Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8897

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4704
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

B en W hebben verzoeker gelast zijn schip te verwijderen. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in beroep niet in stand zal kunnen blijven. Het gebruik van de locatie door daar met het schip te wonen en het bedrijf uit te oefenen is in strijd met het bestemmingsplan. Een aanvraag om omgevingsvergunning om de situatie zo mogelijk te legaliseren heeft verzoeker niet ingediend. Hij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij op legalisatie aanspraak kan maken. Verweerder mag met toepassing van de bestemmingsplanregels tot handhaving overgaan. Het belang van verzoeker bij het nog kunnen bewonen en als bedrijf gebruiken van het schip op de locatie is echter zeer aanzienlijk. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die meebrengen dat de met het bestemmingsplan strijdige situatie onmiddellijk tot een einde moet komen. De voorzieningenrechter ziet daarom enerzijds geen grond de last onder dwangsom te schorsen tot vier weken na het nog onbekende moment dat de rechtbank op het beroep zal hebben beslist, maar wel om verzoeker een korte terme de grâce van twaalf weken te verlenen om aan de last te kunnen voldoen zonder dat verzoeker de dwangsom verbeurt.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. D.M. Woelinga, advocaat te Loosdrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 heeft verweerder verzoeker gelast om binnen twaalf weken na dagtekening van het besluit zijn woon/werkschip [het schip] (hierna: het schip) van de locatie Industrieterrein [industrieterrein] en specifiek het terrein van [locatie 1] te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 25.000,--.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 16 mei 2019.

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft verweerder de begunstigingstermijn, de termijn waarbinnen verzoeker aan de last moet voldoen, verlengd tot 4 weken na de dagtekening van de beslissing op het bezwaar.

Bij besluit van 24 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit op 15 oktober 2019 beroep ingesteld.

Verzoeker heeft 18 oktober 2019 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt om schorsing van de last onder dwangsom tot vier weken nadat in beroep uitspraak zal zijn gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019. Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. [naam 1] , jurist bij de gemeente, vergezeld van [naam 2] .

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van het volgende feiten. Verzoeker is eigenaar van het schip. Hij gebruikt het schip als woon- en bedrijfsruimte. Hij legt zich toe op de demontage van polyester boten. Het schip kan, bij gebreke van een motor, niet zelfstandig varen. Sinds 2001 heeft verzoeker met zijn schip in wateren in Enkhuizen gelegen. Hem is nimmer toestemming of vergunning verleend om permanent in de gemeente ligplaats te hebben. Voor de periode 2013 tot 1 augustus 2018 heeft verweerder hem een perceel water nabij de [locatie 2] in Enkhuizen als ligplaats (onder)verhuurd. Rijkswaterstaat heeft een watervergunning en een ontheffing verleend. Verweerder heeft hem op 29 mei 2013 een tijdelijke omgevingsvergunning - geldig tot 1 juli 2018 - verleend voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan van het waterperceel en het innemen van ligplaats met het schip op dat perceel. Verweerder en de eigenaar van het perceel water, de Staat, waren niet bereid verzoeker langer dan tot 1 augustus 2018 toestemming of vergunning te verlenen voor het laten liggen en het voor wonen en werken gebruiken van het schip op die plaats. Op 1 augustus 2018 heeft verzoeker het schip enkele honderden meters verplaatst naar een perceel water aan de kade bij [locatie 1] (hierna aangeduid als: de locatie). Het water is onderdeel van het Markermeer. Het bedrijfsterrein van [locatie 1] is onderdeel van het industrieterrein [industrieterrein] in Enkhuizen . Op de locatie is van toepassing het bestemmingplan IJsselmeer/Markermeer. In het bestemmingsplan is de locatie bestemd voor – samengevat – enerzijds doeleinden van landschap en natuur (het waterecosysteem IJsselmeer en Markermeer) en anderzijds sociaal-economische en sociaal-culturele doeleinden, waaronder beroepsscheepvaart en recreatie, maar uitgezonderd verblijfsrecreatie. Onder de bestemming is niet begrepen bedrijfsmatig gebruik of gebruik als woning. Bij brief van 11 februari 2019 heeft verweerder aan verzoeker zijn voornemen kenbaar gemaakt de last onder dwangsom op te leggen.

4. Verweerder heeft aan de last ten grondslag gelegd, dat eiser met het plaatsen en gebruiken van het schip op die locatie in strijd handelt met het bestemmingsplan en daarmee artikel 2.1, eerste lid, aanhef en sub c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) overtreedt. Hij acht zich daarom bevoegd tot handhaving over te gaan. Hij wijst er op dat de gemeente en de Staat (Rijkswaterstaat) indertijd hebben meegewerkt aan de tijdelijke oplossing nabij de [locatie 2] en dat met verzoeker is besproken dat hij die vijf jaren diende te gebruiken voor het vinden een andere oplossing voor zijn woonsituatie en zijn werkzaamheden. De gemeente wil niet meewerken aan een nieuwe (tijdelijke) gedoogsituatie. Ter zitting heeft verweerder voorts meegedeeld dat hij geen mogelijkheid ziet voor verzoeker om met het schip in de gemeente ligplaats te hebben om er in te wonen en zijn werk voort te zetten. Ook ziet verweerder geen mogelijkheid de met de Wabo strijdige situatie te legaliseren, enerzijds omdat de Staat als eigenaar van de locatie geen toestemming voor de ligplaats heeft verleend en anderzijds omdat verweerder niet bereid is mee te werken aan afwijking van het bestemmingsplan.

5. Verzoeker legt aan het verzoek ten grondslag dat hij een zeer groot belang heeft bij de ligplaats voor zijn schip op de locatie om daar te wonen met zijn veertienjarige zoon, die in het kader van een omgangsregeling een derde van de tijd bij hem verblijft, en om zijn bedrijf uit te oefenen. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte er voor heeft gekozen om op grond van de Wabo te handhaven, omdat daarbij alleen ruimtelijk relevante overwegingen een rol mogen spelen. Daaronder valt niet het zonder vergunning afmeren van een vaartuig. Verweerder gebruikt zijn bevoegdheid daarom voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven. Hij wijst er in dit verband op dat de Havenverordening Enkhuizen 2016 (hierna: Havenverordening) van toepassing is, omdat de locatie openbaar vaarwater in de zin van deze verordening betreft. Als verweerder al redenen zou hebben om op te treden tegen het zonder vergunning afmeren van het schip, dan moet verweerder de Havenverordening toepassen. Daarnaast voert verzoeker aan dat het gebruik van de locatie als ligplaats voor het schip om daar te wonen en zijn bedrijf te voeren voor legalisatie in aanmerking komt. Hij wijst er in dit verband op dat ook voor de ligplaats nabij de [locatie 2] indertijd een omgevingsvergunning is verleend en de (planologische) argumenten die toen voor die plek aanleiding waren in afwijking van het bestemmingsplan vergunning te verlenen, ook voor de locatie van toepassing zijn.

6. Er is aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het bestreden besluit naar voorlopig oordeel in beroep geen stand zal houden. Daarnaast kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening als het belang van verzoeker daarbij aanzienlijk groter is dan het belang van verweerder om de last onmiddellijk te effectueren.

7. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog in de door verzoeker in deze procedure aangedragen argumenten geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in beroep niet in stand zal kunnen blijven. Niet is in geschil dat het gebruik van de locatie door daar met het schip te wonen en het bedrijf uit te oefenen in strijd is met het bestemmingsplan. Nog daargelaten dat verzoeker sedert 11 februari 2019, toen hij bekend werd met het voornemen van verweerder om te gaan handhaven geen aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend om de situatie zo mogelijk te legaliseren, heeft hij tegenover het standpunt van verweerder dat vergunningverlening niet in de rede ligt vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat hij op legalisatie ook aanspraak kan maken. Dat hem eerder een tijdelijke vergunning voor de ligplaats bij de [locatie 2] was verleend, is niet toereikend voor de conclusie dat het schip ook op de locatie dient te worden gelegaliseerd. Voorts valt niet in te zien dat de Havenverordening er in verzoekers situatie aan in de weg zou staan dat verweerder van zijn handhavingsbevoegdheid gebruik maakt. Het enkele feit dat op de locatie gelet op de definitie van openbaar vaarwater in de toepassingsbepaling (artikel 1.2) de Havenverordening van toepassing is, is daarvoor niet doorslaggevend. Dat in de Havenverordening een ligplaats(vergunnings)stelsel is opgenomen, alsmede een vergunningsstelsel voor gebruik van schepen als woonverblijf, betekent ook niet dat verweerder niet handhavend zou mogen optreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik door verzoeker.

8. Het belang van eiser bij het nog kunnen bewonen en als bedrijf gebruiken van het schip op de locatie is echter zeer aanzienlijk. Er is niet gebleken dat verzoeker reeds thans, althans op heel korte termijn, elders kan wonen en zijn bedrijf voortzetten. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die meebrengen dat de met het bestemmingsplan strijdige situatie onmiddellijk tot een einde moet komen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7 en 8 is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen grond de last onder dwangsom te schorsen tot vier weken na het nog onbekende moment dat de rechtbank op het beroep zal hebben beslist, maar wel om verzoeker een korte terme de grâce te verlenen om aan de last te kunnen voldoen zonder dat hij de dwangsom verbeurt. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen zoals hieronder in het dictum uiteengezet. Op basis van deze uitspraak kan verzoeker -zonder dat hij een dwangsom verbeurt- met zijn schip ligplaats innemen op de locatie Industrieterrein [industrieterrein] bij het terrein van [locatie 1] voor een periode van twaalf weken na heden. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat hij zich niet kan uitspreken over de vraag of verzoeker een oplossing moet zoeken in een (elders) wel toegestane plek om in het schip te wonen en/of zijn bedrijf uit te oefenen, dan wel dat hij een oplossing zonder het schip zal moeten zoeken.

11. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt hij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

12. Tot slot zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit alsmede de last onder dwangsom van 18 april 2019 tot twaalf weken na heden, zodat verzoeker tot twaalf weken na heden de dwangsom niet verbeurt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1024,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    wijst het meer of anders verzochte af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.