Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:9145

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
7154864 CV EXPL 18-5622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op opschorting betaling beheervergoeding. Tegenover de eenduidige verplichting tot betaling daarvan staat een veelheid aan verbintenissen die beheerder in het kader van het beheer op zich heeft genomen. In dat kader mag van de opschortende partij worden verwacht dat opschorting niet plaatsvindt dan nadat de beheerder uitdrukkelijk erop is gewezen met welke gestelde tekortkoming de opschorting concreet in verband staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7154864 \ CV EXPL 18-5622 BL

Uitspraakdatum: 30 oktober 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Lecc Exploitatie De Horn B.V.

gevestigd te Tuitjenhorn

eiseres

verder te noemen: Lecc

gemachtigde: K.W.A. van der Meer

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats] (Duitsland)

gedaagden

verder te noemen: [gedaagden]

gemachtigde: M. van Musscher

1 Het procesverloop

1.1.

Lecc heeft bij dagvaarding van 15 augustus 2018 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] hebben schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Lecc heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagden] een schriftelijke reactie hebben gegeven. Lecc heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de tegenvordering.

1.3.

Op 26 september 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Lecc en [gedaagden] hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben Lecc en [gedaagden] bij brieven van 19 respectievelijk 16 september 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] zijn sinds 2001 eigenaars van een bungalow met nummer [nummer] op park De Horn te Dirkshorn (verder: het park).

2.2.

Op het park staan circa 250 houten huisjes en circa 90 stenen huisjes, met parkeerplaatsen. Verder heeft het park diverse algemene delen. Op enig moment is het park door de voormalig eigenaars verkocht en geleverd aan De Horn B.V. In 2003 heeft De Horn B.V. de algemene delen van het park verkocht en geleverd aan de Vereniging van Eigenaren Bungalowpark De Horn (verder: VvE De Horn). Daarnaast ging De Horn B.V. over tot verkoop en levering van huisjes met ondergrond en parkeerplaatsen aan particulieren.

2.3.

Op 27 januari 2012 heeft VvE De Horn de algemene delen van het park geleverd aan Lecc Vastgoed B.V., die deze vervolgens heeft geleverd aan Lecc. Sindsdien exploiteert Lecc de algemene delen van het park. De vorderingen die VvE De Horn had op eigenaars zijn overgedragen aan Lecc.

2.4.

Op 12 december 2012 zijn Lecc als beheerder en [gedaagden] als eigenaars een Beheerovereenkomst Bungalowpark “De Horn” aangegaan (verder: de beheerovereenkomst).

2.5.

In de beheerovereenkomst onder ‘in aanmerking nemende’ punt 2 is bepaald:
“dat Beheerder het dagelijks beheer over het Park en de Algemene voorzieningen voert, alsmede dat Beheerder in verband daarmee een aantal nader in deze overeenkomst omschreven diensten, mede ten behoeve van de Eigenaar, zal verrichten, waaronder instandhouding/verbetering en zo nodig vervanging van de thans aanwezige algemene voorzieningen met infrastructuur en dergelijke, waarvoor Eigenaar beheerkosten verschuldigd is aan Beheerder (…)”

2.6.

In artikel 1 van de beheerovereenkomst is nader omschreven welke werkzaamheden (a tot en met m), onderhoud (a tot en met h) en service (a tot en met e) vallen onder het beheer waarvoor Lecc moet zorgdragen.

2.7.

In artikel 2 van de beheerovereenkomst is – kort gezegd – bepaald dat [gedaagden] aan Lecc een beheervergoeding verschuldigd zijn, die voor het kalenderjaar 2012 € 1.200,00 bedraagt, exclusief btw. Daarbij is bepaald dat de beheervergoeding jaarlijks op 1 januari wordt geïndexeerd volgens de consumentenprijsindex, voor het eerst op 1 januari 2013. Verder zijn een aantal kosten omschreven die niet zijn inbegrepen in de beheervergoeding, waaronder de kosten van verbruik van gas, water, elektra, de kosten voor levering van kabel tv signaal en de kosten voor aansluiting en levering van (draadloos) internet (signaal).

2.8.

In een brief van 22 november 2015, gericht aan de heer [naam 1], schrijven de eigenaars van vijf huisjes, onder wie [gedaagden]:
“Wij (ondergetekenden) worden geacht voor 12 december het resterende parkbijdrage (betreffende het gedeelte dat gereserveerd is of wordt, ter verbetering van de infrastructuur e.d. van ons park) aan u te doen overmaken.
Afgelopen week zijn we tot het besluit gekomen om dit bedrag voorlopig niet aan u over te maken. Dit wil niet zeggen dat we dit niet betalen, enkel dat we dit tot nader tijdstip niet zullen doen. Dit met de volgende motivatie. Afgelopen jaren hebben we alle rekeningen altijd op tijd betaald, omdat dit contractueel zo hoort. We waren het eens met uw plannen en hebben ook ingestemd met deze, om zo het park weer op te waarderen en te zorgen voor een ontspannen en aangenaam verblijf. Tot op heden moeten we constateren dat van deze afspraken en bedoelingen zo goed als niets terecht is gekomen. Ook hebben we geen echt gevoel van veiligheid meer gezien het aantal zeer ingrijpende gebeurtenissen afgelopen jaar.
We zaten al eerder met deze opvatting en hebben daarom met u contact gehad over de verdere voortgang. In deze gesprekken belooft u steeds dat het goed gaat en ook dat werkzaamheden gestart worden, echter we zien niets van deze. (…) Wij willen u wijzen op de diverse artikelen in de beheerovereenkomst.
Het betreft hier: art: 1:1 regel b,d,j,k,l art:1:2 a,b,e,g art:3 regel 2,3,4,5,7 art:5 1,4
Allemaal artikelen waaraan het nodige hapert dan wel helemaal niets aan wordt gedaan.
(…) Zolang er geen duidelijk zichtbare verbetering komt, betreffende de bovengenoemde zaken, of een door u duidelijke onderbouwing waarom deze zaken zo lang op zich laten wachten en er niets gebeurt, zullen we de betaling van het tweede gedeelte niet doen. (…)”

3 De vordering

3.1.

Lecc vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 4.814,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.591,85 vanaf 15 augustus 2018. Zij legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.

3.2.

Uit de periode dat VvE De Horn de algemene delen beheerde zijn [gedaagden] nog verschuldigd een totaalbedrag van € 1.621,19 (bestaande uit € 1.106,00 voor parkbijdrage 2010, € 134,85 voor water en elektra tot oktober 2010, € 579,26 voor parkbijdrage 2011 en € 301,08 voor water en elektra tot september 2011, waarop in mindering strekt een bedrag van € 500,00 dat [gedaagden] op 20 januari 2010 hebben betaald).

3.3.

Uit hoofde van de beheerovereenkomst zijn [gedaagden] over de jaren 2012 tot en met 2018 een parkbijdrage verschuldigd van in totaal € 10.202,25 (inclusief indexering en btw). Daarnaast zijn [gedaagden] over deze periode verschuldigd een bedrag van in totaal € 481,79 voor afvalverwerking en draadloos internet. In de periode vanaf 2012 hebben [gedaagden] diverse betalingen gedaan, met een totaalbedrag van € 7.713,38. Per saldo zijn [gedaagden] dus nog verschuldigd een bedrag van € 2.970,66. Vanaf 2015 hebben [gedaagden] een groot gedeelte van de overeengekomen beheervergoeding onbetaald gelaten.

3.4.

De verschuldigde hoofdsom van (€ 1.621,19 + € 2.970,66 =) € 4.591,85 hebben [gedaagden] onbetaald gelaten, ondanks herhaalde aanmaning. Daarom zijn [gedaagden] ook wettelijke rente (€ 79,55 berekend over de achterstand vanaf 2015 tot dagvaarding) en € 143,15 voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagden] betwisten de vordering en voeren daartoe – samengevat en voor zover relevant – het volgende aan.

4.2.

De vorderingen van Lecc zijn (gedeeltelijk) verjaard. Verder zijn [gedaagden] de gevorderde bijdragen niet verschuldigd. Toen Lecc het beheer in 2012 van VvE De Horn overnam was het park toe aan renovatie. Om die te kunnen realiseren was naast de basisparkbijdrage van € 450,00 voor regulier onderhoud, een aanvullende bijdrage van € 650,00 voor de renovatie nodig. Lecc is haar beheerverplichtingen niet nagekomen, ondanks hiertoe herhaaldelijk te zijn aangesproken. Daarom hebben [gedaagden] bij brief van 22 november 2015 betaling van de infrastructuurbijdrage opgeschort. De basisbijdrage zijn zij blijven betalen.

4.3.

[gedaagden] vorderen bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter de beheerovereenkomst (partieel) ontbindt en de beheervergoeding met ingang van 2015 vaststelt op ten hoogste de basisbijdrage. Daartoe voeren zij – zakelijk weergegeven – aan dat Lecc niet aan haar beheerverplichtingen voldoet, en bovendien een aanzienlijk deel van de eigenaars minder betaalt, omdat zij geen beheerovereenkomst met Lecc hebben gesloten.

4.4.

Lecc betwist de tegenvordering en stelt – samengevat – dat geen sprake is van een tekortkoming door Lecc, en zeker geen tekortkoming die ernstig genoeg is om ontbinding van de beheerovereenkomst te rechtvaardigen.

5 De beoordeling

de vordering

5.1.

[gedaagden] wonen in Duitsland, zodat de zaak een internationaal karakter heeft. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, en welk recht van toepassing is. De vordering betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015. Zowel Duitsland als Nederland is lidstaat van de Europese Unie en partij bij de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Herschikte EEX-Vo). De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe en de kantonrechter te Alkmaar is bevoegd deze zaak te beoordelen op grond van het bepaalde in de Herschikte EEX-Vo en de artikelen 93 en 103 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien de vordering niet hoger is dan € 25.000,00, de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in Nederland moet worden uitgevoerd en de onroerende zaak waarover het geschil gaat is gelegen te Dirkshorn. Uit artikel 3 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) volgt dat het Nederlands recht van toepassing is, nu partijen in de beheerovereenkomst uitdrukkelijk hebben gekozen voor Nederlands recht. De bevoegdheid van de kantonrechter te Alkmaar en de toepasselijkheid van het Nederlands recht staan overigens tussen partijen niet ter discussie.

5.2.

De vorderingen van Lecc zien op parkbijdragen en kosten voor water en elektra over 2010 en 2011, en beheervergoedingen en kosten voor afvalverwerking en draadloos internet over de periode van 2012 tot en met 2018. [gedaagden] beroepen zich op verjaring van de vorderingen. Dit verjaringsverweer slaagt voor zover het ziet op het gedeelte van € 1.621,19, dat betrekking heeft op de jaren 2010 en 2011. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

5.3.

De verjaringstermijn van een vordering tot betaling, zoals hier aan de orde, verjaart na verloop van vijf jaren (artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek [BW]). Deze termijn begint bij het opeisbaar worden van de vordering. Lecc heeft niet concreet gesteld wanneer deze vorderingen opeisbaar zijn geworden, maar onbetwist kan worden aangenomen dat ten tijde van dagvaarding (15 augustus 2018) de gevorderde bijdragen over 2010 en 2011 in elk geval ruimschoots langer dan vijf jaren opeisbaar waren.

5.4.

Daarmee hoeven de vorderingen echter nog niet verjaard te zijn. Lecc stelt dat de verjaring is gestuit. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt op grond van artikel 3:317 BW gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. [gedaagden] stellen nooit tot betaling te zijn aangemaand.

5.5.

In dit verband beroept Lecc zich op een e-mail van 10 december 2014 die ziet op de gevorderde bijdragen over 2010 en 2011, en is gezonden aan [e-mailadres] Inmiddels zijn partijen het erover eens dat deze e-mail naar een onjuist e-mailadres is gezonden, nu het adres van Bolczek niet eindigt op ‘.nl’ maar op ‘.de’, zodat deze e-mail [gedaagden] niet heeft bereikt. Daarop stelt Lecc nog dat zij het betreffende bericht ook per gewone post heeft verzonden, maar legt van die brief geen kopie over. Verder voert Lecc nog aan dat [gedaagden] op het bericht hebben gereageerd, waarbij zij Lecc zouden hebben gewezen op de onjuistheid van het gebruikte e-mailadres. Ter onderbouwing daarvan verwijst Lecc naar de door haar overgelegde productie 11. Dit is echter een brief van [gedaagden] van 20 november 2012 (ruim twee jaar eerder), kennelijk in reactie op in rekening gebrachte elektriciteitskosten 2012. Dit kan dus geen reactie zijn op de e-mail van Lecc van 10 december 2014. Bovendien wijzen [gedaagden] in hun brief van 20 november 2012 niet op onjuistheid van een door Lecc gebruikt e-mailadres, maar geven zij een e-mailadres door. Kennelijk heeft Lecc vervolgens het e-mailadres onjuist in hun administratie opgenomen.

5.6.

Verder beroept Lecc zich op een als productie 12 overgelegde brief van 22 februari 2013. In het kader van het beroep op verjaring heeft Lecc niet meer of anders aangevoerd dan dat zij deze aan [gedaagden] heeft gezonden. Dit is echter onvoldoende om verjaring te stuiten. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is ‘waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt’, en dat de verklaring is aangekomen. Dat genoemde brief [gedaagden] heeft bereikt is niet komen vast te staan. Lecc heeft achter productie 12 nog verdere (e-mail)correspondentie overgelegd, zonder daar een concreet beroep op te doen. Voor zover Lecc zich op het standpunt stelt dat uit die stukken kan worden afgeleid dat de brief van 22 februari 2013 [gedaagden] heeft bereikt, blijkt dit daaruit naar het oordeel van de kantonrechter niet.

5.7.

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat de verjaring van de vordering van € 1.621,19 is gestuit, zodat het vorderingsrecht van Lecc is verjaard en dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

5.8.

Met betrekking tot de vordering van € 2.970,66 slaagt het beroep van [gedaagden] op verjaring niet. Lecc geeft in de dagvaarding onder punt 8 tot en met 11 een opsomming van door [gedaagden] verschuldigde bedragen, en betalingen die daarop in mindering zijn betaald. Uit dit overzicht blijkt dat [gedaagden] tot 2015 geen achterstand hadden in de nakoming van hun uit de beheerovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. In de dagvaarding onder punt 11 stelt Lecc ook uitdrukkelijk dat [gedaagden] vanaf 2015 de parkbijdragen gedeeltelijk onbetaald hebben gelaten. Dit is in lijn met de stelling van [gedaagden] dat zij vanaf november 2015 zijn begonnen met opschorting van een deel van de parkbijdrage. Daarmee wordt als vaststaand aangenomen dat dit gedeelte van de vordering ziet op de periode vanaf november 2015, zodat het vorderingsrecht van Lecc ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op 15 augustus 2018 nog niet was verjaard.

5.9.

[gedaagden] betwisten niet dat het saldo van de onbetaald gelaten parkbijdragen € 2.970,66 bedraagt. Zij beroepen zich echter op een opschortingsrecht. Ook dit beroep slaagt niet. Daartoe is het volgende redengevend.

5.10.

Tegenover de eenduidige verplichting van [gedaagden] tot betaling van de beheervergoeding staat een veelheid aan verbintenissen die Lecc op zich heeft genomen in het kader van het beheer, waaronder algemene verbintenissen als: “het handhaven van de rust en orde op het Park”, of: “het toezicht houden opdat de Recreatiewoning steeds in goede staat verkeert”. Het mag in dit licht geen verbazing wekken dat een enkel tekortschieten in één van de vele, en soms ruim omschreven, verplichtingen niet direct een recht op opschorting rechtvaardigt. De tekortkoming zal zowel in ernst als belang voldoende concreet en zwaarwegend moeten zijn.

5.11.

In dat kader mag in deze zaak van [gedaagden] als opschortende partij worden verwacht dat de opschorting niet plaatsvindt dan nadat Lecc uitdrukkelijk erop is gewezen met welke gestelde tekortkoming de opschorting concreet in verband staat. De eisen van redelijkheid die contractspartijen tegenover elkaar in acht hebben te nemen nopen hiertoe. Daarbij speelt een rol dat Lecc voor het uitvoeren van haar verbintenissen afhankelijk is van de beheervergoedingen. Als Lecc geen bijdragen ontvangt, kan zij haar beheerstaak niet correct uitvoeren. Ook daarom mag niet te snel worden aangenomen dat sprake is van een gerechtvaardigd opschorten als bedoeld in artikel 262 lid 2 BW. De door [gedaagden] aan Lecc gemaakte verwijten zullen dus de hiervoor omschreven toets moeten doorstaan.

5.12.

[gedaagden] beroepen zich in dit verband op de onder de feiten genoemde brief van 22 november 2015. De ontvangst daarvan wordt door Lecc betwist. Zelfs als de kantonrechter ervan uitgaat dat de brief van 22 november 2015 door Lecc is ontvangen, is hiermee niet voldaan aan de hierboven weergegeven mededelingsplicht. Lecc kon hieruit onvoldoende opmaken aan welke verplichting zij zich diende te houden om volledige betaling van de ondertekenaars te verkrijgen. De enkele verwijzing naar een aantal, soms zeer algemeen geformuleerde artikelen in de beheerovereenkomst met de opmerking: “waaraan het nodige hapert dan wel helemaal niets aan wordt gedaan”, is daartoe onvoldoende.

5.13.

Het is ter zitting duidelijk geworden dat in de ogen van [gedaagden] vernieuwing dan wel reparatie van water-, elektriciteits- en gasleidingen en de riolering (verder: de nutsvoorzieningen) tot de belangrijkste beheerstaken van Lecc behoorden. Daarnaast is een gesteld gebrekkig onderhoud aan paden en parkeerterreinen [gedaagden] een doorn in het oog.

5.14.

Voor zover Lecc (te) traag is geweest met de aanleg of reparatie van genoemde nutsvoorzieningen is door [gedaagden] gesteld dat deze thans voldoen. Opschorting is wat dit betreft dus niet langer geoorloofd. Wat het onderhoud van de paden betreft is de stelling van Lecc dat het park twee typen paden kent: harde en waterdoorlatende. Van de harde bestrating stroomt het water af, en op de waterdoorlatende paden staan bij tijd en wijle plasjes, die vanzelf langzaam wegzinken, hetgeen inherent is aan waterdoorlatende paden, aldus Lecc. Verder heeft Lecc aangevoerd dat veel parkeerplaatsen niet haar eigendom zijn, en dat het haar niet wordt toegestaan om hieraan onderhoudswerkzaamheden te verrichten. [gedaagden] hebben een en ander onvoldoende gemotiveerd weersproken. Wat het algehele onderhoud van het park betreft heeft Lecc voorts onbetwist gesteld dat een (groot) deel van de ogenschijnlijk openbare gedeelten van het park feitelijk privé eigendom betreft, zodat waar haar gebrekkig onderhoud wordt verweten dit verwijt zich richt op de respectieve eigenaars van die gedeelten.

5.15.

Naar het oordeel van de kantonrechter resteert verder een aantal verwijten die niet als zodanig ernstig kunnen worden gekwalificeerd dat deze de door [gedaagden] gewenste opschorting rechtvaardigen. De kantonrechter verwijst daarbij naar het bij antwoord overgelegde beeldverslag met foto’s van de toestand van het park in 2017. Niet alleen betreffen deze per definitie een momentopname, maar verder staat vast dat in januari 2018 [naam 2] als parkmanager is begonnen, en het beheer van het park, ook naar zeggen van [gedaagden], sindsdien is verbeterd.

5.16.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Lecc zal toewijzen tot een bedrag van € 2.970,66. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat een concrete eerdere verzuimdatum niet is gebleken.

5.17.

De door Lecc gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 143,15 komt niet voor toewijzing in aanmerking. Niet is gebleken dat een aanmaning heeft plaatsgevonden conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De in dit verband door Lecc overgelegde brief van 20 september 2017 voldoet daar niet aan. In die brief wordt aangemaand tot betaling van een factuur gedateerd 10 januari 2017 met nummer 201700140 ten bedrage van € 1.661,61. De betreffende factuur is niet overgelegd, en genoemd factuurbedrag is niet terug te vinden in eerdergenoemd in de dagvaarding opgenomen overzicht van door [gedaagden] verschuldigde bedragen. Daarmee kan niet worden aangenomen dat de gevorderde vergoeding ziet op kosten die Lecc heeft gemaakt ter incassering van de in deze procedure toegewezen vordering.

5.18.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

de tegenvordering

5.19.

Op alle in de zaak van de vordering genoemde argumenten sneuvelt ook het beroep van [gedaagden] op (partiële) ontbinding van de beheerovereenkomst. Het is de kantonrechter duidelijk dat [gedaagden] per jaar méér betalen dan gebruikers van het park die de beheerovereenkomst niet hebben ondertekend. Dat zij dit wellicht als onrechtvaardig ervaren kan echter niet afdoen aan het principe dat overeenkomsten moeten worden nagekomen.

5.20.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [gedaagden] zal afwijzen.

5.21.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden], omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de proceskosten van Lecc gesteld op € 210,00 aan salaris gemachtigde voor de conclusie van dupliek in reconventie. De kantonrechter ziet aanleiding het salaris gemachtigde voor de overige proceshandelingen op nihil te stellen, nu de behandeling van de tegenvordering daarin van ondergeschikt belang is geweest en gelet op de samenhang met de zaak van de vordering waarin partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan Lecc een bedrag van € 2.970,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 augustus 2018 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Lecc worden vastgesteld op een bedrag van € 210,00 aan salaris van de gemachtigde van Lecc.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter