Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:9859

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 379
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo, BOR, dakkapel, dakopbouw, gelijkheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/379

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan, verweerder

(gemachtigden: M. Cornelisse, C.S. Schipper en L.C.H. Geertje).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] , te [woonplaats] , gemachtigde: mr. X. Wentink.

Procesverloop

Bij besluit van 18 decmber 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is niemand verschenen.

Overwegingen

1. Onderhavige procedure betreft het tweede besluit, na herroeping van het eerste besluit van 30 september 2011, op de aanvraag van eiser van 1 april 2011 om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakkapel en een dakopbouw op zijn woning op het perceel [perceel] . Uit het bouwplan blijkt dat dit bedoeld is voor de vergroting van het woongenot. De totale bruto inhoud van de woning wordt met dit bouwplan vergroot van 620 naar circa 934 kubieke meter. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 30 september 2011 afgewezen omdat het bouwplan in strijd was het toen geldende bestemmingsplan, in de voorschriften van dit bestemmingsplan geen ontheffingsmogelijkheden waren opgenomen en het plan ook niet paste in artikel 4 van de bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Hierdoor kon de gevraagde omgevingsvergunning slechts verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Omdat verweerder destijds al bezig was met de voorbereiding van het thans geldende, gewijzigde bestemmingsplan “Buitengebied”, heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd. Verweerder kon namelijk nog niet aangeven of het bouwplan al dan niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. In haar uitspraak van 5 juni 2012, met kenmerk AWB 11/6499, heeft deze rechtbank het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard en deze teruggezonden aan verweerder als bezwaarschrift. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer geconcludeerd dat verweerder ten onrechte niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had gevolgd. Eiser noch verweerder heeft een rechtsmiddel aangewend tegen deze uitspraak en deze staat thans in rechte vast. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder het eerdere besluit van 30 september 2011 herroepen en op 18 december 2018 het thans bestreden besluit genomen conform afdeling 3.4 van de Awb en artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag aangemerkt als een aanvraag voor een project dat bestaat uit de activiteit bouwen en de activiteit gebruik van

gronden of bouwwerken in strijd met het nu geldende bestemmingsplan “Buitengebied”. Uit het bestemmingsplan blijkt dat het perceel van eiser de bestemming “wonen” heeft, en volgens artikel 17.2.2, onder 2, van het bestemmingsplan mag de inhoud van een woning maximaal 600 kubieke meter bedragen. Dit maximum wordt met het bouwplan ruimschoots overschreden. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat deze afwijking van het bestemmingsplan niet valt onder de reikwijdte van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 1 en 2, van de Wabo en de omgevingsvergunning evenmin verleend kan worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wabo. Hiervoor dient in dient geval namelijk op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor door de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen te worden afgegeven. De gemeenteraad van Oostzaan heeft dit op 11 december 2017 echter geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid voor het buitengebied van Oostzaan en de gemeenteraad vreest dat het toestaan van een grotere woning precedentwerking zal hebben.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hiertoe voert eiser ten eerste aan dat verweerder heeft getoetst aan het verkeerde bestemmingsplan. Verweerder had de aanvraag moeten toetsen aan het bestemmingplan “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak”, welke gold ten tijde van de indiening van de aanvraag. Volgens eiser voldeed zijn aanvraag, in ieder geval met betrekking tot de maximaal gestelde inhoud van zijn woning, wel aan de regels van het oude bestemmingsplan. Er is verder ook niet gebleken dat ten tijde van de indiening van de aanvraag een voorbereidingsbesluit voor een nieuwe bestemmingsplan van kracht was. Er wordt in deze zaak dus voldaan aan de uitzondering op ex nunc toetsing. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:201400608/1/A1, en van 28 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU9458.

Eiser stelt zich ten tweede op het standpunt dat de aanvraag bouwwerken betreft die

vergunningsvrij zijn dan wel planologische kruimelgevallen betreffen zoals bedoeld in

artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2° van de Wabo en artikel 4 onder 4 van bijlage II van

het Bor. Eiser meent dan ook dat verweerder de reguliere procedure had moeten voeren, met als mogelijk gevolg dat nu geconstateerd moet worden dat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend.

Ten derde stelt eiser dat het bouwplan niet in strijd is met het gemeentelijke beleid met betrekking tot de buitengebieden. De bouw van het dakkapel en de dakopbouw vindt plaats binnen het huidige bouwvlak aan de achterkant van de woning. Er is dus geen sprake van vergroting van het oppervlak. De bouw van het dakkapel leidt ook niet tot een wezenlijke vergroting van de bruto inhoud. Daarnaast wordt de bodem niet geroerd en het aangezicht van het lint verandert evenmin.

Tot slot beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel. Eiser voert daartoe aan dat het naastgelegen pand op nummer [#] een bruto inhoud heeft van 972 kubieke meter (hoofdgebouw), verleend bij vergunning op 2 juli 2001 middels vrijstelling van het toen geldende bestemmingsplan. Daarnaast heeft de schuur, die ook als woning wordt gebruikt, ook nog eens een bruto inhoud van 564 kubieke meter. Er is dus sprake van een ongelijke behandeling.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat deze rechtbank zich in haar uitspraak van 5 juni 2012 al heeft uitgelaten over de vraag of de aanvraag van eiser voldeed aan de regels van het toen geldende bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak”. De rechtbank heeft in deze uitspraak geconcludeerd dat dat niet het geval was en daarnaast geconstateerd dat dit ook geen onderwerp van geschil was tussen partijen (rechtsoverweging 2.6). Deze uitspraak staat in rechte vast. Reeds gelet hierop treft de stelling van eiser dat verweerder zijn bouwplan aan het verkeerde bestemmingsplan heeft getoetst geen doel. Immers, zoals eiser zelf al heeft aangegeven in zijn beroepsgronden, dient zijn bouwplan voor een geslaagd beroep op de uitzonderingsregel op de ex nunc toetsing wel aan de voorwaarden van het oude bestemmingsplan te voldoen. Van een dergelijke situatie is dus, onbetwist, geen sprake.

5.2.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat de rechtbank zich in haar eerdere uitspraak ook over de vraag of de aanvraag van eiser valt te scharen onder de gevallen genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor (de zogenoemde kruimelgevallenregeling), al heeft uitgelaten. De rechtbank heeft in haar uitspraak hierover geconcludeerd dat de aanvraag van eiser hier niet onder valt en dat in dit geval voor de beoogde activiteiten slechts een omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder 3°, van de Wabo. Hierop is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat het bouwplan van eiser en de toepasselijk wetgeving sinds deze uitspraak ongewijzigd zijn gebleven, treft ook de stelling van eiser dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is geen doel. Er kan daarom ook geen sprake zijn van een van rechtswege vergunde omgevingsvergunning.

5.3.

Met betrekking tot de stelling van eiser dat zijn aanvraag niet in strijd is met het beleid van de gemeente ten aanzien tot de buitengebieden, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1376, behoort de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan tot de bevoegdheid van het college. Hierbij heeft het college beleidsruimte en de rechter moet de beslissing daarom terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit om geen omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

5.3.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen omgevingsvergunning te verstrekken wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat er veel waarde toekomt aan behoud en versterking van het dorpse woonmilieu, waarbij de doorgezichten naar de veenweidegebieden vanuit de bebouwingslinten een belangrijke rol spelen. Ook de vrees voor precedentwerking heeft verweerder mee mogen wegen bij zijn beslissing. Als eiser meer mag bebouwen op zijn perceel dan volgens het bestemmingsplan is toegestaan, zullen anderen dit mogelijk ook willen. Eiser heeft tegenover deze belangen van verweerder ook geen zwaarwegende belangen gesteld, anders dan vergroting van zijn woongenot. Eiser heeft evenmin aangetoond waarom een grotere woning noodzakelijk is.

5.4.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel evenmin kan slagen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie gelijk is aan die van het naastgelegen perceel op [#] . Zo heeft verweerder erop gewezen dat het perceel van eiser significant kleiner is (539.83 m² tegenover 837.55 m²) dan het naastgelegen perceel nummer [#] . Aangezien in het huidige bestemmingsplan is bepaald dat maximaal 60% mag worden bebouwd, is alleen op dit punt al sprake van een zodanig essentieel verschil waardoor van gelijke gevallen geen sprake kan zijn.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.