Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:9861

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1408
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inschrijftijdverlenging, hardheidsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1408

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, verweerder

(gemachtigden: mr.drs. M.R. Staller en mr. C. Schol).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om inschrijftijdverlenging, als bedoeld in artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond (hierna: de verordening), afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Eiser is persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig mevrouw [naam] als tolk.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser staat sinds mei 2017 ingeschreven als woningzoekende bij Woonservice Kennemerland. Eiser woont na de breuk met zijn ex-partner sinds juli 2017 bij zijn ouders in Heemstede. De kinderen van eiser wonen bij hun moeder. Eiser heeft met zijn ex-echtgenote een bezoekregeling getroffen, waarin is afgesproken dat de kinderen om het weekend bij eiser verblijven. Omdat het appartement van zijn ouders echter te klein is, kunnen de kinderen van eiser daar niet terecht. Ook heeft eiser steeds vaker ruzie met zijn ouders. Eiser heeft verweerder daarom gevraagd om inschrijftijdverlenging. Dit is een vorm van urgentie waardoor eiser eerder voor zelfstandige woonruimte in aanmerking zou moeten komen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan (één van) de cumulatieve voorwaarden van artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de verordening. Eiser heeft namelijk geen inwonend kind onder de achttien jaar. Verweerder ziet in de aangevoerde omstandigheden verder geen reden om de hardheidsclausule van artikel 22 van de verordening toe te passen. Dit standpunt heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat het primaire besluit weliswaar onbevoegd is genomen, maar dat dit gebrek in bezwaar is hersteld. Bovendien is niet gebleken dat eiser is benadeeld door het gebrek. Verweerder ziet daarom geen aanleiding de proceskosten in bezwaar te vergoeden.

3. Eiser is het niet eens met de besluitvorming van verweerder. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Eiser zit namelijk vast in een vicieuze cirkel. Zonder eigen woning kan eiser zijn kinderen niet bij zich hebben en zonder inwonende kinderen kan hij geen eigen woning krijgen. Door deze situatie kan eiser in strijd met het ouderschapsplan dat hij met zijn ex-partner heeft opgesteld ook geen band met zijn kinderen opbouwen. Eiser vindt dit in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Daarnaast heeft eiser steeds vaker ruzie met zijn ouders, omdat zij in het kleine appartement op elkaars lip zitten. Bovendien is de uitkering van de ouders van eiser nu gekort, omdat eiser bij hen inwoont. De vader van eiser wil hem daarom uit huis hebben. Ter onderbouwing van de heikele thuissituatie bij zijn ouders heeft eiser verklaringen overgelegd van zijn vader, twee vrienden en van zijn taalcoach. Eiser vindt verder dat verweerder zijn belangen onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken en acht het besluit daarom tevens in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Tenslotte stelt eiser dat verweerder wel degelijk gehouden is de proceskosten in bezwaar te vergoeden nu het primaire besluit onbevoegd is genomen. Dat verweerder het bevoegdheidsgebrek in bezwaar heeft hersteld, maakt dit volgens eiser niet anders.

4. Ingevolge artikel 9, lid 13, van de verordening kan het college in de gemeenten in Zuid-Kennemerland een inschrijftijdverlenging verlenen aan woningzoekenden met kinderen die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in het tweede lid hebben gedaan, maar daarvoor niet in aanmerking komen, en al eerder zelfstandig hebben gewoond. Met dien verstande dat de inschrijftijdverlenging leidt tot de meest sobere oplossing voor de woonsituatie, waarbij geen recht op een eengezinswoning wordt verkregen. Deze verlenging van de inschrijftijd is maximaal één jaar geldig.

Volgens artikel 9, lid 14, van de verordening moet, om in aanmerking te komen voor de in het dertiende lid genoemde urgentiecategorie, worden voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

a. het betreft een inwonend huishouden met kinderen onder de 18 jaar en de inwoonsituatie is problematisch;

b. […]; en

c. […].

Uit artikel 22 van de verordening volgt dat het college bevoegd is om in gevallen waarin de toepassing van de verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij niet voldoet aan de in artikel 9, lid 14, van de verordening neergelegde voorwaarde van een minderjarig inwonend kind. In geschil is de vraag of verweerder in de aangevoerde bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiervan in redelijkheid af kunnen zien. Weliswaar is de situatie van eiser geen gemakkelijke, maar verweerder heeft in redelijkheid kunnen overwegen dat de situatie van eiser niet verschilt van die van vele andere gescheiden ouders met jonge kinderen. Daarbij heeft verweerder het verder van belang kunnen vinden dat de kinderen van eiser bij hun moeder wonen, dat eiser onderdak heeft bij zijn ouders en dat ook niet is gebleken dat eiser niet zelfstandig aan andere woonruimte kan komen op het moment dat zijn thuissituatie onhoudbaar wordt. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het besluit ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel. De stelling van eiser ter zitting dat verweerder de achtergrondsituatie van eiser – eiser is een Syrische vluchteling met een zeer beperkt netwerk in Nederland – onvoldoende bij zijn besluitvorming heeft betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat alle relevante aspecten, waaronder de achtergrondsituatie van eiser, zijn betrokken bij de vraag of de hardheidsclausule moest worden toegepast. Zoals verweerder echter aangaf, is ook de achtergrondsituatie van eiser, op zichzelf genomen noch in onderlinge samenhang bezien met de overige aangevoerde omstandigheden, niet zodanig bijzonder dat afwijking van de regels gerechtvaardigd is. Er zijn namelijk meer vluchtelingen met een asielstatus die in dezelfde situatie verkeren als eiser.

5.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit wel degelijk voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van eiser. Het gewicht van die belangen is evenwel ontoereikend om een inschrijftijdverlenging af te dwingen, omdat de kinderen bij hun moeder, naar mag worden aangenomen, adequaat gehuisvest zijn en de relevante belangen daarmee afdoende zijn gediend. Het beroep van eiser op artikel 3 van het IVRK leidt daarom niet tot een ander oordeel over het niet verlenen van de gewenste inschrijftijdverlenging.

6. Over de gevraagde kostenvergoeding in bezwaar overweegt de rechtbank tot slot als volgt. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044) is van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb alleen sprake indien het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In dit geval is daarvan geen sprake. Immers, dat verweerder in het bestreden besluit het bevoegdheidsgebrek dat aan het primaire besluit kleefde heeft hersteld, is geen herroeping in de hiervoor bedoelde zin. Voor een veroordeling in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, is dan ook geen plaats.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.