Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:9758

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
7927223 AO VERZ 19-49
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontbinding op verzoek van de werkgever vanwege een bedrijfseconomische grond. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, zodat geen billijke vergoeding aan de werknemer wordt toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./repnr.: 7927223 \ AO VERZ 19-49

Uitspraakdatum: 15 november 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Segezha Packaging B.V.

gevestigd te Zwaag

verzoekende partij

verder te noemen: Segezha

gemachtigde: mr. M.J. van Herwerden

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. E.J.M. Brocatus

1 Het procesverloop

1.1.

Segezha heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 25 oktober 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Segezha en [verweerder] hebben ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting heeft Segezha bij brieven van 3 september 2019 en 25 oktober 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Segezha is een onderneming die zich bezighoudt met het produceren van papieren zakken voor industrieel gebruik. Segezha maakt deel uit van een concern, de Segezha Packaging Group, dat vestigingen heeft in Europa, Turkije en Rusland. Segezha Packaging Group maakt weer deel uit van de Segezha Group, een Russische multinational in bosbouw industrie.

2.2.

[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1964, is sinds 1 januari 2006 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Segezha. De functie van [verweerder] is Regional Sales Officer met een salaris van
€ 9.674,64 bruto per maand.

2.3.

Op 6 februari 2019 heeft Segezha bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen.

2.4.

Met een brief van 15 februari 2019 heeft Segezha [verweerder] op zijn verzoek op non-actief gesteld met ingang van 18 februari 2019.

2.5.

In een beslissing van 27 mei 2019 heeft het Uwv de door Segezha gevraagde toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen, geweigerd. Daarbij is overwogen dat Segezha op zichzelf wel voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische redenen waardoor het noodzakelijk is dat de twee arbeidsplaatsen in de functie Regional Sales Officer, waaronder de arbeidsplaats van [verweerder] , structureel komen te vervallen. De toestemming is geweigerd, omdat het Uwv oordeelde dat Segezha niet aannemelijk had gemaakt dat herplaatsing niet mogelijk was, met name omdat een gesprek met [verweerder] over herplaatsing achterwege was gebleven.

2.6.

Op 19 juni 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden over de herplaatsing van [verweerder] , waarbij onder andere aanwezig waren [verweerder] en [naam] , Chief Legal Officer van Segezha.

2.7.

In een brief van 5 juli 2019 heeft Segezha aan [verweerder] meegedeeld dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, omdat er geen voor [verweerder] passende functies beschikbaar zijn of beschikbaar komen bij Segezha en binnen het concern waartoe Segezha behoort.

3 Het verzoek

3.1.

Segezha verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege – kort gezegd – een bedrijfseconomische reden. Daartoe heeft Segezha gesteld dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen en dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn. Voor het geval de gestelde bedrijfseconomische reden niet tot ontbinding zou kunnen leiden, verzoekt Segezha ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding of andere omstandigheden.

3.2.

Segezha heeft opgemerkt dat [verweerder] in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2019 aanspraak heeft op een transitievergoeding van
€ 89.509,12 bruto.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daarvoor is – samengevat – gesteld dat Segezha een oneigenlijke ontslaggrond heeft aangevoerd, dat het zogenoemde afspiegelingsbeginsel niet is nageleefd, en dat Segezha niet heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting. Verder betwist [verweerder] dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is vanwege een verstoorde arbeidsverhouding of andere omstandigheden.

4.2.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om Segezha te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 89.509,12 bruto en een billijke vergoeding van € 60.000,00 bruto, en om voor recht te verklaren dat Segezha geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen geldende concurrentiebeding. Wat betreft het verzoek ten aanzien van de billijke vergoeding en het concurrentiebeding stelt [verweerder] dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Segezha.

5 De beoordeling

het verzoek van Segezha

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

5.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er een redelijke grond voor ontbinding, namelijk het vervallen van de arbeidsplaats van [verweerder] als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW). Daarover wordt het volgende overwogen.

5.4.

De kantonrechter stelt op grond van de stukken vast dat Segezha de twee arbeidsplaatsen in de functie Regional Sales Officer in haar onderneming heeft laten vervallen, waaronder dus de functie van [verweerder] . De reden daarvoor is dat Segezha uit een oogpunt van efficiency, en om het concern ‘toekomstproof’ te maken, ervoor heeft gekozen om de contract- en prijsonderhandelingen met (potentiële) klanten bij de Chief Sales Officer neer te leggen, en de overige contacten met lokale klanten bij de Area Sales Manager. Daardoor is de coördinerende rol van de beide Regional Sales Officers niet meer nodig en komen die functies te vervallen. Gelet daarop is sprake van het vervallen van de arbeidsplaats en functie van [verweerder] als gevolg van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering, en daarmee van een redelijke, bedrijfseconomische grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat aan Segezha ruimte moet worden gegeven om dergelijke beslissingen te kunnen nemen en dat zij haar onderneming zo moet kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 43, en de Nota van toelichting bij de Ontslagregeling, pag. 10, Strct. 2015/12685). Bij de toetsing van die beslissing van Segezha past dan ook een zekere mate van terughoudendheid van de kantonrechter.

5.5.

Anders dan [verweerder] , ziet de kantonrechter niet in dat Segezha een oneigenlijke ontslaggrond heeft aangevoerd. Naar de kantonrechter begrijpt, vindt [verweerder] de ontslaggrond oneigenlijk, omdat volgens [verweerder] in wezen sprake is van een niet noodzakelijke bezuinigingsoperatie. Daarbij stelt [verweerder] dat de taken en werkzaamheden van de Regional Sales Officer simpelweg zijn neergelegd bij de Area Sales Manager, een (veel) lager betaalde functie, en dat de functie van Regional Sales Officer dus feitelijk gewoon is blijven bestaan. Die stelling van [verweerder] is echter onjuist. Zoals [verweerder] op de zitting heeft erkend, zijn de werkzaamheden ten aanzien van contract- en prijsonderhandelingen met (potentiële) klanten en het aansturen van de Area Sales Managers, welke werkzaamheden voorheen tot de taken van de Regional Sales Officer behoorden, door en na de reorganisatie bij de Chief Sales Officer neergelegd. Dit wordt ook bevestigd door de toelichting die Segezha heeft gegeven en door de overgelegde stukken ten aanzien van de nieuwe organisatiestructuur. Daaruit blijkt al dat de functie Regional Sales Officer niet is opgegaan in of dezelfde is als de functie Area Sales Manager, maar dat de werkzaamheden van de Regional Sales Officer zijn verdeeld over verschillende andere functies, waaronder die van Chief Sales Officer en Area Sales Manager.

5.6.

Voor zover [verweerder] heeft bedoeld te stellen dat de noodzaak van het vervallen van de functie van Regional Sales Officer moet worden beoordeeld aan de hand van de gehele groep en het concern waartoe Segezha behoort, kan hij daarin niet worden gevolgd. Uit de wettelijke regels volgt immers dat de noodzaak voor het vervallen van arbeidsplaatsen moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die van toepassing zijn op de onderneming waar de arbeidsplaatsen vervallen, en niet aan de hand van de omstandigheden van de groep of het concern waartoe Segezha behoort (artikel 3 Ontslagregeling). Daaraan ligt ten grondslag de gedachte dat het laten vervallen van arbeidsplaatsen binnen een afzonderlijke onderneming noodzakelijk kan zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, en dat daaraan niet afdoet dat in het (concern)verband waartoe deze onderneming behoort, als geheel genomen winst wordt gemaakt (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:1212 (ANWB)).

5.7.

Verder heeft de kantonrechter geen reden om te oordelen dat het zogenoemde afspiegelingsbeginsel niet is nageleefd, zoals [verweerder] stelt. Het afspiegelingsbeginsel houdt in dat per leeftijdsgroep binnen een categorie te vervallen en uitwisselbare functies de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen (artikel 11 lid 1 Ontslagregeling). Daarbij moet worden uitgegaan van alle uitwisselbare functies binnen de onderneming van de werkgever of de bedrijfsvestiging van de onderneming (artikel 14 lid 1 Ontslagregeling). Het gaat dus niet om uitwisselbare functies binnen het gehele concern waarvan Segezha deel uitmaakt. Vast staat dat de beide functies Regional Sales Officer bij Segezha zijn vervallen en dat deze functies niet uitwisselbaar zijn met een andere functie bij Segezha. Gelet daarop is het afspiegelingsbeginsel dus niet aan de orde.

5.8.

De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. Daarbij is het volgende van belang.

5.9.

Bij de beoordeling of binnen de onderneming van Segezha een passende functie beschikbaar is voor [verweerder] , moeten arbeidsplaatsen worden betrokken waarvoor een vacature bestaat of waarvoor binnen redelijke termijn een vacature zal ontstaan. Omdat Segezha deel uitmaakt van een groep, moeten bij die beoordeling ook arbeidsplaatsen in andere tot deze groep behorende ondernemingen worden betrokken (artikel 9 lid 1 en 2 Ontslagregeling). Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling).

5.10.

De verplichting tot herplaatsing beoogt niet een resultaatsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven te roepen. Het gaat om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2019, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL: HR:2019:64 (Siep)). Ook redelijkheidsargumenten kunnen daarbij dus een rol spelen, waarbij de werkgever een zekere beoordelingsruimte wordt gelaten.

5.11.

Segezha heeft er in een e-mail aan [verweerder] van 13 februari 2019 op gewezen dat er binnen de Segezha Group drie vacatures zijn voor de functie Area Sales Manager in Denemarken, Roemenië en Nederland. In een brief van de advocaat van Segezha van 15 februari 2019 is gesteld dat een andere passende functie, die aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van [verweerder] , niet voorhanden is, maar dat [verweerder] mogelijk geïnteresseerd is in de functie Area Sales Manager genoemd in de e-mail van 13 februari 2019, en daarop kan solliciteren. In een brief van 22 maart 2019 is dit herhaald, met de kanttekening dat Segezha ervan uitgaat dat de functie van Area Sales Manager niet passend is, mede omdat die functie een veel lagere beloning kent dan de functie Regional Sales Officer. Daarnaast heeft Segezha bij de ontslagaanvraag aan het Uwv een overzicht overgelegd van alle vacatures in Europa van “White collar vacancies”.

5.12.

Na de beslissing van het Uwv heeft Segezha [verweerder] in een brief van 6 juni 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 19 juni 2019 over herplaatsing, waarbij Segezha functiebeschrijvingen heeft meegestuurd van de functies Area Sales Manager in Denemarken, Roemenië en Nederland, en de functie Area Sales Director in Turkije. Wat betreft die laatste functie heeft Segezha erop gewezen dat zij die functie niet passend vindt voor [verweerder] , omdat een goede beheersing van de Turkse taal vereist is. In een brief van 5 juli 2019 heeft Segezha, naar aanleiding van het gesprek van 19 juni 2019, aan [verweerder] meegedeeld dat partijen samen tot de conclusie waren gekomen dat de functie Area Sales Director in Turkije niet geschikt was. Daarnaast heeft Segezha geconcludeerd dat de functies Area Sales Manager in Denemarken, Roemenië en Nederland niet passend waren, vanwege de vereiste ervaring, het (veel) lagere salarisniveau en de taaleisen. Verder is er in die brief op gewezen dat gelet op de reorganisatie binnen de Segezha Group en het vervallen van verschillende functies in de organisatie, er geen andere geschikte en passende functies zijn gevonden voor [verweerder] .

5.13.

Gelet op wat hiervoor onder 5.9 tot en met 5.12 is overwogen, heeft Segezha in voldoende mate onderzocht of binnen het concern van de Segezha Group een passende vacature bestaat of zal ontstaan, en kon van haar in redelijkheid niet meer worden gevergd dan zij heeft gedaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Segezha dan ook in voldoende mate aan haar herplaatsingsverplichting voldaan.

5.14.

[verweerder] heeft geen argumenten of gegevens naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat binnen de Segezha Group wel sprake is van een vacature voor een passende functie of dat een dergelijke vacature binnen redelijke termijn zal ontstaan. In het verweerschrift stelt ook [verweerder] dat de functie Area Sales Manager in Nederland niet passend is, alleen al vanwege het salaris dat veel lager ligt dan het salaris in de functie Regional Sales Officer. Dat geldt ook voor de functies Area Sales Manager in Denemarken en Roemenië, omdat niet is betwist dat die functies een vergelijkbaar salarisniveau kennen. Overigens heeft Segezha voldoende aannemelijk gemaakt dat voor die functies een taaleis geldt waaraan [verweerder] niet kan voldoen, en dat een aanwezigheid gedurende ten minste vijf dagen per week in het betreffende land nodig is, waartoe [verweerder] niet bereid is. Voor zover [verweerder] heeft aangevoerd dat voor hem een passende functie kan worden gecreëerd door het oprichten van een nieuwe afdeling, overweegt de kantonrechter dat de verplichting tot herplaatsing van Segezha niet zo ver gaat dat een nieuwe functie in het leven moet worden geroepen. De stelling van [verweerder] dat ook functies als Chief Sales Officer, Key Account Director en Plant Director door Segezha hadden moeten worden betrokken bij een onderzoek naar de mogelijkheden tot herplaatsing, treft geen doel, omdat niet is betwist dat er voor deze functies geen vacatures zijn en ook niet binnen redelijke termijn zullen ontstaan. Overigens is door [verweerder] ook onvoldoende weersproken dat deze functies niet passend zijn.

5.15.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Segezha zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden, vanwege het vervallen van de arbeidsplaats van [verweerder] als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden. Dat betekent ook dat niet meer hoeft te worden beoordeeld of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding of andere omstandigheden. Er is geen reden om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zoals Segezha heeft verzocht, omdat een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van deze beschikking ten aanzien van de ontbinding niet schorst (artikel 7:683 lid 1 BW).

5.16.

Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 januari 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (artikel 7:671b lid 8 BW).

5.17.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 8 BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Niet gebleken is dat Segezha een valse of oneigenlijke bedrijfseconomische grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft aangevoerd en evenmin is gebleken dat Segezha in ernstige mate haar verplichtingen als werkgever, waaronder met name haar verplichting tot herplaatsing, heeft geschonden. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt [verweerder] met name dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Segezha, omdat Segezha zou hebben aangestuurd op een verstoring van de arbeidsverhouding. Echter, de arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, maar vanwege een bedrijfseconomische grond. Het door [verweerder] gestelde ernstig verwijtbaar handelen van Segezha houdt dus geen verband met de grond voor de ontbinding en kan daarom geen rol spelen bij de vraag of aan [verweerder] een billijke vergoeding moet worden toegekend.

5.18.

Omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft Segezha geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.19.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

het tegenverzoek van [verweerder]

5.20.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding van
€ 89.509,12 bruto. Segezha zal daarom worden veroordeeld tot betaling daarvan. Die betaling moet uiterlijk 1 februari 2020 plaatsvinden (artikel 7:686a lid 1 BW).

5.21.

Het verzoek van [verweerder] om voor recht te verklaren dat Segezha geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen geldende concurrentiebeding, kan niet worden toegewezen. Voor zover [verweerder] aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Segezha, kan hij daarin niet worden gevolgd, zoals hiervoor al is overwogen. Voor zover [verweerder] heeft gesteld dat Segezha geen belang (meer) heeft bij het concurrentiebeding, is het verzoek van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Nog daargelaten dat [verweerder] niet heeft verzocht om vernietiging van het concurrentiebeding, heeft hij ook niet gesteld welk concreet belang hij daarbij heeft. Dat [verweerder] onevenredig zou worden beperkt door het concurrentiebeding is door hem niet naar voren gebracht of onderbouwd. Verder is niet betwist de gemotiveerde stelling van Segezha op de zitting dat zij een redelijk belang heeft bij handhaving van dat beding. Overigens wijst de kantonrechter erop dat Segezha op de zitting heeft verklaard dat het concurrentiebeding alleen ziet op ondernemingen in de verpakkingsindustrie die werken met (industrieel) “kraft paper”, en niet op ondernemingen die actief zijn in verpakking met blik, plastic of andere materialen dan papier.

5.22.

Ook in het kader van het tegenverzoek zal de kantonrechter bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek van Segezha

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2020;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

het tegenverzoek van [verweerder]

6.3.

veroordeelt Segezha om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 89.509,12 bruto, uiterlijk op 1 februari 2020;

6.4.

wijst het tegenverzoek voor het overige af;

6.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

6.6.

verklaart de veroordeling onder 6.3 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter