waren ingebouwd. ASR heeft evenmin toegelicht waarom [gedaagde] verplicht was de opgegeven duurdere onderdelen direct in te bouwen. Gezien het vorenstaande is een (poging tot) opzettelijke misleiding, niet komen vast te staan.

Aangegeven tijdstip van de diefstal bij de derde schadeclaim klopt niet met de uitgelezen technische informatie

6.11.

ASR stelt dat het tijdstip van diefstal waarvan [gedaagde] aangifte heeft gedaan, bij de derde schadeclaim niet overeenkomt met de uitgelezen technische informatie van de auto. [gedaagde] erkent dit, maar voert aan dat onduidelijkheid is ontstaan, omdat zij in eerste instantie, per ongeluk, een foute datum heeft genoemd. Deze onduidelijkheid heeft zij vervolgens zelf weggenomen door beeldmateriaal te verstrekken dat zij, nadat de diefstal was ontdekt, heeft gemaakt. Zij voert tevens aan dat zij geen belang heeft gehad of kon hebben bij het noemen van een verkeerde datum (van diefstal).

6.12.

De kantonrechter overweegt dat discrepantie tussen een (in eerste instantie foutief) opgegeven datum van diefstal en de uitgelezen technische informatie, reden kan zijn voor een vermoeden van (poging tot) opzettelijke misleiding. [gedaagde] heeft echter - weliswaar laat, maar wel uit eigen beweging - bewijs geleverd dat de onduidelijkheid wegneemt. Met uitzondering van de onduidelijkheid die is ontstaan over het als gestolen opgegeven aircopaneel (zie afzonderlijke behandeling hierna onder 6.11), is van een (poging tot) opzettelijke misleiding, geen sprake.

Als gestolen geclaimd aircopaneel door de echtgenoot zelf uitgebouwd

6.13.

Tussen partijen staat vast dat bij de derde schadeclaim in het proces-verbaal van aangifte geen aircopaneel als gestolen is vermeld, maar wel bij ASR is geclaimd. Tevens staat vast dat [echtgenoot gedaagde] het aircopaneel zelf heeft uitgebouwd vlak voordat de auto op 1 februari 2016 voor inspectie werd opgehaald. Hij heeft dit pas gemeld nadat hij er door Dekra op was gewezen dat het aircopaneel op 20 januari 2016 nog in het voertuig aanwezig was. ASR stelt dat sprake is van een onjuiste onware opgave. [gedaagde] voert aan dat het opgeven van het aircopaneel als gestolen een vergissing was, omdat het niet gestolen, maar onherstelbaar beschadigd was en vervangen moest worden. Zij stelt niet door te hebben gehad dat het van belang was om hierin goed onderscheid te maken. In beide gevallen moest immers een nieuw aircopaneel gemonteerd worden. De schade zou zelfs nog groter zijn ingeschat, indien het oude aircopaneel nog verwijderd had moeten worden, omdat daar extra werk in zit.

6.14.

Gezien het vorenstaande staat vast dat [gedaagde] ASR op dit punt in eerste instantie onjuist heeft geïnformeerd. Dit levert weliswaar een redelijk vermoeden van (poging tot) opzettelijke misleiding op, maar voor een (poging tot) opzettelijke misleiding heeft ASR, mede in het licht van het verweer van [gedaagde] , onvoldoende aangevoerd.

Conclusie

In conventie

6.15.

De hiervoor besproken feiten en omstandigheden brengen (los van elkaar, maar ook in samenhang bezien) de kantonrechter tot het oordeel, dat de vergissingen van [gedaagde] rond het indienen van de schadeclaims tot discussie en nader onderzoek hebben geleid. De conclusie is echter dat (poging tot) opzettelijke misleiding niet vast is komen te staan. Er is daarom geen sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Nu wanprestatie evenmin is komen vast te staan, zal de kantonrechter de vordering afwijzen.

In reconventie

6.16.

Gelet op het voorgaande, valt de door [gedaagde] bij de derde diefstal opgegeven schade onder de verzekeringsdekking.

6.17.

De conclusie is dan ook dat de kantonrechter de vordering van [gedaagde] zal toewijzen. Gezien de onderzoekskosten die ASR met het oog op de schadeclaims heeft gemaakt, zal de wettelijke rente over de hoofdsom slechts worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening dit vonnis tot aan de dag van de gehele betaling.

6.18.

[gedaagde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten welke worden geacht redelijk te zijn. De vordering is niet betwist en is daarom toewijsbaar.

In conventie en reconventie

6.19.

De proceskosten in conventie en in reconventie komen voor rekening van ASR, omdat zij ongelijk krijgt.

7 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

7.1.

wijst de vordering in conventie af;

7.2.

veroordeelt ASR tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 (2x tarief € 300,-) aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] ;

In reconventie

7.3.

veroordeelt ASR tot betaling aan [gedaagde] van € 5.107,41, te betalen binnen twee weken na betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening dit vonnis tot aan de dag van de gehele betaling;

7.4.

veroordeelt ASR tot betaling aan [gedaagde] van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 630,37;

7.5.

veroordeelt ASR tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 300,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] ;

7.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door J.J. Dijk, kantonrechter en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter