Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10031

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 432
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of het bedrag van € 193.973 dat op 1 januari 2018 op de bankrekening stond in verband met de verkoop van de eigen woning, terecht tot de rendementsgrondslag is gerekend. Het beroep is ongegrond. Het geldbedrag moet worden aangemerkt als bezitting. Tegenover dit geldbedrag kan niet een even grote schuld in aanmerking worden genomen vanwege de door eiser aangegane verbintenis tot betaling van de koopsom van een nieuwbouwwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-12-2020
FutD 2020-3619
V-N Vandaag 2020/3041
NTFR 2021/215 met annotatie van MR. E. ALINK
VFP 2021/8
V-N 2021/4.24.7
Belastingadvies 2021/5.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/432

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.962 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.539 (de aanslag).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2020 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 6 december 2016 heeft eiser zijn toenmalige eigen woning verkocht. Uit deze verkoop heeft eiser op 2 juni 2017 een bedrag van € 368.532,23 op zijn bankrekening eindigend op de cijfers [#] (de bankrekening) ontvangen.

2. Op 1 januari 2018 stond van dit verkoopbedrag volgens een renseignement van de bank nog een bedrag van € 193.973 op de bankrekening.

3. In afwijking van de door eiser gedane aangifte ib/pvv voor het jaar 2018 is dit bedrag van € 193.973 door verweerder gerekend tot de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van eiser en zijn fiscale partner.

4. In de bezwaarfase is eiser op 14 oktober 2019 gehoord. Eiser schrijft in zijn reactie van 17 oktober 2019 op het verslag van het hoorgesprek, dat plaats had onder leiding van voorzitter [B] :

“Na de hoorzitting heeft dhr [B] contact gehad met een collega en mijn zaak besproken. Deze collega heeft hem geattendeerd op het feit dat door het aangaan van een wettelijke verplichting vanwege de aankoop van een huis in 2017, er een schuld is ontstaan ter hoogte van de aankoopprijs van het huis.
Dhr [B] heeft hierover de volgende dag telefonisch contact met mij opgenomen, om te vertellen dat door het aangaan van een wettelijke verplichting er een schuld ontstaat.
In mijn geval is bovenstaande ook op mij van toepassing.”

5. In het zaaksdossier bevindt zich een mailbericht van eiser aan verweerder van 16 oktober 2019 (15:41u) waarin staat:

“Naar aanleiding van het hoorgesprek en nog wat eigen onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen, dat ik bij de aangifte bij het punt schulden het mij niet duidelijk was dat mijn wettelijke verplichtingen ten aanzien van de koop van mijn nieuwe woning ook schulden zijn en ingevuld hadden moeten worden.”

6. Op 28 april 2017 heeft eiser met een ondernemer een koop-/aanneemovereenkomst (kao) gesloten voor een nieuwbouwwoning (appartementsrecht) in [Z] voor een
koop-/aanneemsom van € 414.950. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“III De totale koop-/aanneemsom bedraagt:
Avoor wat betreft de koopsom:

de per de in het hoofd van deze akte genoemde datum van overeenkomen verschuldigde en in artikel 5 lid 3 van deze akte genoemde termijnen:

1. grondkosten (inclusief omzetbelasting) EUR 124.950,-

2. de overige termijnen (inclusief omzetbelasting) EUR *

B voor wat betreft de aanneemsom:

de nog niet ingevolge artikel 5 lid 1 van deze akte verschuldigd geworden termijnen (inclusief omzetbelasting) EUR 290.000,-

C vergoeding (inclusief omzetbelasting) over de per de in het hoofd van deze akte genoemde datum van overeenkomen verschuldigde en in artikel 5 lid 3 van deze akte genoemde termijn grondkosten en overige termijnen, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 lid 4 van deze akte EUR *

Totaal (A + B + C) EUR 414.950,-

[…]

Termijnen en betalingsregeling
Artikel 5
1. De termijnen van de koop-/aanneemsom zijn de volgende:
a. de grondkosten en de sub III.C. van deze akte bedoelde vergoeding: verschuldigd per de in het hoofd van deze akte genoemde datum van overeenkomen en te betalen bij de Levering;

b. de koop-/aanneemsom minus de grondkosten en minus de sub III.C. van deze akte

bedoelde vergoeding te betalen in de volgende termijnen:
1 Te declareren zodra met de bouw van het hoofdgebouw een aanvang is

gemaakt. 6%

2 Te declareren bij het gereedkomen van de ruwe laagste vloer van het

gebouw 10%

3 Te declareren na het gereedkomen van de ruwe laagste vloer van het privé-gedeelte 7,5%

4 Te declareren na het gereedkomen van de ruwe hoogste vloer van het privé-gedeelte 7,5%

5 Te declareren zodra de ruwbouwgevels van het privé-gedeelte zijn

aangebracht 15%

6 Te declareren zodra het dak van het hoofdgebouw waterdicht is 22%

7 Te declareren na het aanbrengen van de dekvloeren in het privé-gedeelte 10%

8 Te declareren zodra het stuc-, spuit- en tegelwerk in het privé-gedeelte zijn

aangebracht 12%

9 Te declareren bij de oplevering van het privé-gedeelte, te voldoen vóór

oplevering van het privé-gedeelte mits het privé-gedeelte op redelijke wijze

bereikbaar is. 10%

2. Behoudens het geval waarin de Verkrijger recht op uitstel van betaling heeft zoals bedoeld in lid 5 van dit artikel, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijnen steeds opeisbaar veertien (14) dagen na de dagtekening van een door of vanwege de Ondernemer gedaan betalingsverzoek. Een betalingsverzoek geeft aan op grond van welk feit de Ondernemer recht heeft op betaling, welke termijn het betreft en dat de betaling uiterlijk veertien (14) dagen na de dagtekening door de Ondernemer ontvangen dient te zijn.

3. Per de in het hoofd van deze akte genoemde datum van overeenkomen zijn de navolgende termijnen (inclusief omzetbelasting) verschuldigd:

- termijn grondkosten EUR *

- termijn * (* datum aanvang bouw gebouw) EUR *

- termijn * (* datum werkzaamheden gereed) EUR *

- termijn * (* datum werkzaamheden gereed) EUR *

4. (C) KEUZE

Er zijn nog geen termijnen van de aanneemsom vervallen.”

7. In de kao zijn in artikel 8 en artikel 11 ontbindende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het verkrijgen van financiering door eiser, respectievelijk op de afgifte van een Woningborg-certificaat. In artikel 16 zijn de volgende opschortende voorwaarden opgenomen: het verkrijgen van een bewijs van plan-acceptatie van Woningborg voor het bouwproject, het door de ondernemer sluiten van een minimum aantal kao’s en het door de ondernemer verkrijgen van bouwgrond.

8. Op 6 juli 2017 ontvangt eiser een brief van de ondernemer dat alle opschortende voorwaarden van artikel 16 van de kao vervuld zijn en dat daardoor de verbintenissen uit de overeenkomsten van kracht zijn geworden. De brief bevat informatie over de start van de bouwwerkzaamheden en de te verrichten betaling voor de grondkosten en de eerste bouwtermijn.

9. Op 7 augustus 2017 is het appartementsrecht voor de te bouwen woning aan eiser geleverd. In de akte van levering is vermeld dat alle ontbindende voorwaarden van de kao zijn uitgewerkt en dat geen van de partijen zich nog op een ontbindende voorwaarde kan beroepen.

10. Tot het dossier in deze zaak behoren verder de volgende stukken:

a. een ongedateerde offerte van een installatiebedrijf van € 1.119,25;

b. een koopovereenkomst van 13 juli 2017 voor een keuken te leveren in week 48 van 2018 voor in totaal € 31.500 (te betalen: een aanbetaling van
€ 6.300, voor levering € 23.625 en bij montage € 1.575);

c. een offerte van 11 november 2017 van € 11.643 voor badkamermaterialen, te betalen 3 dagen voor levering;

d. een factuur van 7 oktober 2018 van € 11.950 voor stuc- en schilderwerk.

11. In de periode tot 1 januari 2018 heeft eiser van de bankrekening een bedrag van in totaal € 174.558,48 betaald. Het betreft de grondkosten en de eerste bouwtermijn van in totaal € 145.558,48 (betaald aan de notaris) en de tweede bouwtermijn van € 29.000 (betaald aan de aannemer). Er zijn voor de woning en de daarbij komende werkzaamheden in 2017 geen andere betalingen van deze bankrekening gedaan.

12. De woning is in november 2018 aan eiser opgeleverd.

Geschil

13. In geschil is of het bedrag van € 193.973 dat op 1 januari 2018 op de bankrekening stond terecht tot de rendementsgrondslag is gerekend.

13. Eiser stelt primair dat het bedrag van € 193.973 dat op 1 januari 2018 op de bankrekening stond geen bezitting in box 3 vormde, aangezien zowel de oorsprong als het bestedingsdoel van dat bedrag de eigen woning is. Eiser beroept zich daarbij ook op het gelijkheidsbeginsel. Subsidiair stelt eiser dat tegenover de bezitting een even grote schuld stond, vanwege de door eiser aangegane verplichtingen voor de nieuwbouwwoning. Ten slotte beroept eiser zich in dat verband ook op het vertrouwensbeginsel.

15. Verweerder stelt dat het bedrag van € 193.973 terecht tot de rendementsgrondslag is gerekend. Het bedrag stond op de peildatum op de rekening en moet daarom als bezitting gelden. Het objectieve stelsel houdt geen rekening met de afkomst van geldbedragen, noch met hun bestemming. Tegenover dit bedrag kan geen schuld in aanmerking worden genomen, omdat de (voorwaardelijke) verplichtingen voor de woning niet als schuld kunnen worden aangemerkt. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens verweerder niet en er geldt ook geen hardheidsclausulebeleid.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

16. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bestaat de rendementsgrondslag uit de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Het tweede lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat bezittingen zaken of rechten zijn met waarde in het economische verkeer. Het derde lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat schulden verplichtingen met waarde in het economische verkeer zijn.

17. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 is het uitgangspunt af te leiden dat voor de inhoud van de begrippen ‘bezittingen’ en ‘schulden’ kan worden aangesloten bij de jurisprudentie en doctrine die over deze begrippen is ontwikkeld voor de vermogensbelasting1.

18. Voor de vermogensbelasting gold dat de zinsnede ‘met waarde in het economische verkeer’ naar de bedoeling van de wetgever uitdrukking moest geven aan het objectieve karakter van de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen2.

19. Voorwaardelijke schulden zijn onder omstandigheden als schuld aan te merken, met dien verstande dat dan bij de waardering van de schuld de kans op vervulling van de voorwaarde moet worden meegenomen. Wanneer het echter gaat om een verplichting die in de toekomst pas kan ontstaan, zoals als gevolg van nog door een derde uit te voeren werkzaamheden, is nog geen schuld aanwezig3.

Bezitting

20. Eiser stelt primair dat het geldbedrag op de bankrekening geen bezitting vormt, omdat het geld afkomstig is uit de verkoop van de voormalige eigen woning en omdat dit geld bedoeld is om de nieuwe eigen woning mee te betalen. De eigen woning behoort niet tot de bezittingen van de rendementsgrondslag, daarom behoort dit geldbedrag daar ook niet toe, aldus eiser. Verweerder heeft in dit verband betoogd dat het de bedoeling van de wetgever was om geen betekenis toe te kennen aan de herkomst of bestemming van een vermogensbestanddeel, vanwege de eenvoud en doelmatigheid van de vermogensrendementsheffing.

21. Vooropgesteld wordt dat het buiten twijfel is dat een geldbedrag dat op de peildatum op een bankrekening staat als bezitting moet worden aangemerkt, aangezien het bezit van een geldbedrag waarde in het economische verkeer heeft. De wetgever heeft bedoeld het begrip ‘bezittingen’ een objectief karakter te geven (zie onder 18). Met dat objectieve karakter is niet verenigbaar om de herkomst of het bestedingsdoel van een geldbedrag bepalend te laten zijn voor het antwoord op de vraag of het een bezitting is. In de tekst van de wet en in de parlementaire geschiedenis is voor een dergelijke uitleg als door eiser gegeven dan ook onvoldoende steun te vinden.

Gelijkheidsbeginsel

22. Dat eiser het geld niet direct heeft kunnen uitgeven aan een nieuwe eigen woning, komt omdat hij een nieuwbouwwoning heeft gekocht, in plaats van een bestaande woning, aldus eiser. Wanneer dit geldbedrag bij een koper van een nieuwbouwwoning wel tot de bezittingen van de rendementsgrondslag zou worden gerekend, dan levert dit vergeleken met de situatie dat een bestaande woning gekocht zou zijn, een schending van het gelijkheidsbeginsel op. Verweerder stelt dat dit geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert, omdat eiser niet vergelijkbaar is met iemand die een woning in hetzelfde kalenderjaar verkocht en gekocht heeft, maar vergelijkbaar is met iemand die een kalenderjaar later een woning heeft gekocht, waarbij het geld op de peildatum nog op de rekening stond. Verweerder wijst op de toelichting als gegeven bij de behandeling van verzoekschriften door de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer4.

23. De vermogensrendementsheffing maakt op zichzelf geen onderscheid tussen kopers van een nieuwbouwwoning of bestaande woning. Beide groepen kopers, die eerst in een kalenderjaar volgend op een verkoopjaar een nieuwe woning betalen, moeten een tegoed dat op 1 januari van dat volgende jaar op hun bankrekening staat, tot de bezittingen rekenen. Het wettelijke systeem maakt onderscheid tussen wel of niet uitgegeven geld. Dat is in het licht van het doel van de regeling een redelijk onderscheid, omdat het gaat om het in de belastingheffing betrekken van inkomsten uit bezit. Dat de vermogensrendementsheffing er geen rekening mee houdt dat een koper van een direct bewoonbare woning zijn gehele koopsom meteen kan betalen en een koper van een nog te verbouwen of nieuwbouwwoning niet, is geen verschil dat tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van beide groepen leidt. De groep die de koopsom voor een andere woning meteen betaalt, heeft immers ook geen profijt van geld op de rekening. Terwijl de groep kopers die het geld wel in hun bezit heeft gehad, daar ook profijt van kon hebben. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

24. Nu het geldbedrag moet worden aangemerkt als bezitting faalt de primaire stelling van eiser. De rechtbank komt dan toe aan eisers subsidiaire stelling, dat tegenover die bezitting een even grote schuld staat.

Schuld

25. Eiser stelt dat het aangaan van de kao tot verplichtingen voor hem heeft geleid en dat daarom op 1 januari 2018 sprake is van een schuld. Dat dit toen geen voorwaardelijke verplichtingen meer waren, blijkt uit de brief van de aannemer van 6 juli 2017 (zie onder 8), waarin staat dat alle opschortende voorwaarden vervuld waren. Verweerder stelt echter dat geen sprake is van een schuld, omdat het bij de kao gaat om voorwaardelijke verplichtingen, dan wel om nog door een derde te verrichten werkzaamheden. De bouwtermijnen zijn op grond van artikel 5 van de kao (zie onder 6) pas verschuldigd nadat de bouwwerkzaamheden waar die termijn op ziet, zijn voltooid.

26. De rechtbank is van oordeel dat tegenover het geldbedrag dat op de bankrekening van eiser staat, niet een even grote schuld in aanmerking kan worden genomen vanwege de op grond van de kao door eiser aangegane verbintenis tot betaling van de koopsom. De kao kan niet worden gekwalificeerd als een door eiser aangegane verbintenis tot betaling van een geldbedrag onder een bepaalde voorwaarde, maar er is sprake van een overeenkomst met tegenover elkaar staande verbintenissen in de vorm van rechten en verplichtingen. Er zijn verbintenissen in de vorm van verplichtingen tot betaling voor geleverde prestaties, maar daartegenover staat telkens het recht op levering van de daarmee corresponderende prestatie. Bovendien leiden de gemaakte afspraken pas tot een schuld, wanneer de aannemer de tegenover een bouwtermijn staande bouwprestatie heeft geleverd (zie onder 19). Van de kao kan dus niet enkel de betalingskant worden afgezonderd, de prestaties uit de kao hangen immers met elkaar samen. Voor zover eisers stelling erop zou neerkomen dat aan de kao als geheel een negatieve waarde zou moeten worden toegekend, volgt de rechtbank eiser ook in dat betoog niet. In de gedingstukken en het door eiser aangevoerde is daarvoor onvoldoende steun te vinden. Ook de ter zitting door eiser genoemde omstandigheid dat hij een schadevergoeding verschuldigd zou worden indien hij de overeenkomst zou verbreken, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat de kao een negatieve waarde vertegenwoordigde. Het al dan niet verbreken van de overeenkomst had eiser immers zelf in de hand, zodat van die omstandigheid voor eiser geen negatieve waarde uitging. Het is dan ook niet door eiser aannemelijk gemaakt dat hij door het aangaan van de kao (per saldo) een schuld heeft gekregen en ook niet dat aan de kao een negatieve waarde moet worden toegekend. Om dezelfde redenen kan ook geen schuld of negatieve waarde worden toegekend aan de andere overeenkomsten voor werkzaamheden aan de woning die eiser is aangegaan (zie onder 10).

Vertrouwensbeginsel

27. Eiser beroept zich op het vertrouwensbeginsel, met het betoog dat telefonisch door de Belastingdienst aan hem is toegezegd dat sprake is van een schuld ter grootte van de aankoopprijs van de woning (zie eisers reactie op het hoorverslag onder 4). Verweerder ontkent dat aan eiser een dergelijke toezegging is gedaan. Weliswaar kan dit niet worden nagevraagd bij de heer [B] , omdat hij niet meer werkzaam is bij de Belastingdienst, maar er is niets dat erop wijst dat aan eiser een dergelijke toezegging is gedaan. Integendeel is tegen eiser herhaaldelijk gezegd dat sprake is van een bezitting en dat geen sprake is van een als schuld in aanmerking te nemen verplichting, zo blijkt uit de stukken in het dossier, aldus verweerder.

28. De rechtbank acht niet aannemelijk dat aan eiser, zoals hij stelt in een telefoongesprek van 15 oktober 2019, een toezegging is gedaan over het kunnen opvoeren van een schuld voor de vermogensrendementsheffing. Uit het verslag van het hoorgesprek van 14 oktober 2019 blijkt dat over het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule is gesproken en niet over schulden, zodat het niet voor de hand ligt dat eiser daarna over een schuld zou zijn gebeld. Verder heeft eiser weliswaar op 17 oktober 2019 in zijn reactie op het verslag van dat hoorgesprek geschreven dat aan hem een toezegging is gedaan (zie onder 4), maar in het mailbericht dat eiser op 16 oktober 2019 aan het einde van de middag stuurde schreef hij nog dat hij door het hoorgesprek en na eigen onderzoek tot de conclusie was gekomen dat sprake was van een schuld (zie onder 5). Dat in dat mailbericht van een conclusie uit eigen onderzoek wordt gesproken en niet is gerefereerd aan een toezegging, draagt bij aan de aannemelijkheid dat aan eiser niet de door hem gestelde toezegging is gedaan. Ter zitting heeft eiser voor deze discrepantie geen verklaring kunnen geven.

29. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt.

Slotsom

30. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

31. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 12 november 2020 gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, A, blz. 84 en 85.

2 Kamerstukken II 1958/59, 5380, nr. 5, blz. 7.

3 Zie onder andere Vakstudie Wet op de vermogensbelasting 1964, art. 4 Wet VB 1964, aant.19 en 89; en mr. A.J.M. Arends, Cursus Belastingrecht IB 5.1.5.H.b en e.

4 TK 2002-2003, nr. 28 619, nrs. 9, 18 en 28.