Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8925

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
19_4103 en 19_4606
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming.

Afwijzing verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening.

bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/4103 en HAA 19/4606

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2019 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

1 Stichting Natuurbelang Amsterdamse Waterleidingduinen, te Heemskerk,

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

2 Stichting Duinbehoud, te Leiden,

3. Stichting Rust bij de Kust, te Amsterdam,

4. Vereniging Milieudefensie,te Amsterdam,

5. Stichting Vrienden van Middenduin, te Overveen,

6. Natuur en Milieufederatie Noord-Holland, te Bergen (NH),
(gemachtigde: mr. B.J. Meruma)

verzoeksters,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V., te Zandvoort

(gemachtigden: mr. A. Collignon en mr. J. Tingen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij ontheffing verleend van verboden op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Verzoekster sub 1 en verzoeksters sub 2 tot en met 6 hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij faxbericht van 3 oktober 2019 heeft verzoekster sub 1 de voorzieningenrechter verzocht een ordemaatregel te treffen. Dit verzoek is op diezelfde datum afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Verzoekster sub 1 is vertegenwoordigd door [naam 1] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verzoekster sub 1 heeft tevens [naam 2] , ecoloog, meegebracht. Verzoeksters sub 2 tot en met 5 zijn vertegenwoordigd door [naam 3] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verzoekster sub 6 is vertegenwoordigd door [naam 4] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door [naam 5] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 6] , directeur, bijgestaan door voornoemde gemachtigden. Derde-partij heeft tevens [naam 7] en [naam 8] , beiden ecologen, meegebracht.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het bestreden besluit

2.1

Bij het bestreden besluit (hierna ook: de ontheffing) heeft verweerder - onder voorschriften en beperkingen - aan derde-partij op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb voor de periode van 23 augustus 2019 tot en met 30 april 2020 ontheffing verleend van:

- artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb, voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van exemplaren van de rugstreeppad en de zandhagedis;

- artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb, voor zover het betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis.

2.2

De ontheffing heeft betrekking op werkzaamheden op het circuit Zandvoort welke bestaan uit graafwerkzaamheden waarbij zand wordt ontgraven en opgehoogd, asfalteringswerkzaamheden, de realisatie van (tijdelijke) tribunes, de realisatie van een keerwand, de realisatie van tunnels, het verbreden en versterken van paden, de aanleg van enkele paden en het verplaatsen van een pad met talud in het gebied naast het circuit Zandvoort.

Belanghebbendheid

3. In de stukken is door derde-partij opgeworpen dat verzoekster sub 1 geen belanghebbende is bij het bestreden besluit omdat de feitelijke werkzaamheden die zij in het recente verleden heeft verricht uitsluitend bestaan uit het voeren van gerechtelijke procedures. Nog daargelaten dat verzoekster sub 1 dit standpunt ter zitting gemotiveerd heeft bestreden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat in elk geval één van de verzoeksters belanghebbende is bij het bestreden besluit. Nu de door verzoekster sub 1 ingediende gronden van het verzoek en van het bezwaar inhoudelijk veelal overeenkomen met de door de andere verzoeksters ingediende gronden, laat de voorzieningenrechter een beoordeling van de ontvankelijkheid van verzoekster sub 1 in het kader van deze procedure achterwege.

Spoedeisend belang

4. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen om aldus te bewerkstelligen dat de werkzaamheden waarop de ontheffing ziet worden gestaakt totdat op de bezwaren is beslist. Inmiddels is een deel van de werkzaamheden waarop de ontheffing betrekking heeft – te weten het plaatsen van de amfibieschermen, het afvangen van de ontheven soorten op de afgezette locaties naar een locatie daarbuiten, alsmede het afgraven van de geluidswal op locatie 2 en het toevoegen van het daardoor vrijgekomen zand aan locatie 7 – reeds uitgevoerd of in uitvoering. Nu een groot deel van de werkzaamheden waarop de ontheffing ziet nog niet zijn aangevangen en derde-partij heeft aangegeven op 4 november a.s. met die werkzaamheden te zullen starten, hebben verzoeksters een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Wettelijk kader

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Omvang geding

6. Onderwerp van het geding is de hiervoor onder 2 genoemde ontheffing op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb. Eventuele andere ontheffingen of vergunningen, waaronder de vergunning op grond van hoofdstuk 2 van de Wnb, die (mogelijk) zijn vereist om de beoogde werkzaamheden te kunnen uitvoeren, maken van het geding geen onderdeel uit. Dit geldt ook voor door (een of meerdere van de) verzoeksters ingediende handhavingsverzoeken en de daarop door het bevoegd gezag genomen besluiten. Indien en voor zover de door verzoeksters ingediende gronden uitsluitend zien op deze andere toestemmingen dan wel handhavingsprocedures, laat de voorzieningenrechter deze, zoals ook ter zitting met partijen is besproken, buiten bespreking.

Ontheffing ontoereikend

7. In de stelling van verzoekster sub 1 dat ten onrechte geen ontheffing is verleend van artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor het opzettelijk doden van exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat de ontheffing voorziet in het wegvangen van de op de werklocaties mogelijk aanwezige exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis voordat met de werkzaamheden wordt gestart. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onder deze omstandigheden sprake zal zijn van het opzettelijk doden van exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis. Daarbij komt dat bij het bestreden besluit is beslist op de aanvraag zoals deze door derde-partij is ingediend en dat de aanvraag niet ziet op het doden van exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis. Indien en voor zover bij de werkzaamheden die de ontheffing mogelijk maakt toch exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis opzettelijk zouden worden gedood, wordt gehandeld zonder de daartoe benodigde ontheffing en kan verweerder (worden verzocht) daartegen handhavend op(te)treden.

8.1

Verzoeksters sub 2 tot en met 6 stellen dat het onderzoek naar de gevolgen voor de beschermde soorten ontoereikend is geweest. De veldonderzoeken verricht op 15 en 17 juli 2019 door Econsultancy geven volgens hen een zeer incompleet beeld van de aanwezige soorten in het gebied. Het onderzoek is niet verricht volgens de standaard protocollen voor het inventariseren van vogels en vleermuizen. Volgens verzoeksters sub 2 tot en met 6 zijn nadelige effecten op deze soorten als gevolg van onder meer het verbreden van wandelpaden, grootschalige vergravingen en het dempen van poelen wel te verwachten.

8.2

Econsultancy heeft in opdracht van derde-partij onderzocht of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wnb een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de beoogde werkzaamheden. De resultaten van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek zijn neergelegd in de rapportage “Ecologisch onderzoek Burgemeester van Alphenstraat 108 te Zandvoort” van 30 juli 2019 (eindversie D3). Wat betreft het betoog dat het uitgevoerde natuuronderzoek niet voldoet aan de eisen van relevante standaarden heeft Econsultancy ter zitting nader toegelicht dat het onderzoek is uitgevoerd conform de betreffende kennisdocumenten. In hoofdstuk 3 van de rapportage is de methode van onderzoek weergegeven, bestaande uit het verrichten van veldbezoek en een bureauonderzoek. Aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken, het beheerplan Kennemerland Zuid (2018), Circuit Park Zandvoort, Verslag Monitoring 2007-2009 (2010) en op basis van ‘expert judgement’ is nagegaan welke bijzondere planten- en dierensoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie, waarbij actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Datatbank Flora en Fauna (NDFF) zijn opgevraagd.

Wat betreft vogels is in de onderzoeken geconstateerd dat voor de algemene broedvogelsoorten geldt dat het verwijderen van nestgelegenheden binnen de invloedsfeer van de ingrepen, buiten het broedseizoen uitgevoerd moet worden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd moeten worden, dan dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden.

Wat betreft vleermuizen (beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen) is geconcludeerd in de onderzoeken dat op de onderzoeklocatie geen geschikte verblijfplaatsen zijn voor vleermuizen. Daarvan is wel sprake buiten de onderzoeklocatie, maar door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, zullen aanwezige potentiële verblijfplaatsen van de werkzaamheden geen negatieve invloed kunnen ondervinden. Verder komt door de plannen het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding en worden geen potentiële vliegroutes verstoord als gevolg van de werkzaamheden.

8.3

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters sub 2 tot en met 6 met hetgeen zij hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de uitkomsten van het ecologisch onderzoek van Econsultancy voor zover het vogels en vleermuizen betreft, noch dat het onderzoek daarnaar ontoereikend is geweest. De voorzieningenrechter ziet in het door verzoeksters sub 2 tot en met 6 gestelde dan ook geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Andere bevredigende oplossing

9.1

Verzoeksters stellen dat de werkzaamheden waarop de ontheffing ziet, behoudens de aanpassing van de bocht op locatie 10, niet nodig zijn om het beoogde evenement, Dutch Grand Prix, te kunnen laten plaatsvinden, en dat de ontheffing enkel tot doel heeft om het aantal bezoekers te kunnen vergroten. Het beperken van het aantal toeschouwers, zodat uitbreidingen ten aanzien van tribunes en toegangswegen niet noodzakelijk zijn, of in ieder geval in mindere mate, heeft dan ook te gelden als andere bevredigende oplossing. Verzoeksters stellen verder dat verweerder niet heeft onderbouwd dat niet met minder tribunes kan worden volstaan en dat geen, althans onvoldoende, onderzoek is verricht naar alternatieve locaties voor plaatsing van de tribunes. Verder kunnen toegangspaden naar tribunes op palen worden gebouwd, zodat het leefgebied van de soorten daar met rust wordt gelaten. Zij stellen ook dat niet is onderbouwd dat niet elders kan worden voorzien in alternatieve toe- en uitgangen. Verzoeksters sub 2 tot en met 6 stellen verder dat geen onderzoek is verricht naar een alternatieve locatie voor de extra ontsluitingsweg en dat ook niet is gezocht naar technieken om deze te realiseren zonder dat daarvoor grootschalige vergraving en aanleg van een zandlichaam in Natura 2000-gebied nodig is.

9.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij beantwoording van de vraag of er een andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onder a, van de Wnb.

9.3

De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit, nader aangevuld in het verweerschrift van 10 oktober 2019 en ter zitting, gemotiveerd uiteen heeft gezet dat in overleg met de gemeente een capaciteit is bepaald van 125.000 aanwezigen op het circuitpark tijdens de Dutch Grand Prix per dag, waaronder 105.000 toeschouwers en dat het beperken van het aantal bezoekers, ook gelet op de financiële haalbaarheid van het beoogde evenement, niet heeft te gelden als een andere bevredigende oplossing. Verweerder wijst er verder op dat de beoogde ingrepen zijn gebonden aan een specifieke locatie, te weten het reeds aanwezige circuit Zandvoort, dat is omringd door Natura 2000-gebied en intensief gebruikte andere functies zoals een camping en sportterreinen. De te realiseren toegangsweg en de toe- en uitgangspaden moeten logischerwijs aansluiten op de buiten het circuit reeds bestaande infrastructuur. Deze moeten met zo min mogelijk ruimtebeslag en onder voorkoming van een aantasting van het Natura 2000-gebied worden gerealiseerd, reden waarom er in de loop van de procedure voor is gekozen de nieuwe ontsluitingsweg vanaf de boulevard richting het circuitgebied niet te situeren in het Natura 2000-gebied, maar iets zuidelijker binnen het gebied dat in de ontheffing is aangeduid als locatie 1. Het niet realiseren van de tribunes, of het voorzien in minder dan het geplande aantal tribunes, is geen andere bevredigende oplossing omdat de bestaande natuurwaarden binnen het circuit bescherming behoeven en de tribunes nodig zijn voor ‘crowd management’. Daarmee kan worden voorkomen dat bezoekers door vertrapping schade zullen veroorzaken aan het kunstmatig duingebied, omdat maar een beperkt aantal staanplaatsen beschikbaar is met een redelijk zicht op de baan. De tribunes zelf worden zoveel mogelijk geplaatst op het binnenterrein van het circuit en op locaties waar geen natuurlijke duingrond aanwezig is. Het door verzoeksters voorgestelde alternatief van toegangspaden op palen is niet reëel omdat het ingraven van de palen ter plaatse naar verwachting juist meer ecologisch nadeel oplevert. Gelet op deze motivering, heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het oog op het belang van de bescherming van flora en fauna geen andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onder a, van de Wnb.

Dwingende reden van groot openbaar belang

10.1

Verzoeksters betwisten gemotiveerd dat met het project een dwingende reden van groot openbaar belang is gemoeid en verwijzen in dit verband onder meer naar richtsnoeren van de Europese Commissie en Europese en nationale jurisprudentie. Verzoeksters stellen verder onder meer dat van een openbaar belang geen sprake is omdat het bestreden besluit alleen het concurrentiebelang van een private en commerciële partij dient.

10.2

Verweerder stelt dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de combinatie van het belang van de sport, de veiligheid en sociaal-economische belangen, als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Wnb. Verweerder wijst er daarbij op dat het circuit in het bestemmingsplan reeds is aangewezen als internationaal circuit voor het houden van motor- en autoraces en dat het circuit sinds 1995 de zogenoemde A-status (verkregen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) voor autosport heeft, hetgeen meebrengt dat het circuit mede een functie dient te vervullen als topsportaccomodatie en als zodanig moet voldoen aan steeds wijzigende internationale normen en standaarden voor onder meer rijveiligheid en geschiktheid van de baan en het circuitterrein. De werkzaamheden zijn vereist om aan die eisen te (gaan) voldoen en het circuit ook geschikt te maken voor het aangaan van concurrentie met buitenlandse circuits voor het houden van grote internationale race-evenementen zoals de beoogde Dutch Grand Prix, een autosportevenement waarvoor grote maatschappelijke belangstelling bestaat en waarmee Nederland op de kaart zal worden gezet als (auto)sportland. Verweerder heeft verder gemotiveerd dat internationale races, waaronder de in 2020, 2021 en 2022 beoogde Dutch Grand Prix, vele tienduizenden bezoekers per dag trekken en dat de werkzaamheden waarop de ontheffing ziet met name zijn vereist om de veiligheid van deze grote aantallen bezoekers te kunnen garanderen. De aanpassingen aan de toegang- en ontsluitingsmogelijkheden voorzien in de aanwezigheid van voldoende vluchtwegen in geval van calamiteiten en kunnen daarnaast voorzien in een vlotte en veilige verwerking van de toestroom aan arriverende en vertrekkende bezoekers. Ook met de extra te realiseren tribunes wordt primair voorzien in de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen. Deze dragen immers bij aan de mogelijkheid om de bezoekersstromen op het terrein – middels ‘crowd management’ – te reguleren, in die zin dat de bezoekers zich slechts begeven op vooraf bepaalde plaatsen en aldus wordt voorkomen dat bezoekers zich over het terrein verspreiden, hetgeen ook negatieve gevolgen voor de op het terrein aanwezige natuurwaarden in de hand zou werken. De ontheffing kan om die reden tevens worden beschouwd als te zijn in het in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats, als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Wnb. Verweerder stelt verder dat de komst van de Formule-1 in Zandvoort een verdere impuls geeft aan de verbetering van de bereikbaarheid van het kustgebied Kennemerland-Zuid alsmede in de brede regio en de gemeente Zandvoort aan inkomsten en werkgelegenheid.

10.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in dit geval op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de statuur van de Dutch Grand Prix (de internationale top van de autosportwereld) en de grote maatschappelijke belangstelling daarvoor, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, die verlening van de ontheffing rechtvaardigt en dat verweerder dit ook afdoende heeft gemotiveerd. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder verwijzing naar Europese jurisprudentie, onder meer in zijn uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2788), heeft overwogen dient het belang dat met de uitvoering van een project is gediend te worden afgewogen tegen de mate waarin de (voortplantings- en vast rust- of verblijfplaatsen van de) beschermde soorten worden aangetast. De voorzieningenrechter neemt bij vorenstaand oordeel daarom in aanmerking dat de verstoring van beschermde soorten en de aantasting van de vaste rust- en verblijfplaatsen van die soorten, zoals volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen, in dit geval beperkt en grotendeels tijdelijk is.

Het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

11.1

Zoals hiervoor onder 2 is vermeld heeft verweerder bij het bestreden besluit ontheffing verleend van (1) artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb, voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van exemplaren van de rugstreeppad en de zandhagedis en (2) artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb, voor zover het betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis.

11.2

De voorzieningenrechter ziet geen grond om de ontheffing te schorsen voor zover deze betrekking heeft op het opzettelijk verstoren van exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis. Daartoe is redengevend dat derde-partij, onder gebruikmaking van de verleende ontheffing de binnen de afgeschermde gebieden aanwezige exemplaren van de ontheven soorten reeds heeft weggevangen en de betreffende locaties aldus ‘natuurvrij’ heeft gemaakt. Naar voorlopig oordeel vormen de aan de ontheffing verbonden voorschriften die voorzien in het plaatsen van amfibieschermen op geduide locaties en in het afvangen van de zich binnen de amfibieschermen bevindende exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis en het door Econsultancy ten behoeve van de uitvoering van deze voorschriften opgestelde Werkprotocol voldoende waarborg dat de beschermde soorten voor aanvang van de werkzaamheden zijn weggevangen. Door de (verdere) uitvoering van de werkzaamheden zullen op de werklocaties dan ook geen exemplaren van de rugstreeppad en zandhagedis meer worden verstoord.

11.3

Voor wat betreft de beschadiging of vernieling van de voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen stellen verzoeksters zich, onder verwijzing naar het rapport van 8 oktober 2019, opgesteld door Ecologisch Adviesbureau [naam adviesbureau] (hierna: [naam adviesbureau] ), op het standpunt dat zich ook op andere plekken in het onderzoeksgebied dan door verweerder gesteld voor de rugstreeppad en zandhagedis geschikte voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen bevinden en dat door de werkzaamheden dan ook meer geschikt leefgebied verloren gaat dan waar in de ontheffing vanuit is gegaan. Niet is onderbouwd dat met het verlies aan geschikt winterhabitat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding.

Verzoeksters stellen voorts dat ten onrechte de omvang van de populaties van de betrokken beschermde soorten ter plaatse niet in beeld is gebracht en dat de ontheffing daarom onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Verzoeksters voeren verder aan dat ten onrechte geen voorschriften voor herstel van het leefgebied aan de ontheffing zijn verbonden.

11.4

Verweerder heeft zich voor het bepalen van locaties, die geschikt zijn als winterhabitat en/of voortplantingsplaats voor de rugstreeppad en zandhagedis gebaseerd op de bij de aanvraag om ontheffing overgelegde rapportages, waaronder de rapportages “Quickscan Flora & Fauna 2019”, opgesteld op 6 mei 2019 door De Jong Zuurmond en “Ecologisch onderzoek Burgemeester van Alphenstraat 108 te Zandvoort”, opgesteld op 31 juli 2019 door Econsultancy, alsmede het “Ecologisch Activiteitenplan Burgemeester van Alphenstraat 108 te Zandvoort” opgesteld op 31 juli 2019 door Econsultancy. Econsultancy en verweerder hebben in afzonderlijke reacties van 10 oktober 2019 op het rapport van [naam adviesbureau] per locatie inzichtelijk en afdoende gemotiveerd dat en om welke reden [naam adviesbureau] in zijn standpunt niet kan worden gevolgd. In beide reacties zijn daarbij een aantal onvolkomenheden aan het rapport van [naam adviesbureau] benoemd.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet heeft mogen afgaan op de rapporten die bij de aanvraag zijn overgelegd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de in de ontheffing genoemde locaties, die geschikt zijn als winterhabitat en voorplantingsplaats voor de rugstreeppad en zandhagedis. Bij de verdere beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter daar dan ook van uit.

11.5

De ontheffing, voor zover deze ziet op het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van exemplaren van de rugstreeppad en de zandhagedis, is door verweerder en derde-partij ter zitting nader toegelicht. Het komt er kort en goed op neer dat na afloop van de werkzaamheden maximaal twee hectare van de op grond van de ontheffing afgeschermde locaties zal zijn verhard en daarmee definitief zal zijn onttrokken aan het leefgebied van de beschermde soorten. Zodra de werkzaamheden binnen de afgeschermde locaties zijn afgerond, zullen de amfibieschermen die vanwege de zandhagedis zijn opgericht weer worden verwijderd en na afloop van de Dutch Grand Prix zullen de schermen die vanwege de rugstreeppad zijn geplaatst worden verwijderd. Daarmee valt al het overige gebied dat op grond van de ontheffing is afgeschermd binnen afzienbare termijn terug aan de rugstreeppad en/of de zandhagedis, aldus verweerder en derde-partij.

11.6

De voorzieningenrechter stelt op grond van vorenstaande vast dat de ontheffing voorziet in blijvende beschadiging of vernieling van maximaal twee hectare aan rust- en voortplantingsplaatsen van de beschermde soorten. Voor de overige gronden (ongeveer acht hectare) geldt dat de beschadiging of vernieling van de rust- en voortplantingsplaatsen een tijdelijk karakter heeft. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de mate waarin de werkzaamheden de rust- of voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad en zandhagedis tijdelijk dan wel blijvend beschadigen of vernielen niet eenduidig volgt uit de tekst van de ontheffing. Verweerder kan deze onduidelijkheid in bezwaar echter eenvoudig herstellen.

11.7

Nu onweersproken is gebleven dat het leefgebied van de ontheven soorten zich uitstrekt over een terrein van grote oppervlakte dat deels is gelegen binnen het circuitgebied en voor het overige direct daarop aansluit (duingebied Kennemerduinen), ziet de voorzieningenrechter in het verlies van twee hectare voorplantings- en overwintergebied geen grond om aan te nemen dat met het verlies van dit beperkte gebied afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de rugstreeppad en zandhagedis. De stelling van verzoeksters dat ten onrechte de omvang van de populaties van de betrokken beschermde soorten ter plaatse niet in beeld is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat ter plaatse rugstreeppadden en zandhagedissen voorkomen. Reeds om die reden is de (bij het bestreden besluit verleende) ontheffing noodzakelijk. Het gaat in dit geval om het beschadigen of vernielen van een beperkt deel van het leefgebied van de populatie ter plaatse, terwijl voldoende vervangend leefgebied voorhanden is. Vaststelling van de omvang van de populatie is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval dan ook niet noodzakelijk.

11.8

Voor wat betreft de overige gronden waarop de in de ontheffing genoemde werkzaamheden worden verricht, stelt de voorzieningenrechter vast dat partijen het oneens zijn over de geschiktheid van die gronden direct na het weer beschikbaar komen daarvan voor de beschermde soorten door het verwijderen van de amfibieschermen. Verweerder stelt zich, ondersteund door Econsultancy, op het standpunt dat de gronden na verwijdering van de amfibieschermen direct geschikt zijn als voortplanting- en overwintergebied voor de ontheven soorten, terwijl verzoeksters, ondersteund door [naam adviesbureau] , zich op het standpunt stellen dat herstelwerkzaamheden nodig zullen zijn om deze gronden weer geschikt te maken.

11.9

Nu de discussie tussen partijen zich ten aanzien van de ongeveer acht hectare overige gronden aldus toespitst op de vraag of na het verwijderen van de amfibieschermen herstelwerkzaamheden aan de hier bedoelde gronden nodig zijn, en is te voorzien dat de bezwaarprocedure eerder is afgerond dan het verwijderen van de amfibieschermen, ziet de voorzieningenrechter geen grond om op dit punt een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven en ook geen reden voor het treffen van de gevraagde voorziening. De vraag of en zo ja, welke herstelwerkzaamheden nodig zijn moet in de bezwaarprocedure worden onderzocht en beoordeeld. Indien en voor zover komt vast te staan dat herstelwerkzaamheden zijn vereist, zullen in bezwaar alsnog daartoe strekkende aanvullende voorschriften aan de ontheffing kunnen worden verbonden. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij daartoe in dat geval ook zal overgaan.

12. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 oktober 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Wet natuurbescherming

Artikel 3.5 (voor zover van belang)

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Artikel 3.8 (voor zover van belang)

1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.

5 Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

(…)

3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.