Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10118

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
15/996520-10 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering na fraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996520-10 (ontneming)

Uitspraakdatum: 2 december 2020

Tegenspraak

Dit vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 3 oktober 2019 strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum en -plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

1 Vordering

In de schriftelijke vordering van 3 oktober 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal vaststellen op € 503.728,20 en aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor deze rechtbank veroordeelde bij vonnis van 2 november 2018 heeft veroordeeld. Het is volgens de officier van justitie aannemelijk dat deze strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

2 Procedure

De officier van justitie heeft de vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op een zogeheten regiezitting van deze rechtbank op 12 november 2019. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.W. Newitt, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A. Rogaar, zijn op deze regiezitting gehoord. De rechtbank heeft de behandeling van de ontnemingszaak aangehouden en termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke conclusiewisseling ter voorbereiding van de ontnemingszaak.

De officier van justitie heeft de ontnemingszaak daarna ter inhoudelijke behandeling aangebracht op de openbare zitting van 11 juni 2020. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak echter opnieuw aangehouden, omdat er, vanwege de uitbraak van het coronavirus en de door de Rijksoverheid (RIVM) en de Rechtspraak in dat verband geadviseerde/getroffen maatregelen, in het rooster van de rechtbank dusdanige wijzigingen waren opgetreden, dat de inhoudelijke behandeling niet kon doorgaan.

De rechtbank heeft de ontnemingszaak vervolgens inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 21 oktober 2020. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, en de officier van justitie, mr. L.S. van Haeringen, zijn op die zitting gehoord.

3 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de schriftelijke vordering primair gehandhaafd en gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op € 503.728,20. Zij heeft daartoe verwezen naar het ontnemingsrapport van 23 november 2012. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de rechtbank ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM een bedrag van € 5.000,- in mindering brengt op de betalingsverplichting en aan veroordeelde een betalingsverplichting oplegt voor een bedrag van € 498.728,20.

Subsidiair heeft de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel naar beneden bijgesteld tot € 378.457,47 en gevorderd dat de rechtbank, in verband met de aftrek van de reeds in rechte toegekende civiele vordering van [belegger] voor een bedrag van € 12.850,- (inclusief wettelijke rente) en voornoemde compensatie van de termijnoverschrijding, aan veroordeelde een betalingsverplichting oplegt voor een bedrag van € 360.607,47.

4 Standpunt van veroordeelde

De verdediging heeft bepleit het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel, na aftrek van de in mindering te brengen verschotten ten behoeve van het biodieselproject, te beperken tot € 337.841,96, omdat slechts dat bedrag wordt geborgd door de bewijsmiddelen. Door het ontbreken van enkele brondocumenten is het namelijk voor het overige deel van de vordering niet mogelijk om na te gaan of de gevolgtrekkingen uit het ontnemingsrapport over het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende worden geborgd in de onderliggende stukken.

Als de rechtbank aan dit verweer voorbij gaat, is bepleit om op het vermeende voordeel van € 503.728,20 een door veroordeelde ervaren dubbeltelling van € 51.900,- in mindering te brengen. In het dossier bevindt zich enige (beperkte) onderbouwing voor de stelling dat van dubbeltelling sprake is, maar door het ontbreken van brondocumenten is veroordeelde niet in staat dat verder te onderbouwen.

De verdediging heeft verder bepleit op het wederrechtelijk verkregen voordeel een in redelijkheid aan veroordeelde toe te kennen vergoeding voor de door hem ten behoeve van het biodieselproject verrichte werkzaamheden in mindering te brengen van € 137.750,-, alsmede de reeds toegekende vorderingen van [belegger] ad € 12.850,- en [HVDP] ad € 60.000,-.

De verdediging heeft tot slot bepleit het ontnemingsbedrag met € 15.000,- te verminderen ter compensatie van de grote overschrijding van de redelijke termijn.

5 Beoordeling van de rechtbank

5.1.

Grondslag van de vordering

Bij vonnis van deze rechtbank van 2 november 2018 in de strafzaak tegen veroordeelde is hij veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, met aftrek van de tijd die veroordeelde in verzekering heeft doorgebracht. Daarbij is, voor zover hier relevant, bewezen verklaard dat veroordeelde:

feit 2 subsidiair

in de periode van 29 januari 2007 tot en met 30 juni 2009 in Nederland en/of in België en/of in Oostenrijk tezamen en in vereniging met één of meer anderen opzettelijk een groot geldbedrag, toebehorende aan de beleggers in het project [biodiesel] , welk geldbedrag verdachte en zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als initiatiefnemer en/of als bestuurder en/of als de obligatie-uitgever onder zich hadden, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

feit 3

in de periode van 1 februari 2007 tot en met 5 maart 2012 in Nederland, en/of in België, en/of in Oostenrijk, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een geldbedrag van in totaal 503.728,20 euro heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van voornoemd bedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedrag geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Op grond van deze veroordeling kan veroordeelde worden verplicht de Staat een bedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezen verklaarde strafbare feiten of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.

5.2.

Ontnemingsrapport

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, in het bijzonder van een zogeheten ontnemingsrapport dat de Financiële Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) heeft opgesteld over het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit rapport is verwezen naar stukken uit zowel het met de vordering samenhangende strafrechtelijk financieel onderzoek, als het dossier in de onderliggende strafzaak. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de tussen de officier van justitie en de verdediging gewisselde schriftelijke conclusies.

5.3.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank komt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting tot de volgende berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.3.1.

Opbrengst van de bewezen verklaarde strafbare feiten

Bij het vaststellen van het door een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald. Daar waar op het Openbaar Ministerie de plicht rust om aan de hand van voldoende aanwijzingen aannemelijk te maken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit strafbare feiten, mag van de verdediging worden verlangd dat zij aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens onderbouwt dat van wederrechtelijk verkregen voordeel geen sprake is. Een ontnemingsrapport is een wettig bewijsmiddel waarin, onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens, gevolgtrekkingen zijn gemaakt over de posten die aan het in het ontnemingsrapport weergegeven wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan uitsluitend op een dergelijk rapport berusten. Daarbij geldt wel dat de gevolgtrekkingen die in het ontnemingsrapport worden gemaakt, moeten zijn ontleend aan de inhoud van één of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen, zodat duidelijk is waarop de berekening van het voordeel is gebaseerd. Wanneer de rechter zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het ontnemingsrapport baseert, betekent dit dat die beslissing indirect ook berust op de onderliggende bewijsmiddelen. De rechter maakt de voordeelsberekening uit het ontnemingsrapport in dat geval tot de zijne wat betreft zowel de uitkomst van die berekening als de feitelijke grondslag daarvan.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel de beschikking gehad over onder andere het door de FIOD opgestelde ontnemingsrapport, de zogeheten Excel overzichtsdocumenten die de FIOD bij de voordeelsberekening heeft gebruikt en enkele daaraan ten grondslag liggende bankafschriften. De rechtbank beschikt niet over (een deel van) de bankafschriften van de bankrekeningen van [MI BV] en [CB BV] (voorheen [PB BV] ). De rechtbank stelt vast dat de FIOD en het Openbaar Ministerie niet meer over deze bankafschriften beschikken en dat deze, mede door tijdsverloop, ook niet opnieuw kunnen worden opgevraagd om aan het dossier toe te voegen. De rechtbank is, zoals door de verdediging is bepleit, van oordeel dat daarom niet kan worden nagegaan of de gevolgtrekkingen uit het ontnemingsrapport ten aanzien van deze bankrekeningen voldoende worden geborgd door de onderliggende stukken. De overzichtsdocumenten zijn daartoe niet toereikend. Dergelijke overzichtsdocumenten bevatten slechts een schematische/samenvattende weergave van de onderzoeksbevindingen van de FIOD. De onderliggende gegevens (in casu: de bankafschriften) zijn onmisbaar om de juistheid van deze weergaven van de FIOD te kunnen controleren, nu de verdediging die juistheid heeft betwist. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank bij de berekening van de opbrengst van de door veroordeelde begane strafbare feiten uitgaat van de berekening zoals die is weergegeven in het ontnemingsrapport, voor zover die berekening feitelijke grondslag vindt in de thans beschikbare onderliggende bewijsmiddelen.

Uit de bewijsmiddelen1 blijkt dat van de ingelegde beleggersgelden in het biodieselproject de volgende bedragen ten gunste van veroordeelde zijn overgemaakt naar bankrekeningen waarvoor hij was gemachtigd of waarover hij kon beschikken, namelijk:

- een totaalbedrag van € 51.900,-, afkomstig van [CB BV] (voorheen [PB BV] ) en [CB BV io]2;

- een bedrag van € 341,96, afkomstig van [GHFS]3;

- een totaalbedrag van € 326.271,29, afkomstig van [CB BV]4, 5

Gelet op deze geldstromen stelt de rechtbank de totale opbrengst van de bewezen verklaarde strafbare feiten vast op een bedrag van € 378.459,25.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de verdediging niet heeft betwist dat dit totaalbedrag ten gunste van veroordeelde is overgeboekt. De verdediging heeft wel bepleit dat hiervan een deel van € 40.617,29 moet worden aangemerkt als verschotten, namelijk gemaakte onkosten ter uitvoering van het biodieselproject, die op de opbrengst in mindering moeten worden gebracht, zodat een lagere opbrengst van de begane strafbare feiten resteert. De rechtbank zal dat verweer, nu het gaat om een verweer over kosten, in de volgende paragraaf bespreken.

5.3.2.

Voor aftrek in aanmerking komende kosten

De verdediging heeft bepleit op het wederrechtelijk verkregen voordeel een tweetal posten als kosten in mindering te brengen, namelijk voornoemde verschotten van € 40.617,29 en een aan veroordeelde in redelijkheid toe te kennen vergoeding van € 137.750,- voor de door hem ten behoeve van het biodieselproject verrichte werkzaamheden.

De rechtbank volgt dit verweer niet en overweegt hierover het volgende.

Op grond van artikel 36e, vijfde lid, Sr (oud) kan de rechter bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kosten in mindering brengen die rechtstreeks in verband staan met het begaan van een strafbaar feit. Alleen die kosten, die in directe relatie staan tot de voltooiing van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kunnen dus in mindering worden gebracht op het door de rechter vast te stellen ontnemingsbedrag (ECLI:NL:HR:1998:ZD1199 en ECLI:NL:HR:2009:BJ3254). Daarbij gaat het niet slechts om investeringskosten. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat onder de kosten die in de vorenbedoelde zin in directe relatie staan tot het strafbare feit, die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het strafbare feit niet zou zijn gepleegd. Daartoe kunnen ook kosten behoren die niet ten behoeve van de voltooiing van het strafbare feit zijn gemaakt en in zoverre dus niet noodzakelijk waren (ECLI:NL:HR:1992:AC0473 en ECLI:NL:HR:2015:3264).

De rechtbank is gelet op dit juridisch kader van oordeel dat de door de verdediging gestelde posten niet kunnen worden aangemerkt als kosten, die op de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering kunnen worden gebracht. De gestelde posten kunnen namelijk niet worden gezien als kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van de bewezen verklaarde strafbare feiten en het zijn evenmin kosten die bespaard zouden zijn geweest als die strafbare feiten niet zouden zijn gepleegd. Het feit dat, zoals de verdediging heeft bepleit, de rechtbank in haar vonnis van 2 november 2018 heeft overwogen dat veroordeelde gelet op de door hem ten behoeve van het biodieselproject verrichte werkzaamheden in redelijkheid wel enige (onkosten)vergoedingen toe zou komen, maakt dit niet anders. Nog los van het feit dat de posten niet als kosten kunnen worden aangemerkt, heeft de rechtbank in dat vonnis namelijk overwogen dat de voorschotten/vergoedingen die veroordeelde zichzelf voor de aanvangsdatum van het project heeft toegekend, buitensporig waren en de manier waarop deze zijn gefactureerd, niet inzichtelijk was, zodat de toe-eigening van die bedragen in zijn geheel wederrechtelijk is geweest.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van het door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van een bouwkostendeskundige over de door die deskundige te schatten redelijke (onkosten)vergoeding die veroordeelde zou kunnen toekomen gelet op de door hem ten behoeve van het project verrichte werkzaamheden.

Nu de rechtbank geen andere posten zijn gebleken die kunnen worden aangemerkt als kosten die voor aftrek in aanmerking komen, zal zij bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dus geen kosten in mindering brengen.

5.3.3.

Aftrek van in rechte toegekende vorderingen van derden

De verdediging heeft bepleit de in rechte toegekende civiele vorderingen van [belegger] , voor een bedrag van € 12.850,-, en [HVDP] , voor een bedrag van € 60.000,, op de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Op grond van artikel 36e, achtste lid, Sr (oud) worden bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. In rechte toegekende vorderingen aan derden komen alleen voor vermindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking als deze vorderingen verband houden met de strafbare feiten waarvoor een veroordeelde is veroordeeld en als het voordeel uit die bewezen verklaarde strafbare feiten is voortgevloeid. Het is blijkens de parlementaire geschiedenis en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van belang dat het moet gaan om vorderingen van derden, die door de gedragingen naar aanleiding waarvan het wederrechtelijk voordeel is verkregen, rechtstreeks zijn benadeeld.

De rechtbank zal gelet op dit juridisch kader de in rechte toegekende vordering van belegger [belegger] voor een bedrag van € 12.875,- en een bedrag van € 1.792,21 ter vergoeding van proceskosten van die [belegger] , op de omvang van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen.

Dat ligt anders voor de vordering van [HVDP] . De rechtbank is van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat deze vordering verband houdt met de strafbare feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld en waaruit het wederrechtelijk verkregen voordeel is voortgevloeid. Het feit dat de vordering van [HVDP] (voornamelijk) ziet op kosten voor het opstellen van de jaarrekeningen over 2007 van de bij het biodieselproject betrokken vennootschappen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat daarmee sprake is van een vordering van een derde, die door de gedragingen naar aanleiding waarvan veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald, rechtstreeks is benadeeld. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [HVDP] niet in mindering zal brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.3.4.

Conclusie: het wederrechtelijk verkregen voordeel

In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 363.792,04.

5.4.

Betalingsverplichting

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat aan veroordeelde de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden opgelegd. De rechtbank komt bij de vaststelling van de hoogte van het door veroordeelde te betalen bedrag aan de Staat tot de volgende berekening.

5.4.1.

Financiële draagkracht

De verdediging heeft verzocht de duur van de te vorderen gijzeling te maximeren op één dag, omdat bij veroordeelde geen sprake is van een vermogend persoon met betalingsonwil, die door gijzeling kan worden gedwongen tot betaling, en bij veroordeelde ook geen verborgen middelen bestaan, die onder druk van gijzeling kunnen worden aangewend voor betaling van de ontnemingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu of in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, wegens het ontbreken van financiële draagkracht, de duur van de mogelijk te vorderen gijzeling te maximeren tot een lager aantal dagen dan weergegeven in de door de rechtbanken en gerechtshoven gehanteerde oriëntatiepunten.

5.4.2.

Overschrijding van de redelijke termijn

De verdediging heeft verder bepleit een bedrag van € 15.000,- in mindering te brengen op de hoogte van het ontnemingsbedrag ter compensatie van de ruime overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de officier van justitie heeft erkend dat de redelijke termijn in deze ontnemingsprocedure is overschreden, heeft zij gewezen op het feit dat de rechtbank de termijnoverschrijding in de strafzaak heeft meegewogen bij de strafoplegging en veroordeelde in zijn straf heeft gecompenseerd. De officier van justitie heeft daarom gevorderd slechts € 5.000,- op het ontnemingsbedrag in mindering te brengen.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van een ieder is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bij de uitleg van dit grondrecht wordt in ons land als uitgangspunt genomen dat een straf- of ontnemingszaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De redelijke termijn in een ontnemingsprocedure vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zal worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat in deze ontnemingszaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 13 april 2011, wat de datum is waarop de doorzoeking van de woning van veroordeelde heeft plaatsgevonden en hij op de hoogte is geraakt van het tegen hem ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv. Dit betekent dat voornoemde termijn van twee jaren is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden, dat een redelijke termijn van langere duur is gerechtvaardigd. De rechtbank heeft in haar vonnis over de strafzaak overwogen dat als zij rekening houdt met alle omstandigheden die aan het procesverloop hebben bijgedragen, zij constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting waarin alle partijen een aandeel hebben gehad. De rechtbank is van oordeel dat dat in de ontnemingszaak niet anders is.

Nu het eindvonnis op 2 december 2020 wordt gewezen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met bijna 92 maanden, zijnde zeven jaren en acht maanden. Regel is dat overschrijding van de rechtelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag dat een veroordeelde verplicht is aan de Staat te betalen. In die gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, zoals hier aan de orde is, handelt de feitenrechter naar bevind van zaken (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank zal daarom, gelet op de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, afgezet tegen de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, het ontnemingsbedrag met € 15.000,- verminderen.

5.4.3.

Conclusie: de betalingsverplichting

In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank de hoogte van het door veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag vast op € 348.792,04.

6 Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr, zoals die bepaling gold ten tijde van de bewezen verklaarde strafbare feiten.

7 Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 363.792,04.

Legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 348.792,04 ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.


Bepaalt de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, op 540 dagen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. J.C. van den Bos en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 december 2020.

De griffier, mr. P.H. Boersma, is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5, Sv betreft, zijn de bewijsmiddelen telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal SFO AH-048 en geschriften D-359, CD 1-20, p. 100, en CD 1-21, p. 51 en p. 54.

3 Proces-verbaal SFO AH-053 en geschriften D-359 en R-L-001a, p. 288.

4 Proces-verbaal SFO AH-050 en geschriften D-359 en CD 1-20, p. 54-98.

5 Processen-verbaal SFO OR V-002, p. 5, en AH-016.