Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:949

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
C/15/277931 / FA RK 18-4656
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen rechtstreekse erkenning van een buitenlandse (verdrags)adoptie bij gebreke van een verklaring ex artikel 23 Haags Adoptieverdrag. Het primaire verzoek om de Thaise adoptie te erkennen wordt afgewezen, omdat artikel 10:107 e.v. BW niet van toepassing is.

Het verzoek om de adoptie naar Nederlands recht uit te spreken wordt toegewezen. Voornaamswijziging en geslachtsnaam. Inschrijving buitenlandse geboorteakte en aanvulling van die akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/32 met annotatie van Sumner, I.
FJR 2019/74.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/277931 / FA RK 18-4656

beschikking van 6 februari 2019 betreffende erkenning van een buitenlandse adoptie (Thailand) dan wel het uitspreken van een adoptie naar Nederlands recht

gegeven op het verzoek van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

en

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

echtelieden,

beiden wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: verzoekers,

advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs, kantoorhoudende te Den Haag,

1 Verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoekers, ingekomen op 14 augustus 2018;

- de brieven, met bijlagen, van de advocaat van verzoekers, ingekomen op 30 augustus 2018 en 6 november 2018;

- de schriftelijke reactie van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag (verder: ABS), ingekomen op 4 oktober 2018.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Verzoekers zijn op [datum] in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd.

2.2

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 3 juli 2012 (nr. [nr] ) aan verzoekers toestemming verleend voor het opnemen van een eerste buitenlands kind ter adoptie. Blijkens het besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 21 april 2016 is voormelde toestemming verlengd tot 9 juli 2017. Uit het stuk “Statement of approval of the decision in the State of Origin that a child should be entrusted tot prospective adoptive parents” van 29 november 2016 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen de beslissing in Thailand dat het hierna te noemen te adopteren kind wordt toevertrouwd aan verzoekers en dat de adoptie voortgang kan vinden.

2.3

Op [geboortedatum] is geboren de minderjarige van het mannelijk geslacht: [minderjarige] . In de geboorteakte van de minderjarige zijn geen ouders van de minderjarige opgenomen.

2.4

Uit de verklaring van het Department of Children and Youth (verder: DCY) te [plaats] , Thailand van 30 december 2016 (No. [nr] ) blijkt dat de minderjarige een verlaten kind is en beschikbaar is voor adoptie. Ook blijkt uit die verklaring dat DCY de bevoegde instantie is om namens de ouders van de minderjarige toestemming te geven voor adoptie en dat op 4 april 2016 door The Child Adoption Board of Thailand “pre-approval” is verleend voor plaatsing van de minderjarige bij verzoekers in Nederland onder supervisie van Wereldkinderen voor tenminste zes maanden voorafgaand aan de adoptie, welke plaatsing aanvangt vanaf de datum dat verzoekers hebben kennisgemaakt met The Child Adoption Board.

2.5

Uit de verklaring van DCY van 23 mei 2018 (No [nr] ) blijkt dat The Child Adoption Board de adoptie van de minderjarige door verzoekers heeft goedgekeurd en dat verzoekers wordt geadviseerd ter registratie hiervan zich te wenden tot de Thaise ambassade in Den Haag. Blijkens het stuk “Registration of Adoption” (Registration No. [nr] ) is de adoptie van de minderjarige naar het recht van Thailand door verzoekers op 7 augustus 2018 geregistreerd bij de Thaise ambassade in Den Haag, onder vermelding van de schriftelijke beslissing van DCY van 23 mei 2018, inhoudende dat The Child Adoption Board of Thailand de voorgestelde adoptie door verzoekers van de minderjarige heeft goedgekeurd. De rechtbank heeft hierbij geconstateerd dat voormelde brief van 23 mei 2018 in voormeld stuk “Registration of Adoption” abusievelijk is aangeduid met het nummer [nr] .

2.6

Verzoekers hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De minderjarige heeft de Thaise nationaliteit.

2.7

De minderjarige staat sinds [datum] ingeschreven op het adres van verzoekers in Nederland.

2.8

De minderjarige is het eerste kind tot wie verzoekers in familierechtelijke betrekking komen te staan.

3 Het verzoek

3.1

Verzoekers hebben, na wijziging van het verzoek, verzocht:

a. primair: de Thaise adoptie van de minderjarige door verzoekers te erkennen, dan wel de adoptie van de minderjarige door verzoekers naar Nederlands recht uit te spreken;

b. te bepalen dat de eerste voornaam van de minderjarige “ [eerste voornaam] ” en de tweede voornaam “ [tweede voornaam] ” zal zijn;

c. te bepalen dat de minderjarige de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam] ” zal hebben.

4 De beoordeling

4.1

Door de omstandigheid dat verzoekers de Nederlandse nationaliteit hebben en de minderjarige de Thaise nationaliteit heeft, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

4.2

Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in bevestigende zin worden beantwoord, nu verzoekers in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben.

4.3

Bij de beoordeling van het verzoek is afdeling 3 van titel 6 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Deze afdeling bevat voorschriften ter zake het toepasselijke recht op de in Nederland uit te spreken adoptie en haar rechtsgevolgen, alsmede adopties waarop het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 97) niet van toepassing is.

Ten aanzien van het (primaire) verzoek tot erkenning van de Thaise adoptie

4.4

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of met de hierboven onder 2.5 weergegeven documenten de adoptie naar Thais recht heeft plaatsgevonden.

4.5

Bij beantwoording van deze vraag dient de rechtbank te beoordelen of voormelde adoptie naar Thais recht is aan te merken als een beslissing van een bevoegde autoriteit waarbij familierechtelijke betrekkingen tussen een minderjarig kind en twee personen tezamen of een persoon alleen tot stand worden gebracht, een en ander zoals is genoemd in artikel 10:104 BW. Daartoe wordt als volgt overwogen. In de hierboven onder 2.5 vermelde verklaring van DCY van 23 mei 2018 is vermeld dat de door The Child Adoption Board gegeven toestemming voor de adoptie van de minderjarige door verzoekers zal (kunnen) worden voltooid door registratie bij de Thaise ambassade te Den Haag. Deze registratie heeft blijkens voormelde “Registration of Adoption” plaatsgevonden. Gelet op de rechtsregels in Thailand ter zake van adoptie, is de rechtbank van oordeel dat met de hierboven onder 2.5 weergegeven documenten door de beslissing van een bevoegde autoriteit een naar Thais recht rechtsgeldige adoptie van de minderjarige door verzoekers heeft plaatsgevonden.

4.6

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of deze adoptie op grond van het Haagse Verdrag inzake de bescherming van kinderen en samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie van 29 mei 1993 (HAV) van rechtswege in Nederland wordt erkend.

4.7

De rechtbank stelt vast dat het HAV sinds 1 oktober 1998 in Nederland van toepassing is en sinds 1 augustus 2004 in Thailand. Dit betekent dat op basis van artikel 41 in samenhang met artikel 14 HAV het HAV van toepassing is.

4.8

Op grond van de op 6 november 2018 door de advocaat van verzoekers overgelegde brief stelt de rechtbank vast dat verzoekers niet beschikken over een op artikel 23 van het HAV gebaseerd conformiteitscertificaat. Op grond hiervan kan voormelde Thaise adoptie niet van rechtswege, dat wil zeggen zonder tussenkomst van een rechterlijke instantie, in Nederland worden erkend.

4.9

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de Thaise adoptie in Nederland kan worden erkend op grond van de commune internationaalrechtelijke wetgeving, zoals is weergegeven in titel 6, afdeling 3, onder de artikelen 10:107, 10:108 en 10:109 BW.

4.10

In artikel 10:107 BW is bepaald dat afdeling 3 betrekking heeft op adopties waarop het HAV niet van toepassing is. Nu hierboven onder 4.7 is vastgesteld dat er sprake is van een Verdragsadoptie impliceert dit dat de erkenningsregels van artikel 10:108 BW en artikel 10:109 BW in deze zaak niet kunnen worden toegepast. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat erkenning van de Thaise adoptie op grond van titel 6, afdeling 3, van Boek 10 BW niet mogelijk is. De rechtbank zal het primaire verzoek om de Thaise adoptie van de minderjarige door verzoekers te erkennen afwijzen.

Ten aanzien van het verzoek de adoptie uit te spreken naar Nederlands recht

4.11

Vervolgens komt de rechtbank toe aan beoordeling van het verzoek de adoptie van de minderjarige door verzoekers naar Nederlands recht uit te spreken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.12

De rechtbank heeft op grond van de overgelegde stukken de overtuiging dat de gevraagde adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is. Op grond van het feit dat de minderjarige in Thailand te vondeling is gelegd, is tevens komen vast te staan dat de minderjarige thans en naar voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien niets meer van zijn ouder of ouders in hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Nu ook overigens aan de in artikel 1:227 BW vermelde gronden en aan de in artikel 1:228 BW vermelde voorwaarden voor adoptie is voldaan, is het verzoek om de adoptie van de minderjarige door verzoekers naar Nederlands recht uit te spreken voor toewijzing vatbaar.

Voornamen en geslachtsnaam minderjarige

4.13

Op grond van het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, BW worden de geslachtsnaam en de voornamen van een vreemdeling bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Ingevolge artikel 10:20 BW worden de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft, bepaald door het Nederlandse recht. Artikel 10:22, eerste lid, BW bepaalt dat ingeval van verandering van nationaliteit het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing is, daaronder begrepen de regel van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.

4.14

De minderjarige heeft thans de Thaise nationaliteit. Op het moment dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, levert dit een grondslag op voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Het voorgaande brengt mee dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek dat betrekking heeft op de voornamen en de geslachtsnaam van de minderjarige.

4.15

Nu er geen andere kinderen deel uitmaken van het gezin van verzoekers, hebben zij te kennen gegeven dat de geslachtsnaam zal luiden: [geslachtsnaam] . Met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:5, derde lid, BW, waaruit volgt dat de keuze van partijen bepalend is, wordt het verzoek te bepalen dat de minderjarige de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal hebben afgewezen.

4.16

Het verzoek tot wijziging van de voornamen van de minderjarige is geoorloofd naar de maatstaven van artikel 1:4 BW en zal daarom worden toegewezen.

Geboortegegevens minderjarige

4.17

Verzoekers hebben overgelegd het stuk “Birth Certificate” (Identification No.: [nr] ) van 11 januari 2016, waaruit blijkt dat de minderjarige is geboren op [geboortedatum] .

4.18

De ABS heeft aangegeven dat voormeld “Birth Certificate” in aanmerking komt voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, omdat die akte de oorspronkelijke geboortegegevens van de minderjarige bevat en eveneens is voorzien van de vereiste legalisaties.

4.19

Op grond van het bepaalde in artikel 1:25, vijfde lid, BW zal de rechtbank ambtshalve de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag bevelen van het hierboven onder 4.17 vermelde document. De rechtbank stelt vast dat in gemeld document niet de geboorteplaats van de minderjarige is vermeld. Gelet op het feit dat de geboorte van de minderjarige is geregistreerd in [plaats] en het feit dat de Thaise autoriteiten in het paspoort van de minderjarige eveneens die plaats als geboorteplaats hebben ingevuld, zal de rechtbank de in voormeld “Birth Certificate” opgenomen geboortegegevens van de minderjarige aanvullen in die zin dat als geboorteplaats wordt vastgesteld: [plaats] .

gezag

4.20

Verzoekers zijn gehuwd. Op het moment dat de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal op grond van het bepaalde in artikel 1:251, eerste lid, BW sprake zijn van gezamenlijk gezag van verzoekers.

4.21

De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder k. van het Besluit gezagsregisters ambtshalve bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1

spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het mannelijk geslacht:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , Thailand,

door verzoekers voornoemd.

5.2

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag de akte van geboorte van de minderjarige “Birth Certificate” (Identification No.: [nr] ) van 11 januari 2016 in te schrijven, onder aanvulling dat als geboorteplaats van de minderjarige heeft te gelden: [plaats] , en voorts in die zin dat de titel “ [titel] ” geen onderdeel uitmaakt van de in te schrijven voornamen van de minderjarige;

5.3

gelast de wijziging van de voornamen van de minderjarige in: [voornamen] ;

5.4

wijst af het meer of anders verzochte;

5.5

bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking;

5.6

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.