Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8970

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
C/15/283984 / FA RK 19-353
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling naar aanleiding van een kindbrief en na advies bijzondere curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

AM

artikel 1:250 BW

zaak-/rekestnr.: C/15/283984 / FA RK 19-353

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 30 oktober 2019

naar aanleiding van het verzoek van:

[minderjarige] ,

wonende te [plaats] ,

hierna mede te noemen: [minderjarige] ,

kind van

[moeder] ,

wonende te [plaats] ,

en

[vader] ,

wonende te [plaats] .

1 Verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 6 maart 2019 en de daarin vermelde stukken;

- het verslag van de bijzondere curator van [bijzondere curator] van 26 april 2019, ingekomen op 30 april 2019.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019 in

aanwezigheid van de moeder, de vader en de bijzondere curator [bijzondere curator] (hierna ook: de bijzondere curator).

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij ambtshalve beschikking van 6 maart 2019 is [bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator voor de minderjarige [minderjarige] . Aan haar is gevraagd de in die beschikking geformuleerde vragen te beantwoorden en de rechtbank daarvan verslag te doen.

Zij heeft op 26 april 2019 verslag uitgebracht.

2.2.

Ter beoordeling ligt voor het verzoek van [minderjarige] om de zorgregeling tussen haar en de vader te wijzigen, in die zin dat aan de eerder vastgestelde zorgregeling niet langer uitvoering hoeft te worden gegeven.

2.3.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt het volgende.

2.4.

De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op
[geboortedatum] in de gemeente [gemeente] [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Haarlem (thans deze rechtbank) van 19 oktober 2010 is – voor zover hier van belang – een tijdelijke zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 1 mei 2012 is deze tijdelijke zorgregeling gewijzigd in een definitieve zorgregeling, inhoudende dat de vader met ingang van 4 april 2012 iedere woensdag van 14:00 tot 19:00 uur en om de week van zaterdag van 9:00 uur tot 17:00 uur verantwoordelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

Partijen hebben deze regeling in 2015 in onderling overleg gewijzigd, maar deze nieuwe regeling niet bij beschikking of in een ouderschapsplan laten vastleggen. De in onderling overleg gemaakte afspraken houden in dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader is van zaterdag tot en met zondag.

2.6.

De bijzondere curator stelt in haar rapportage vast dat [minderjarige] de dochter is van ouders met verschillende culturele achtergronden, maar ook opgroeit binnen twee totaal verschillende subculturen binnen het opvoedingsklimaat. De vader heeft een meer holistische kijk en de moeder leeft vooral via het geloof van Jehovah’s Getuigen. Tussen de ouders bestaan langdurige communicatieproblemen. De moeder heeft haar negatieve overtuigingen over de vader dusdanig vaak met [minderjarige] gedeeld, dat dat volgens de bijzondere curator bestempeld kan worden als psychologische mishandeling. Hoewel [minderjarige] aangeeft angst te hebben voor de vader, heeft de bijzondere curator deze angst bij [minderjarige] niet ervaren. Wel zou [minderjarige] angst kunnen ervaren in het feit dat zij tot de in-groep van het gezin van de moeder wil blijven behoren en de levensovertuigingen van de vader daarmee beginnen te conflicteren.

De bijzondere curator acht het heel aannemelijk dat [minderjarige] het gevoel heeft dat zij een keuze moet maken, niet zo zeer in de liefde voor de vader of de moeder, maar meer in de levensstijl die haar het meest oplevert op dit moment. Deze angst van [minderjarige] om verstoten te worden uit het gezin van de moeder, lijkt zwaarder te wegen dan de keuze om de vader minder vaak te zien. De bijzondere curator concludeert dan ook dat de wens van [minderjarige] om haar vader minder vaak te zien, niet authentiek is.

Het is de wens van [minderjarige] om éénmaal per maand iets met de vader te gaan ondernemen.

De bijzondere curator is van mening dat [minderjarige] tijd en ruimte nodig heeft om ‘af te dalen in zichzelf’ en onder invloed van de informatie die zij meekrijgt van de moeder en die zij meekrijgt van de vader, uiteindelijk gevormd te worden tot een adolescent die eigen keuzes weet te maken. De bijzondere curator adviseert om de contactfrequenties tussen de vader en [minderjarige] te veranderen in kort frequent contact, de overnachtingen voorlopig te stoppen en op geleide van [minderjarige] te hervatten als zij daar weer klaar voor is. Het contact dient wekelijks een half uur te zijn en is haalbaar via FaceTime of Skype, bijvoorbeeld op donderdagmiddag tussen 16:00 en 16:30 uur. Daarnaast acht de bijzondere curator het in het belang van [minderjarige] dat zij minimaal één keer per maand een hele dag, van 9:00 tot 21:00 uur, fysiek in contact zal zijn met de vader. Bijvoorbeeld iedere eerste zaterdag van de maand. Op deze dag dient de vader zich vrij te plannen van zijn werkzaamheden. De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat de moeder met haar meereist ten behoeve van de overdracht.

2.7.

Ter zitting heeft de bijzondere curator nog een bericht voorgelezen dat zij van [minderjarige] heeft ontvangen in reactie op het rapport, samengevat inhoudende dat [minderjarige] bestrijdt dat er sprake is van psychische mishandeling door haar moeder. Zij benadrukt dat haar moeder het beste met haar voor heeft en dat ze ziet dat deze boodschap van de bijzondere curator haar moeder overstuur maakt en dat doet [minderjarige] veel verdriet.

2.8.

De moeder heeft ter zitting gesteld dat het rapport van de bijzondere curator ten onrechte melding maakt van psychische mishandeling. In de afgelopen tien jaar heeft zij misschien twee gesprekken gehad met [minderjarige] over de achterliggende redenen waarom haar ouders uit elkaar zijn gegaan: het rapport suggereert ten onrechte dat de moeder frequent en langdurig met [minderjarige] hierover heeft gesproken. In die enkele gesprekken in 10 jaar heeft de moeder wellicht opmerkingen over de vader gemaakt die zij beter niet tegenover [minderjarige] had kunnen maken. Maar dat maakt niet dat zij [minderjarige] psychisch heeft mishandeld. Ook is de moeder van mening dat de bijzondere curator onjuiste conclusies heeft getrokken over haar geloof. [minderjarige] is (nog) niet gedoopt en zodoende (nog) geen Jehova’s Getuige. Daar mag [minderjarige] zelf over beslissen en zij zal niet worden uitgestoten. Tegen die achtergrond vindt de moeder het opmerkelijk dat de negatieve opmerkingen van de vader over het gezin van moeder en de rol van [minderjarige] daarin niet staan vermeld in het rapport.

De moeder staat achter de omgang tussen de vader en [minderjarige] en bemoeit zich, anders dan de vader stelt, ook niet inhoudelijk met het contact tussen hen. Het is onjuist dat zij de telefoon van [minderjarige] controleert op de berichten met de vader. De moeder heeft in reactie op de uitspraak van de vader dat [minderjarige] niet meer hoeft te komen als het slechts 1 zaterdag per maand zal zijn, gezegd dat zij zal gaan halen en brengen naar de vader toe. Ze vindt het belangrijk dat die zaterdag in de maand doorgang vindt.

2.9.

De vader heeft ter zitting gezegd dat hij [minderjarige] haar wensen wil respecteren en haar niet lastig wil vallen met de problemen tussen haar ouders. Maar hij vindt het heel moeilijk wanneer hij haar nog maar één keer per maand zal zien, hij vraagt zich af wat dat voor zin heeft. Wat hem betreft hoeft het dan niet meer. De vader heeft aan [minderjarige] aangegeven dat zijn deur altijd voor haar open staat en zij altijd welkom is. Ook kan zij altijd met hem bellen of berichtjes sturen. De vader houdt deze wijze van tussentijds communiceren liever aan dan een vast videobelmoment af te spreken zoals door de bijzondere curator voorgesteld. Daar voelt de vader niets voor. De vader is ervan overtuigd dat [minderjarige] wél graag bij hem wil blijven komen en dat zij onder invloed van de moeder nu zegt dat ze zich niet op haar gemak voelt bij hem en minder contact wil. De vader heeft aangegeven dat hij freelancer is en in het weekend moet werken om genoeg geld te verdienen, als hij voor een klus gevraagd wordt.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat de vader als niet-verzorgende ouder wettelijk recht heeft op en de plicht heeft tot omgang met [minderjarige] . De moeder heeft als verzorgende ouder de wettelijke taak om de band tussen [minderjarige] en de vader zoveel mogelijk te bevorderen.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat met het verstrijken van de jaren voor [minderjarige] het moment is aangebroken dat zij heeft aangegeven dat zij het contact met haar vader anders wil vormgeven. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij het contact wil verminderen tot één keer per maand en dat zij niet langer bij haar vader wil overnachten. Uit het onderzoek van de bijzondere curator is gebleken dat [minderjarige] geen eigen slaapkamer heeft bij de vader. Als zij bij hem overnacht, is dat in het bed van de vader en de partner; die slapen dan elders in de woning. De rechtbank is met de bijzondere curator van oordeel dat voorstelbaar is dat [minderjarige] zich onder deze omstandigheden niet prettig voelt bij overnachten, zeker gezien de overige omstandigheden. [minderjarige] heeft ouders met totaal verschillende achtergronden en zij leven in volstrekt verschillende werelden. Bovendien communiceren haar ouders niet met elkaar en hebben ze geen vertrouwen in elkaar, zo is gebleken.

De vader heeft enerzijds gezegd dat hij de wens van [minderjarige] zal respecteren, maar anderzijds heeft hij ter zitting in reactie op het advies van de bijzondere curator gezegd dat [minderjarige] niet meer bij hem hoeft te komen als het slechts 1 zaterdag per maand zal zijn. Met die uitspraak gaat de vader lijnrecht in tegen de wens van [minderjarige] , zoals zij die steeds heeft geuit in deze procedure. Bovendien laat de vader met deze opstelling niet zien dat [minderjarige] belangrijk voor hem is en hij dingen voor haar wil doen of juist laten, terwijl ze juist heeft aangegeven daaraan behoefte te hebben. Het gevoel dat ze belangrijk is voor haar vader heeft ze niet voldoende ervaren. In dit kader dringt de rechtbank er daarom op aan bij de vader, zoals de bijzondere curator ook wenst, dat hij zorgt dat hij de 12 zaterdagen per jaar dat hij zijn dochter zal zien, geen enkele andere verplichting heeft en zij de gehele dag samen kunnen doorbrengen. Daarmee handelt de vader in het belang van [minderjarige] , door haar de ruimte en tegelijkertijd ook de aandacht te geven waar zij om vraagt.

De vraag in hoeverre de opstelling van de moeder en haar negatieve emoties in de richting van de vader en haar ex-partner de gevoelens van [minderjarige] en haar wens hebben beïnvloed, vindt de rechtbank niet eenduidig te beantwoorden.

De bijzondere curator spreekt van psychische mishandeling van [minderjarige] door de moeder in dit verband. De rechtbank heeft begrip voor het feit dat dit de moeder en vervolgens ook [minderjarige] zeer geraakt heeft. Dat de moeder haar emoties niet steeds bij [minderjarige] heeft kunnen weghouden, zoals zij zelf ook zegt, maakt niet dat van psychische mishandeling moet worden gesproken. Bovendien is het een ervaringsgegeven dat er in situaties van scheiding sprake is van pijn en verdriet bij de ouders en de kinderen daarvan in bijna alle gevallen helaas het nodige meekrijgen. De rechtbank heeft ter zitting de negatieve emoties over en weer kunnen waarnemen. Partijen hebben hun verleden en daarin is hun onderlinge relatie ernstig beschadigd geraakt. Centraal dient de vraag te staan wat [minderjarige] op dit moment nodig heeft. Op die vraag geeft het advies een helder antwoord. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit advies gevolgd moet worden, omdat dit het meest tegemoet komt aan de behoeften van [minderjarige] op dit moment.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het gemis en verdriet van de vader bij een inperking van de huidige zorgregeling, kan dat niet doorslaggevend zijn. Een zaterdag in de maand van 9 tot 21 uur doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ingewikkelde positie die [minderjarige] inneemt tussen deze ouders en haar behoefte om contact met haar vader te onderhouden zonder te overnachten, waarbij de vader hun tijd zo indeelt dat [minderjarige] zijn onverdeelde aandacht heeft. De moeder zal, conform haar aanbod daartoe, [minderjarige] naar de vader brengen en haar daar ook weer ophalen, de eerste keer op zaterdag 2 november 2019. De rechtbank wijst de vader erop dat hij alle eerste zaterdagen van de maand steeds vrij dient te houden ten behoeve van de zorgregeling met [minderjarige] .

2.11

De rechtbank zal geen regeling vaststellen ten aanzien van het door de bijzondere curator voorgestelde wekelijks videobellen, nu de vader hier niet voor openstaat. De vader en [minderjarige] kunnen elkaar te allen tijde bereiken op het telefoonnummer van [minderjarige] . De moeder staat dit contact niet in de weg. De rechtbank wijst de vader erop dat de verantwoordelijkheid voor het in stand houden van het contact in eerste instantie bij hem ligt als ouder en als volwassene, niet bij [minderjarige] . Het ligt dus ook op de weg van de vader om initiatief te tonen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt, met wijziging van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2012, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

De minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , verblijft met ingang van 2 november 2019 elke eerste zaterdag van de maand bij de vader van 9:00 uur tot 21:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en bij hem zal ophalen;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. A.M. van der Maten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.