Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:9134

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5324
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vernietigt de aan eiser opgelegde informatiebeschikking. De rechtbank is van oordeel dat eiser redelijkerwijs niet de door verweerder gevraagde stukken kon verstrekken, nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de gevraagde bankafschriften te bemachtigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/2880
FutD 2019-3365
Viditax (FutD), 16-12-2019
V-N 2020/10.13 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5324

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigden: mr. M. van Leeuwen en mr. D.G. Barmentlo),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft ten aanzien van eiser een informatiebeschikking in de zin van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) vastgesteld met betrekking tot aan eiser op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) voor de jaren 2005 tot en met 2009.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 september 2019 heeft eiser nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is aan verweerder verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. van der Avoird, mr. N. Laraj en mr. A. Scheffer.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is directeur en aandeelhouder geweest van [A] (hierna: [A] Ltd.), die op [# 1] 2005 is opgericht naar het recht van de Britse Maagdeneilanden. [A] Ltd. is ontbonden op [# 2] 2009.

2. Bij brief van 16 augustus 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld dat diens naam vermeld is in de zogenoemde ‘Panama Papers’. Daarbij wordt eiser gevraagd om een verklaring te geven voor het feit dat zijn naam in de Panama Papers voorkomt.

3. Eiser heeft verweerder bij brief van 21 september 2016 als volgt bericht:

“ [A] Ltd is een entiteit die ik gevoerd heb vanaf november 2005 tot en met februari 2008 in [c] .

In de periode van januari 2006 tot en met februari 2008 werkte ik als managing partner bij [B] Ltd. Het hoofdkantoor van [B] is gevestigd in [c] . Coaching / advies activiteiten vonden plaats ‘all over the world’.

Als introductie voor mijn nieuwe job, persoonlijke kennismaking op het hoofdkantoor en een korte adviesopdracht ben ik in november 2005 voor iets meer dan een week uitgenodigd in China. Daar verrichtte ik advieswerkzaamheden namens [B] bij verschillende Chinese ondernemingen.

Mijn toenmalige zakenpartner, [D] , groot aandeelhouder van [B] , adviseerde mij een Chinees bankrekeningnummer te openen.

Het lag toen immers in de lijn der verwachtingen dat ik vaker in China advieswerk zou gaan uitoefenen. Het openen van een zakelijk bankrekeningnummer, impliceerde tevens het vestigen van een Ltd in [c] . Via een relatie van [D] , die frequent en voor langere tijd in China verbleef, is [A] Ltd opgericht en een bankrekeningnummer geopend bij de [E ] Bank. De aandelen van de Ltd. werden door mij privé gehouden. Zo zijn mijn werkzaamheden in China via [A] Ltd met bijbehorend bankrekeningnummer verlopen.

(…) Dus mijn werkzaamheden, alsmede mijn verblijf in China, is slechts tot één keer beperkt gebleven.

Hoe zijn betalingen verlopen?

1. werkzaamheden in Nederland zijn altijd rechtstreeks gestort van [B] naar [M] BV; en vanuit [M] BV naar privé

2. werkzaamheden die ik eenmalig, in China, verricht heb zijn gefactureerd door [A] Ltd. Aan [B] ;

3. daar de advieswerkzaamheden gingen om keiharde resultaten heeft de betaling stapsgewijs plaats gevonden;

4. in totaal is er door [A] Ltd ontvangen voor deze werkzaamheden ± € 25.000,-;

5. ongeveer € 20.000,- is betaald aan [D] op zijn zakelijke nummer in Nederland, omdat ik zijn [f] cabriolet heb overgenomen; deze (BTW) auto heb ik privé gereden

6. in 2008 (februari) ben ik gestopt bij [B] en heb kort daarna zowel de [A] Ltd als het bankrekeningnummer bij [E ] Bank stopgezet via de zelfde tussenpersoon als eerder genoemd;

7. het resterende bedrag (orde grootte € 2000) heb ik overgeschreven naar [D] , die het voor mij cash heeft meegenomen naar Nederland.

Betalingen van [B] aan mij zijn altijd verlopen via [M] BV en altijd verwerkt in de Nederlandse belasting opgaven, welke verzorgd zijn door [G] , later [G2] .

Uiteraard heb ik destijds met mijn accountant [A] Ltd de eenmalige werkzaamheden in China besproken en hoe dit verwerkt moest worden in de belastingaangifte in Nederland. Volgens hem was dat niet noodzakelijk: het ging immers om een klein bedrag én het bedrag betrof werkzaamheden verricht in het buitenland.”

4. Bij brief van 24 november 2016 heeft verweerder daarop gereageerd. Wegens het uitblijven van een reactie heeft verweerder eiser bij brief van 16 januari 2017 in de gelegenheid gesteld te reageren voor 31 januari 2017.

5. Eiser en verweerder hebben op 21 februari 2017 met elkaar gesproken. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder eiser een brief met dagtekening 9 maart 2017 gezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“Uw cliënt gaf in het gesprek aan dat hij alle stukken betreffende [A] heeft weggegooid. Hij dacht de stukken niet meer relevant waren. (…)

In mijn brief van 24 november 2016 heb ik behalve inlichtingen ook om kopieën van onderliggende stukken betreffende [A] gevraagd. Deze heb ik niet gekregen omdat uw cliënt alles heeft weggegooid. Mijn verzoek om informatie is gebaseerd op artikel 47 van de AWR. [Eiser] heeft beschikking gehad over de door mij gevraagde gegevens maar heeft deze weggegooid. Tijdens het gesprek van 21 februari heeft [eiser] aangegeven bereid te zijn duplicaat stukken op te vragen in [c] . Ik ga graag in op het aanbod van [eiser]. Ik wil daarbij nog wel opmerken dat ik van mening ben dat [eiser] op grond van artikel 47 AWR reeds een inspanningsverplichting heeft de gevraagde stukken elders op te vragen en te verstrekken. De stukken die ik wil ontvangen betreffende de volgende stukken:

1. Kopie van de oprichtingsakte van [A] Ltd.

2. Kopieën verslagen van de aandeelhoudersvergadering en overige vastleggingen van de aandeelhouder(s) ten aanzien van [A] Ltd.

3. Kopie jaarstukken 2005 tot en met datum liquidatie of indien er geen jaarstukken zijn: een overzicht van bezittingen en schulden (2005 tot en met datum liquidatie) van [A] Ltd.

4. Kopie bankafschriften van bankrekening ten name van [A] in [c] .”

6. Bij e-mailbericht van 25 april 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser verweerder, onder toevoeging van meerdere bijlagen, als volgt bericht:

“[Eiser] heeft zijn contacten in [c] aangesproken om de aanvullende informatie van zijn Limited te kunnen achterhalen. Helaas is de bewaarplicht al daar beperkt tot 5 jaar en als gevolg van de liquidatie van [A] in 2009 zijn de meeste gegevens niet meer beschikbaar.

Na betaling van US$ 650 heeft cliënt nog een document kunnen achterhalen: de oprichtingsakte. De overige gegevens zijn niet meer voorhanden. Ik heb in de bijlage de mailwisseling toegevoegd met de contactpersoon om aan te tonen dat vanuit [eiser] maximale inspanning is geweest om de aanvullende informatie aan te leveren.”

7. Blijkens de bijlagen bij het hiervoor vermelde e-mailbericht heeft eiser bij e-mailbericht van 22 maart 2017 aan [H] van [I] [c] (hierna: [H] ) gevraagd of hij kopieën kan krijgen van onder meer de afschriften van de bankrekening van [A] Ltd. In het e-mailbericht van [H] van 23 maart 2017 wordt eiser meegedeeld dat hij de gevraagde informatie niet langer beschikbaar heeft, maar dat hij wellicht nog documentatie kan opvragen bij de ‘Registered Agent’, waartoe een bedrag van $ 650 betaald dient te worden. Eiser heeft [H] bij e-mailbericht van 28 maart 2017 laten weten het bedrag die avond te zullen voldoen. Naar aanleiding van de betaling heeft [H] stukken betreffende de oprichting van [A] Ltd. aan eiser toegezonden.

8. Bij brief van 12 mei 2017 heeft verweerder eiser opnieuw om overlegging van de bankafschriften van [A] Ltd. gevraagd en voorts gevraagd te antwoorden op enkele aanvullende vragen.

9. Eiser heeft verweerder vervolgens op 12 juni 2017 een e-mailbericht gezonden. Daarbij zijn twee bijlagen gevoegd. Een daarvan betreft een e-mailbericht van 12 juni 2017 van eiser aan [H] waarin hij hem het volgende vraagt:

“In your email, March 23rd, you made the following statement, as per BVI company law, we are only required to keep documents for 5 years from when we stop services.

What are the rules for the banking industry? Is there also a term for 5 years?

What possibilities do I have, without knowing my bank account number ( [J] ) any longer, what transactions took place up till the liquidation of my bank account (2007)?”

10. [H] heeft eiser daarop laten weten dat hij denkt dat de bewaartermijn voor de bank zeven jaar is, maar dat eiser dit bij de bank moet navragen.

11. Met dagtekening 5 oktober 2017 heeft verweerder de thans in geschil zijnde informatiebeschikking vastgesteld. Daarin is vermeld dat eiser twee vragen van verweerder onbeantwoord heeft gelaten. In de eerste plaats heeft eiser nog geen antwoord gegeven op de vraag van verweerder betreffende een eerder door eiser overgelegde factuur. Voorts heeft eiser niet de door verweerder gevraagd afschriften van de bankrekening van [A] Ltd. overgelegd.

12. Tijdens de bezwaarfase heeft eiser verweerder een aantal uitdraaien betreffende met [H] gewisselde e-mails verstrekt en een aan [J] gedaan informatieverzoek.

13. Bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2018 heeft verweerder beslist dat eiser de eerste vraag na het hoorgesprek heeft beantwoord en dat op dat punt er ook geen geschil meer is. Met betrekking tot de tweede vraag heeft verweerder beslist dat eiser in gebreke is gebleven de gevraagde bankafschriften over te leggen. Verweerder heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

14. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van de [c] and [J] (hierna: [J] ) aan eiser van 1 september 2017. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“We would like to advise that our bank will preserve the transaction records up to last seven years.

If you would like to obtain the copies of historical statements, please complete a ‘Certificate of Balance/Statement/Cheque Copy/History Report Request Form’.

The form can be downloaded (…).

(…)

A handling charge of [l] for each copy will be collected.”

15. Eiser heeft het e-mailbericht blijkens de gedingstukken doorgestuurd aan zijn toenmalige gemachtigde met de opmerking dat het hem niet helemaal duidelijk is wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot ‘historical statements’ en hem daarbij gevraagd hoe hij dit leest.

16. Tot het dossier behoort voorts een e-mailbericht van 29 oktober 2018 van [K] , werkzaam bij [J] , waarin onder meer staat:

“Thank you for your e-mail of 28 October 2018 requesting the statements.

We would like to explain that our bank only keeps the transaction records for last seven years.

If you would like to obtain the previous copies of statements, please complete a ‘Certificate of Balance/Statement/Cheque Copy/History Report Request Form’.

The form can be downloaded (…).

(…)

A handling charge of HKD50 for each copy will be collected.”

17. In het voorjaar van 2019 heeft eiser [J] , onder meer via een brief van één van zijn gemachtigden en meerdere e-mailberichten, benaderd met de vraag te bevestigen dan wel te ontkennen dat het mogelijk is overzichten te verstrekken over de periode 2005 tot en met 2008.

18. Bij e-mailbericht van 17 april 2019 heeft [K] , onder meer het volgende meegedeeld:

“We would like to explain again that we only keep the account and transaction records for the recent seven years. Therefore, we are sorry that we are unable to retrieve the transaction records from 2005 to 2008 for you.”

Geschil
19. In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is vastgesteld.

20. Eiser stelt dat hij aan zijn informatieverplichting heeft voldaan, ook voor wat betreft de bankafschriften, en dat om die reden de informatiebeschikking in haar geheel moet worden vernietigd. Eiser beschikt immers niet meer over de gevraagde bankafschriften, hetgeen hem niet kan worden aangerekend. Voorts stelt eiser in dit verband zich voldoende te hebben ingespannen. Subsidiair neemt eiser het standpunt in dat verweerder het bezwaar deels gegrond had moeten verklaren, de informatiebeschikking deels had moeten vernietigen en een kostenvergoeding voor bezwaar had moeten vaststellen.

21. Verweerder neemt het standpunt in dat de informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Verweerder acht eiser in staat over de gevraagde stukken te beschikken. Eiser heeft volgens verweerder niet voldaan aan diens inspanningsverplichting. Met betrekking tot eisers subsidiaire standpunt stelt verweerder dat de informatiebeschikking weliswaar na bezwaar deels is komen te vervallen, maar dat er geen aanleiding bestond een kostenvergoeding voor bezwaar toe te kennen.

Beoordeling van het geschil

22. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de AWR dienen de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt en wel binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 van de AWR is voldaan.

23. Eiser heeft niet betwist dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde bankafschriften van belang konden zijn voor de belastingheffing van eiser over de jaren 2005 tot en met 2009. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat eiser niet meer beschikte over de door verweerder gevraagde bankafschriften. Partijen houdt in dit verband uitsluitend verdeeld de vraag of eiser aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan om daarover opnieuw te kunnen beschikken.

24. De rechtbank stelt voorop dat indien een belastingplichtige niet beschikt, en ook redelijkerwijs niet kan beschikken, over de gegevens en inlichtingen die de inspecteur van hem vraagt, niet kan worden gezegd dat hij door het niet-verschaffen van die gegevens of inlichtingen de in artikel 47 van de AWR neergelegde informatieverplichting schendt. Het ligt dan op de weg van de belastingplichtige om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan genoemde uitzondering van toepassing kan worden geacht.

25. De rechtbank is van oordeel dat eiser redelijkerwijs niet de door verweerder gevraagde stukken kon verstrekken, nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de gevraagde bankafschriften te bemachtigen. Daartoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Eiser heeft diverse malen contact gezocht met [J] . [J] heeft eiser onder meer bij e-mailbericht van 1 september 2017 als volgt bericht: “We would like to advise that our bank will preserve the transaction records up to last seven years” (zie de feiten onder 14). Uit het e-mailbericht van [K] (van [J] ) van 17 april 2019 (zie de feiten onder 18) leidt de rechtbank met eiser af dat – voor zover over de uitleg daarvan in redelijkheid al onduidelijkheid kon bestaan – de eerder gedane mededelingen van [J] aan eiser aldus moeten worden begrepen dat het in ieder geval niet mogelijk was bankafschriften te ontvangen die zien op een periode van meer dan zeven jaar terug.

26. Voor zover verweerder stelt dat eiser in dit verband een verwijt kan worden gemaakt, doordat hij pas in 2017, en dus na het verstrijken van de vermelde zevenjaarstermijn, contact heeft opgenomen met [J] , volgt de rechtbank hem daarin niet. De rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat eiser in dit verband berekenend te werk is gegaan. In dit verband verdient nog opmerking dat zelfs als eiser al in 2016 [J] had gevraagd om tot verstrekking van bankafschriften over te gaan, in ieder geval niet de afschriften met betrekking tot de jaren 2005 tot en met 2008 zouden zijn verstrekt, gelet op de zevenjaarstermijn.

27. Verweerder heeft ter zitting nog het standpunt ingenomen dat hem bekend is dat banken bereid zijn tot verstrekking van afschriften die zien op een veel langere periode in het verleden dan de hiervoor vermelde zevenjaarstermijn. Verweerder heeft desgevraagd echter niet kunnen onderbouwen dat dit ook het geval is met betrekking tot [J] . Dat het voor de Belastingdienst, zoals verweerder stelt, moeilijk is om exacte informatie te krijgen als het gaat om buitenlandse banken, dient voor rekening van verweerder te blijven.

28. Verweerder heeft voorts nog het standpunt ingenomen dat eiser zich onvoldoende heeft ingespannen, nu niet is gebleken dat eiser op andere wijze getracht heeft de bankafschriften te bemachtigen, bijvoorbeeld door [J] te sommeren de afschriften te verstrekken dan wel via een gerechtelijke procedure de afschriften te vorderen. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zich voldoende inspanningen getroost. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vermelde handelingen effectief zouden zijn geweest.

29. De stelling van verweerder dat eiser relevante e-mailcorrespondentie heeft achtergehouden, hetgeen overigens door eiser wordt weersproken, doet aan het hiervoor in onderdeel 24 vervatte oordeel niet af. Er is onvoldoende aanleiding om, anders dan verweerder heeft bepleit, aan de door eiser overgelegde stukken een andere conclusie te verbinden dan de rechtbank hiervoor heeft gedaan.

30. Uit het voorgaande volgt dat eiser heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ingevolge artikel 47 van de AWR. Dit betekent de informatiebeschikking (in haar geheel) dient te worden vernietigd. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

31. Eiser heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade. Daartoe heeft hij gesteld dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden. Sinds het indienen van het bezwaarschrift (op 16 november 2017) zijn echter nog geen twee jaar verstreken. Nu gesteld noch gebleken is dat een kortere beslistermijn in aanmerking dient te worden genomen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot vaststelling van een immateriële schadevergoeding.

Proceskosten

32. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op vergoeding van de werkelijke kosten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

33. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is grond indien de inspecteur het verwijt treft dat hij een besluit handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat het desbetreffende besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Evenzeer bestaat aanleiding af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier geen van beide situaties voor.

34. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser geen recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. De rechtbank zal aan eiser een proceskostenvergoeding toekennen op grond van de forfaitaire bedragen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de informatiebeschikking;

- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.532;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. T.N. van Rijn en mr. B. van Walderveen, leden, in aanwezigheid van mr. B. Bruijnzeel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.