Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:9988

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
C/15/287873 / FA RK 19-2398
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Ontvankelijkheid op grond van artikel 8 EVRM (family life/private life).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2020/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/287873 / FA RK 19-2398

Beschikking van 4 december 2019 betreffende omgangsregeling en informatieregeling

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. de Haan, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.M. van Eeten, kantoorhoudende te Den Helder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vader, ingekomen op 23 april 2019;

- het stuk van de vader, ingekomen op 8 juli 2019;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, van de moeder, ingekomen op 31 oktober 2019.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 november 2019 in aanwezigheid van de vader bijgestaan door mr. J. de Haan en de moeder bijgestaan door mr. M.M. van Eeten. Voorts is verschenen [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Uit deze relatie is geboren de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .

De vader heeft de minderjarige niet erkend. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over de minderjarige.

3 Het verzoek

3.1.

De vader heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: een omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarige bij hem verblijft:

a. een middag per veertien dagen op een zaterdag of zondag van 12.00 uur tot 16.00 uur;

b. met uitbreiding naar 12.00 uur tot 17.00 uur na drie maanden;

c. nader uit te breiden naar een dag per week van 10.00 uur tot 17.00 uur na zes maanden;

d. uit te breiden naar een heel weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur na negen maanden,

althans een door de rechtbank vast te stellen omgangsregeling;

- primair en subsidiair: te bepalen dat de moeder de vader tenminste één maal per half jaar informeert over het wel en wee van de minderjarige, tevens voorzien van een foto van de minderjarige.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1.

De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel die verzoeken af te wijzen.

De moeder heeft van haar kant verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vader het recht op omgang te ontzeggen.

5 Visie van de Raad

5.1

De Raad heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder moet beseffen dat het voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige belangrijk is dat hij weet wie zijn vader is. De moeder zal de minderjarige dan ook statusvoorlichting moeten geven. De vader en zijn familie worden nu buiten het leven van de minderjarige gehouden. Contact tussen de vader en de minderjarige is belangrijk, mits dit op een veilige manier gebeurt. De moeder zal daarvoor de ruimte moeten geven. Het is daarbij belangrijk dat de vader zich aan de afspraken houdt. De Raad biedt aan onderzoek te doen naar de omgang. In het kader van een eventueel Raadsonderzoek kan aan de orde komen dat partijen hulp zullen moeten zoeken ter verbetering van hun onderlinge communicatie bij het Centrum Jeugd en Gezin (CJG)/wijkteam. De moeder dient, als gezaghebbende ouder, zorg te dragen voor aanmelding bij het CJG/wijkteam. Het zou goed zijn als de moeder die aanmelding zo spoedig mogelijk doet.

De beslissing over de ontvankelijkheid wordt aan de rechtbank overgelaten.

6 De beoordeling

omgangsregeling

ontvankelijkheid

6.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of er tussen de vader en de minderjarige sprake is van “family life” dan wel of er aan de zijde van de vader sprake is van “private life”.

De vader heeft in dat kader in het inleidende verzoekschrift het volgende aangevoerd. Hij heeft de minderjarige niet erkend, omdat de relatie al over was ten tijde van de geboorte. Na de geboorte van de minderjarige was er wel weer contact, maar er is verder niet meer stilgestaan bij erkenning. Onbetwist staat vast dat de vader de biologische vader is. Er is sprake (geweest) van family life dan wel private life. Tijdens de zwangerschap hadden partijen onmiskenbaar een relatie. De zwangerschap was weliswaar niet gepland, maar dat doet niets af aan de bestaande verhoudingen. De vader was en is bereid zijn verantwoordelijkheid voor de minderjarige te nemen, ook in financieel opzicht. Gedurende de eerste paar maanden van het leven van de minderjarige maakte de vader deel uit van het leven van de moeder en de minderjarige, omdat de moeder hem daarvoor de ruimte gaf. Dit veranderde echter wegens (weer) opspelende verslavingsproblemen (cocaïne). De vader heeft zich daarvoor succesvol laten behandelen in Zuid-Afrika. Hij leidt momenteel een steady bestaan. Hij is bezig met de exploitatie van een snackbar en verwacht daar een goed inkomen uit te halen. Ook heeft hij een goede band met zijn ouders, die hem steunen. De moeder heeft niet gereageerd op verzoeken om contact.

Ter zitting heeft de vader nog het volgende naar voren gebracht. Zonder een inhoudelijk oordeel over een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling zal er sprake zijn van een inbreuk op het family life. Hierbij verwijst de vader naar de uitspraak van deze rechtbank van 13 juni 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:4973). Partijen hadden een voornemen om tot erkenning te komen. Ook waren er plannen om samen een kind te krijgen. Vóór de geboorte van de minderjarige hebben partijen enige tijd samengewoond. Na de geboorte van de minderjarige heeft de vader bijna dagelijks contact gehad met de minderjarige in het huis van de moeder. Ook overnachtte hij daar. Zowel vóór als na de geboorte van de minderjarige heeft de vader bijgedragen in de kosten van de minderjarige. Van 8 november 2017 tot 8 maart 2018 heeft de vader € 100,-- per week overgemaakt. De moeder heeft toen gelden teruggestort. De vader heeft, evenals zijn vader, steeds aangedrongen op contact. Dat is niet gelukt. De vader heeft dus gepoogd om in het leven van de minderjarige een rol te spelen. De vader heeft ook spullen voor de minderjarige gekocht. Hij leidt nu een stabiel leven. Hij heeft een vriendin en hij heeft goed contact met zijn ouders. De minderjarige moet ook opgroeien met een vaderfiguur. Hoewel de vader door de moeder zou worden betrokken bij de geboorteaangifte en het geven van een naam aan de minderjarige, heeft de moeder, buiten medeweten van de vader, de minderjarige een naam gegeven en de zus van de moeder heeft aangifte gedaan van de geboorte. De vader stelt dat hij vader is en zich ook zo voelt en dat omgang voor hem belangrijk is als onderdeel van zijn private life.

6.2.

De moeder heeft in het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek het volgende gesteld. Partijen hebben ongeveer zes maanden een affectieve relatie met elkaar gehad, waarbij zij niet hebben samengewoond. Toen de moeder vier à vijf maanden zwanger was, zijn partijen uit elkaar gegaan. Tot het einde van de zwangerschap heeft moeder niets meer van de vader gehoord. Sinds de minderjarige ongeveer drie maanden oud is hebben partijen geen enkel contact meer met elkaar. Er heeft bewust geen erkenning door de vader plaatsgevonden, omdat de vader nooit betrokken is geweest. De vader heeft een cocaïneverslaving. Toen de moeder net bevallen was van de minderjarige heeft zij de vader daarvan op de hoogte gesteld. De vader is toen twee à drie keer langs geweest, maar hij verviel al snel weer in zijn kenmerkende gedrag in die zin dat de vader ruzie zocht met de moeder en zo gefocust was op de strijd met de moeder dat hij de minderjarige uit het oog verloor. Tijdens één van deze bezoeken eiste de vader dat hij de minderjarige zou mogen erkennen en dat de minderjarige ook zijn achternaam zou dragen. De moeder wilde echter eerst zien dat de vader stabiel zou kunnen blijven. Hierna zijn de bezoeken door toedoen van de vader gestopt. Tijdens de zwangerschap is de vader naar Zuid-Afrika gegaan voor behandeling van zijn drugsverslaving, hetgeen niet heeft geholpen. De vader vervalt steeds weer in zijn oude gedrag, hetgeen de moeder herkent door agressief gedrag van de vader en doordat hij met regelmaat “van de aardbodem verdwijnt”. Hij is dan volledig onbereikbaar. Nadat de bezoeken van de vader waren gestopt heeft hij de moeder nog lastiggevallen en bedreigingen geuit. Toen de minderjarige ongeveer een week oud was is de vader de moeder in het bijzijn van de minderjarige aangevlogen. Daarna heeft de vader zich enige tijd teruggetrokken. Toen de minderjarige ongeveer drie maanden oud was, heeft de vader door bemiddeling van de eerdere ex-partner van de moeder de mogelijkheid gekregen om de minderjarige in het huis van de ex-partner van de moeder te komen bezoeken. De vader is twee à drie keer komen opdagen en heeft het daarna weer voor gezien gehouden. Sindsdien is van de vader niets meer vernomen. De minderjarige vormt met de moeder en zijn oudere halfzus een gezin. Het gaat goed met de minderjarige en hij gaat mee in de omgang tussen zijn halfzus en haar vader. De vader zou pas weer gedetineerd zijn geweest. De exploitatie van de snackbar heeft tot niets geleid, omdat de vader niet over de vereiste vergunning(en) zou beschikken. De vader is de biologische vader van de minderjarige, maar zonder dat de vader bijkomende omstandigheden heeft gesteld, is dit onvoldoende om family life aan te nemen. Er is nooit sprake geweest van een voorgenomen gezinsleven en na de geboorte is er nimmer een band tussen de minderjarige en de vader ontstaan. De vader heeft geen verzoek tot vervangende toestemming erkenning ingediend. Er is derhalve geen sprake van family life en evenmin van voorgenomen family life (intended family life). Hoewel de moeder de vader daartoe de ruimte heeft geboden, is het de vader die zich heeft teruggetrokken en een onstabiel leven leidt. Er is onvoldoende gebleken van een serieuze en aantoonbare interesse van de vader voor betrokkenheid bij de minderjarige.

Met betrekking tot de omgangsregeling is er sprake van één van de ontzeggingsgronden. Omgang levert ernstig nadeel op voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige dan wel is de vader ongeschikt of kennelijk niet in staat tot omgang dan wel is omgang anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Ook betekent omgang een ernstige verstoring van het huidige bestendige gezinsleven van de minderjarige. De vader is voor hem een onbekende. Het is van groot belang dat er geen onrust wordt veroorzaakt. De moeder wenst de minderjarige te behoeden voor nieuwe teleurstellingen. De moeder kent de thuissituatie van de vader niet en omdat de minderjarige nooit bij de vader heeft verbleven is de verzochte omgangsregeling dan ook veel te snel van opbouw. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader.

Ter zitting heeft de moeder nog het volgende meegedeeld. De vader wilde samenwonen, maar dat is niet uitgebreid besproken. De moeder denkt dat de vader wel betrokken wilde worden bij het leven van de minderjarige. De vader moet blij zijn dat hem een kans is geboden, maar daarmee is de moeder gestopt, omdat de vader door het lint ging toen de moeder zei dat het een keer niet uit kwam. Er is sprake geweest van zeer summier en zeer onregelmatig contact tussen de vader en de minderjarige. Dit is echter volstrekt onvoldoende om family life of private life aan te nemen. Aanvankelijk heeft de moeder het door de vader van de vader betaalde geld geaccepteerd, omdat ze financieel krap zat. Toen de vader zei dat hij, omdat voor de minderjarige werd betaald, recht had op omgang, heeft de moeder het geld teruggestort. Nadien heeft de vader ook zelf geld betaald, maar ook dat heeft de moeder teruggestort. De moeder heeft geen spullen van de vader gekregen.

6.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat, tenzij sprake is van één van de limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Uit het bepaalde in artikel 8 EVRM volgt dat ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven en familie- en gezinsleven (“private and family life”), en dat inmenging daarin van enig openbaar gezag slechts is toegestaan voor zover dat bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.

6.4.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De vader had de intentie om te komen tot samenwoning met de moeder. De relatie was vóór de geboorte van de minderjarige reeds verbroken. Niet in geschil is dat de vader de biologische vader is van de minderjarige. De vader is niet mee geweest naar de verloskundige en hij is niet aanwezig geweest bij de bevalling. Kort na de bevalling (toen de moeder nog in het ziekenhuis lag) heeft de moeder de vader in kennis gesteld van de geboorte van de minderjarige. Tussen partijen is niet in geschil dat er in de eerste maanden na de geboorte van de minderjarige sprake is geweest van een zekere regelmaat in de contacten tussen de vader en de minderjarige. Partijen verschillen van mening over de vraag wie verantwoordelijk is voor het nadien verbreken van die contacten.

6.5.

Gezien de aard van de relatie tussen partijen, de korte duur van de relatie en de verklaringen van de moeder gaat de rechtbank ervan uit dat geen sprake was van een gezamenlijk voorgenomen gezinsleven. Gelet echter op de tussen partijen niet in geschil zijnde feitelijk plaatsgevonden hebbende contacten tussen de vader en de minderjarige, welke duiden op de intentie van de vader om betrokken te willen worden/zijn bij de minderjarige, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van “family life” in de zin van een werkelijke uitoefening door de vader van nauwe persoonlijke betrekkingen met de minderjarige, althans dat bij de vader de bedoeling of wens bestond tot het vestigen van dergelijke betrekkingen. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van family life, kan het private life zonder verdere bespreking blijven.

De beslissing om een biologische vader op voorhand te weigeren contact te hebben met zijn kind en hem derhalve zonder inhoudelijke belangenafweging niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, zou een schending van zijn recht op family life inhouden. Ter beantwoording van de vraag of inmenging in het family life van de vader noodzakelijk is in een democratische samenleving, dient een inhoudelijke belangenafweging te worden gemaakt waarin alle betrokken belangen, waaronder het belang van het kind als voornaamste, dienen te worden meegewogen.

De stelling van de moeder dat door de houding van de vader in het verleden, waarin drugs een grote rol speelden, de veiligheid van de minderjarige niet kan worden gewaarborgd als hij daarin betrokken wordt, vraagt om een inhoudelijke belangenafweging en is voor de ontvankelijkheidsvraag niet van belang. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang.

6.6.

Voor beantwoording van de vraag of een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige dient te worden vastgesteld en zo ja, welke, dan wel dat de vader het recht op omgang moet worden ontzegd, acht de rechtbank zich op grond van hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, onvoldoende voorgelicht. De rechtbank ziet aanleiding de stukken in handen te stellen van de Raad. De Raad wordt verzocht een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren omtrent de onder 7.3 geformuleerde vragen. De zaak wordt aangehouden zoals hieronder is bepaald.

6.7.

Met partijen is ter zitting besproken hoe partijen verder moeten. De Raad heeft aangegeven dat het in het belang van de minderjarige is dat partijen hulp krijgen bij verbetering van hun onderlinge communicatie. Hoewel de moeder zich op het standpunt stelt dat zij liever geen contact met de vader wil, gaat de rechtbank ervan uit, gelijk de Raad heeft aangegeven, dat de moeder zal zorgdragen voor aanmelding van partijen bij het CJG/wijkteam voor deelname aan het traject Ouderschap Blijft, dan wel een vergelijkbaar traject, zulks ter verbetering van de onderlinge communicatie tussen partijen.

informatieregeling

6.8.

De rechtbank overweegt als volgt. Hierboven is vastgesteld dat er sprake is van family life tussen de vader en de minderjarige. Daarmee is de vader ook ontvankelijk in het verzoek over de informatieregeling. De moeder heeft zich ter zitting niet langer verzet tegen het verzoek de vader. Daarbij heeft de moeder wel als voorwaarde gesteld dat de vader geen foto’s van de minderjarige op social media zal (laten) plaatsen.

6.9.

Hoewel de vader de minderjarige niet heeft erkend zal de rechtbank dit verzoek als op de wet gegrond toewijzen. In de rechtspraak is immers erkend dat het recht op informatie niet alleen toekomt aan de niet gezaghebbende ouder, maar ook aan de biologische vader ingeval van family life (HR 17 december 1993, NJ 1994,360). Niet gebleken is dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader geen foto’s van de minderjarige op social media zal (laten) plaatsen.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de moeder de vader één maal per half jaar informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,

en daarbij een recente foto van de minderjarige aan de vader zal verstrekken;

7.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

stelt de stukken in handen van de Raad voor onderzoek en advies over de vraag of het belang van de minderjarige zich tegen een omgangsregeling verzet en zo dit niet het geval is, met welke regeling de minderjarige het beste af is.

Indien door de Raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht, wordt verzocht te adviseren wie aan die begeleiding uitvoering zal kunnen geven, voor welke periode, met welke frequentie en op welke locatie;

7.4.

houdt de zaak over de omgangsregeling PRO FORMA aan tot 18 maart 2020, in afwachting van rapport en advies van de Raad, alsmede in afwachting van berichten van (de advocaten van) partijen over het resultaat van het hierboven onder 6.7 vermelde traject.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A.J.C. de Haas, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.