Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10158

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
C/15/308704 / FA RK 20-5592
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

223 Rv. Moeder heeft eenhoofdig gezag en er is al enkele maanden geen contact tussen vader en 2-jarige dochter. Vader én moeder vragen om voorlopige omgangsregeling. Vader vraagt om verhuisverbod op te leggen aan moeder met kind voor een verhuizing naar Bonaire, terwijl moeder daarvoor vervangende toestemming vraagt. Rechtbank stelt omgangsregeling vast en legt een verhuisverbod met dwangsom op. Het verzoek om vervangende toestemming voor de verhuizing wordt afgewezen, omdat de 223 Rv-procedure zich daarvoor niet leent. Dat verzoek moet in de bodemprocedure worden beoordeeld in samenhang met een verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en een zorgregeling door een meervoudige kamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/43.25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

provisionele voorziening ex artikel 223 Rv.

zaak-/rekestnr.: C/15/308704 / FA RK 20-5592

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 2 december 2020

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.C. Fuijkschot, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.I. Dierkx, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vader ingekomen op 8 oktober 2020;

- het aanvullende verzoekschrift, met bijlage, van de vader ingekomen op 10 november 2020;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de moeder, per mail ingekomen op 10 november 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 november 2020 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

2 Feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Uit deze relatie is geboren de minderjarige [minderjarige] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .

De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] is woonachtig bij de moeder.

2.3.

De moeder is woonachtig in [plaats] . De vader woont met ingang van 1 december 2020 [plaats] .

2.4.

De vader heeft na aanvulling c.q. wijziging van zijn oorspronkelijke verzoeken, gelijktijdig met onderhavige provisionele vordering een verzoekschrift ingediend, waarbij hij de rechtbank in de bodemprocedure verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

- te bepalen dat een regeling wordt vastgelegd, waarbij [minderjarige] eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur t/m zondag 17.00 uur bij de vader verblijft dan wel een zodanige omgangsregeling als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

subsidiair:

- een omgangsregeling vast te stellen inhoudende:

- een opbouwende regeling waarbij [minderjarige] gedurende de eerste maand iedere zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader zal verblijven;

- gedurende de tweede maand [minderjarige] eens in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven

- hierna kan de omgang worden uitgebreid naar een reguliere weekendregeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 17.00 uur bij de vader verblijft;

  • -

    te bepalen dat de vakanties- en feestdagen tussen partijen bij helfte zullen worden verdeeld;

  • -

    te bepalen dat de vader voortaan tezamen met de moeder zal worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

  • -

    de moeder te verbieden om met [minderjarige] naar Bonaire c.q. het buitenland te verhuizen, althans moeder te bevelen om binnen een straal van 50 kilometer van de woonplaats van de vader te blijven wonen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000,--.

Dit verzoekschrift is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/15/308703 FA RK 20/5591.

3 Verzoek en verweer

3.1.

De vader verzoekt na wijziging van zijn oorspronkelijke verzoek bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de duur van de bodemprocedure:

  • -

    te bepalen dat een regeling wordt vastgelegd waarbij [minderjarige] voor tenminste de duur van de bodemprocedure iedere zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur bij de vader verblijft, dan wel een zodanige omgangsregeling als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

  • -

    de moeder voor ten minste de duur van de bodemprocedure te verbieden om met de minderjarige [minderjarige] naar Bonaire c.q. het buitenland te verhuizen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000,.

4 Verweer en zelfstandige verzoeken

4.1.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader en tevens doet zij zelfstandige tegenverzoeken. Zij verzoekt de rechtbank in onderhavige procedure de volgende provisionele voorziening te treffen en te bepalen dat:

  • -

    zij gerechtigd zal zijn en haar vervangende toestemming zal worden verleend om met [minderjarige] naar Bonaire te verhuizen met ingang van 1 januari 2021, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren ingangsdatum;

  • -

    de vader voorlopig tot 31 december 2020 omgang zal hebben met [minderjarige] eenmaal per twee weken op zaterdag 9.00 uur tot 12.00 uur in de woning van de moeder, althans onder begeleiding in een omgangshuis, althans op een door de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren tijdstip en plaats.

4.2.

In de bodemprocedure wordt door de moeder verzocht te bepalen dat:

  • -

    de vader met ingang van januari 2021 contact met [minderjarige] zal hebben welk contactmoment zal plaatsvinden via Skype om de week op zaterdag gedurende 15 minuten per keer, althans op een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen moment en tijdstip;

  • -

    de vader met ingang van 1 januari 2021 omgang met [minderjarige] zal hebben van viermaal per jaar in Nederland op een nader overeen te komen dag op een neutrale plek, althans op een door de rechtbank te bepalen tijdstip en plaats;

  • -

    de vader zal zijn gehouden om maandelijks bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ad € 250,-- per maand, zulks met ingang van 1 november 2020, althans voor een door uw rechtbank in goede justitie vermeend te behoren bedrag aan kinderalimentatie, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen aanvangsdatum.

5 Beoordeling

procedurele overwegingen

5.1.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).

5.2.

De rechtbank stelt vast dat aan de vereiste samenhang genoemd in het tweede lid van artikel 223 Rv is voldaan, zodat partijen in zoverre ontvankelijk zijn in hun verzoeken.

5.3.

Ter beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing van de verzoeken tot het vaststellen van een provisionele voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv dient de rechter allereerst te onderzoeken of hierbij een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechter dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat partijen met [minderjarige] (en [oudere dochter van de moeder] , de oudere dochter van de moeder uit een eerdere relatie) in gezinsverband hebben samengeleefd en dat de vader sinds de laatste verjaardag van [minderjarige] geen omgang meer met haar heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat er, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , spoedeisend belang bestaat bij vastleggen van een – door beide partijen verzochte – tijdelijke omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. Ook hebben beide partijen, gezien de wens van de moeder om per 1 januari 2021 te verhuizen en de stappen die zij inmiddels heeft gezet om dat mogelijk te maken, spoedeisend belang bij een voorlopig oordeel van de rechtbank over de voorgenomen verhuizing naar Bonaire.

omgangsregeling

5.5.

Vast staat dat partijen feitelijk geruime tijd een gezamenlijke huishouding hebben gehad en hebben samengewoond tot begin 2020. Vast staat ook dat de vader tijdens de relatie een opvoedersrol voor [minderjarige] en voor [oudere dochter van de moeder] heeft gehad. De vader heeft [minderjarige] voor het laatst gezien op haar verjaardag, te weten op [datum] . De rechtbank stelt vast dat partijen verschillende lezingen hebben van de redenen waarom de omgang tussen de vader en [minderjarige] stil is gevallen en de pogingen de omgang te hervatten tot niets hebben geleid.

5.6.

De rechtbank overweegt dat de moeder haar stellingen over de zorgelijke psychische gesteldheid van de vader heeft zij niet onderbouwd met bewijsstukken en zijn grotendeels gemotiveerd door de vader betwist. Hij erkent dat hij psychische hulp heeft gezocht vanwege de impact van de geboorte van [minderjarige] , maar stelt dat zijn mentale gesteldheid lang niet zo zwak is als de moeder heeft geschetst. De vader heeft ter zitting op de rechtbank geen labiele indruk gemaakt.

5.7.

De Raad heeft ter zitting aangegeven geen contra-indicaties te zien voor een opbouwende regeling die passend is bij de leeftijd van [minderjarige] . De eerste paar keer kan de omgang volgens de Raad bij moeder thuis plaatsvinden in verband met het opbouwen van vertrouwen aan de zijde van moeder, maar daarna kunnen wat de Raad betreft snel verdere stappen worden gezet. De omgang kan dan wat langer, en ook op ander terrein plaatsvinden.

Ten aanzien van de voorgenomen verhuizing van de moeder naar Bonaire heeft de Raad opgemerkt dat een reguliere omgangsregeling met de vader de voorkeur heeft boven het voorstel van de moeder om het contact tussen [minderjarige] en de vader via Skype te laten verlopen. De (meer)waarde van dergelijk contact voor [minderjarige] wordt door de Raad betwijfeld.

Nu de ouders hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening om hun onderlinge communicatie te verbeteren, adviseert de Raad de ouders zo spoedig mogelijk contact op te nemen met het wijkteam van de gemeente waar [minderjarige] is ingeschreven en zich aldaar te laten verwijzen naar een passend hulpverleningstraject zoals Ouderschap Blijft.

De Raad ziet voorts meerwaarde in het doen van onderzoek ten behoeve van de bodemprocedure.

5.8.

De rechtbank overweegt dat omgang en een goede band met beide ouders voor de ontwikkeling van [minderjarige] van groot belang zijn. De rechtbank overweegt dat beide ouders in dezelfde mate verantwoordelijk zijn voor het bevorderen van de contacten tussen de ouders en het kind en dat van beide ouders wordt verwacht dat zij zich constructief opstellen bij de invulling en de uitvoering van de omgang.

Nu de Raad geen contra-indicaties ziet voor de omgang tussen [minderjarige] en haar vader, zal de rechtbank – mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] – frequente wekelijkse contacten vaststellen, op de wijze zoals hierna te melden. De rechtbank hoopt hiermee te bevorderen dat [minderjarige] zich snel weer vertrouwd en veilig zal voelen in aanwezigheid van haar vader en dat de moeder zich ermee kan verzoenen dat ook de vader weer een rol in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal spelen.

verzoek vervangende toestemming verhuizing

5.9.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar Bonaire afwijzen, nu onderhavige procedure zich daarvoor niet leent. Het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing van een kind met één ouder naar een ver oord is een ingrijpende beslissing, waarvoor nader onderzoek nodig is. De beslissing op dit verzoek van de moeder zal naar het oordeel van de rechtbank in de bodemprocedure moeten worden genomen door een meervoudige kamer en moeten worden beoordeeld in samenhang met de verzoeken van de vader om gezamenlijk gezag en het vastleggen van een zorg- c.q. omgangsregeling.

verhuisverbod

5.10.

De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de verzoeken van de vader in de bodemprocedure om gezamenlijk gezag en het vastleggen van een zorg- c.q. omgangsregeling zonder meer zullen worden afgewezen. Verder overweegt de rechtbank dat de moeder als gezaghebbende ouder op grond van artikel 1:247, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek mede de verplichting heeft om de ontwikkeling van de band van [minderjarige] met de vader te bevorderen.

De rechtbank overweegt dat de vrijheid om te verhuizen die de moeder in beginsel heeft, dient te worden begrensd indien de belangen van [minderjarige] onaanvaardbaar in het gedrang komen. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij de hervatting van de contacten met haar vader en de instandhouding van de band tussen [minderjarige] en haar vader ernstig in het gedrang komt indien de moeder op zeer korte termijn met [minderjarige] naar Bonaire zal verhuizen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Raad ter zitting heeft verklaard dat Skype-contacten vanaf Bonaire voor [minderjarige] weinig (toegevoegde) waarde zullen hebben. Andere vormen om in die situatie geregeld betekenisvol contact te hebben, zijn vanwege de afstand niet goed mogelijk.

De rechtbank vreest dat het thans reeds verhuizen van de moeder met [minderjarige] naar Bonaire onomkeerbare gevolgen zal voor met name het hervatten het contact en het opbouwen van een band met de vader. Door een dergelijke verhuizing zal ook het uitoefenen van het gezamenlijk gezag worden bemoeilijkt.

5.11.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat het resultaat van de bodemprocedure wordt afgewacht alvorens nagenoeg onomkeerbare stappen worden gezet, zoals een verhuizing naar Bonaire. De rechtbank acht het aangewezen als tijdelijke ordemaatregel, passend bij het karakter van een voorlopige voorziening, om te bepalen dat het de moeder wordt verboden om voor de duur van de bodemprocedure met [minderjarige] te verhuizen naar Bonaire c.q. het buitenland. Om te verzekeren dat de moeder het huisverbod nakomt, zal de rechtbank ook de door de vader gevorderde dwangsom verbinden aan dit verhuisverbod.

opdracht tot onderzoek t.b.v. de bodemprocedure aan de Raad en starten hulpverlening

5.12.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ermee ingestemd dat de Raad ten behoeve van de bodemprocedure onderzoek zal doen ten aanzien van de verzoeken tot gezamenlijk gezag en de vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk onderzoek nodig is, omdat partijen tegengestelde belangen hebben bij hun verzoeken en ter zitting gebleken is dat de verhouding tussen partijen moeizaam en spanningsvol is. Vooruitlopend op de behandeling van de aanhangige bodemprocedure zal de Raad uit praktisch oogpunt alvast worden verzocht om onderzoek te doen en advies te geven over de verzoeken van partijen in de bodemprocedure.

5.13.

Ter zitting is gebleken dat de verhouding tussen partijen gecompliceerd en spanningsvol is. Gelet op de toezegging van beide partijen ter zitting dat zij bereid zijn via het wijkteam van de gemeente waar [minderjarige] is ingeschreven hulpverlening te aanvaarden, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen – in het belang van [minderjarige] – op korte termijn een hulpverleningstraject zullen starten om de onderlinge verhouding en communicatie te verbeteren, waarbij gedacht kan worden aan een traject als Ouderschap blijft.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1.

stelt, tot nader wordt beslist, de volgende tijdelijke omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vader vast:

- drie weken achtereen wekelijks op zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur in de woning van de moeder, waarbij:

- de moeder de eerste keer het eerste uur van de omgang erbij aanwezig is;

- de moeder de tweede keer het eerste half uur van de omgang erbij aanwezig is;

- de moeder er derde keer, behalve tijdens het overdrachtsmoment, niet bij aanwezig is;

  • -

    vervolgens drie weken achtereen in de woning van de vader, zonder begeleiding, op zaterdag van 10.00 uur tot 14.00 uur;

  • -

    daarna zal de omgang tussen [minderjarige] en de vader wekelijks op zaterdag van 10.00 – 17.00 uur plaatsvinden;

6.2.

verbiedt de moeder om met [minderjarige] te verhuizen naar Bonaire c.q. het buitenland voor de duur van de bodemprocedure met kenmerk C/15/308703 FA RK 20/5591, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000,--.;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen en de rechtbank te adviseren in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/15/308703 / FA RK 20/5591, over de verzoeken van partijen in die procedure betreffende de vraag welke gezagsverhouding en welke zorg- c.q. omgangsregeling het meest in het belang is van [minderjarige] is; de voorzieningenrechter verzoekt de Raad in zijn correspondentie aan de rechtbank het hiervoor genoemde zaak-/rekestnummer van de bodemprocedure te vermelden;

6.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P van der Haak, rechter tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Spanjaard als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2020.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.