Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8877

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
7870233
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet is ongeldig, omdat het niet onverwijld is gegeven en daarvoor geen dringende reden bestond. Aan werknemer wordt onder meer een billijke vergoeding van € 12.500,00 bruto toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1125
PS-Updates.nl 2019-1242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 7870233 \ AO VERZ 19-44

Uitspraakdatum: 8 oktober 2019

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. P.I. Janovitz

tegen

de besloten vennootschap Isoraam Techniek B.V.,

gevestigd te Den Haag

verwerende partij

verder te noemen: Isoraam

gemachtigde: mr. M.G. Evers

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan, onder meer om aan hem een billijke vergoeding toe te kennen en Isoraam te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Isoraam heeft verweer gevoerd.

1.2.

Op 10 september 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun stand-punten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoekster] heeft pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting hebben partijen met brieven van 4 augustus 2019 en 9 september 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1984, is op 1 februari 2019 in dienst getreden bij Isoraam, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en tot en met 31 oktober 2019. [verzoekster] was werkzaam in de functie van isolatiemedewerker, met een salaris van € 1.400,00 netto en € 1.540,00 bruto per maand.

2.2.

Op 1 april 2019 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld bij Isoraam.

2.3.

[verzoekster] is op 29 april 2019 op staande voet ontslagen door Isoraam. Het ontslag op staande voet is bevestigd in een brief van 29 april 2019, waarin onder meer staat:

“Cliënt heeft echter moeten vaststellen dat u vanaf 1 april niet meer op het werk bent

verschenen, u heeft zich niet vooraf en ook niet daarna ziek gemeld en u was volstrekt

onbereikbaar en nu blijkt het dat u bent opgenomen in een afkickcentrum, althans dit heeft

cliënt zeer onlangs van een van uw kennissen vernomen.

U heeft zich ook [kantonrechter: bedoeld is ‘niet’] langs andere weg afgemeld voor uw werk, terwijl cliënt en uw collega’s wel op uw komst op het werk hadden gerekend, met alle problemen van dien.

Cliënt beschouwt dit als werkweigering en ziet hierin een reden een dringende reden om

u op staande voet onverwijld te ontslaan met opgave van redenen.

Door middel van dit schrijven ontslaat cliënt u dan ook heden, met onmiddellijke ingang op

staande voet om de reden dat u zonder toestemming van cliënt niet op het werk bent verschenen terwijl het blijkt dat u op een onbekende datum bent opgenomen om van uw verslaving af te komen. Dat u uberhaupt verslaafd bent had u bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aan cliënt moeten mededelen.”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om aan hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 23.672,00 netto en een gefixeerde schadevergoeding van € 1.400,00 netto. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven. Verder verzoekt [verzoekster] om Isoraam te veroordelen tot betaling van loon en vakantiegeld over de maand april 2019, en tot betaling van € 10.000,00 aan (volledige) proceskosten.

3.2.

Isoraam verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat het ontslag heeft plaatsgevonden op verzoek van [verzoekster] zelf en overigens ook gerechtvaardigd was, nu [verzoekster] ondanks een eerdere waarschuwing zonder reden is weggebleven van zijn werk en sprake was van herhaalde werkweigering. Ook wijst Isoraam erop dat [verzoekster] wekenlang niet te vinden was en dat [verzoekster] bij aanvang van het dienstverband had gegarandeerd dat hij was afgekickt, terwijl hij nadien toch weer met verslavingsproblemen in een kliniek terecht is gekomen.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak met name om de vraag of aan [verzoekster] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of Isoraam moet worden veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Bij de beantwoording van die vraag is in de eerste plaats van belang of het ontslag op staande voet van 29 april 2019 rechtsgeldig is of niet.

4.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.

De wettelijke regels voor ontslag op staande voet staan in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens die regels is zo’n ontslag alleen geldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren.

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Uit de brief van Isoraam van 29 april 2019 blijkt dat het ontslag op staande voet op die datum is gegeven, vanwege werkweigering, althans het niet verschijnen op het werk op 1 april 2019. Dat betekent dat Isoraam op 1 april 2019 al op de hoogte was van de dringende reden die zij aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Isoraam heeft echter vervolgens 28 dagen gewacht voordat tot ontslag is overgegaan. Gelet daarop heeft Isoraam onvoldoende voortvarend gehandeld en (veel) te lang gewacht met het geven van ontslag op staande voet. Het ontslag op staande voet is alleen al daarom niet geldig.

4.5.

Naar de kantonrechter begrijpt, stelt Isoraam dat zij pas op 29 april 2019 ontslag heeft gegeven, omdat de vriendin van [verzoekster] op 25 april 2019 heeft gevraagd om [verzoekster] te ontslaan. Die stelling kan niet leiden tot het oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. Het is immers aan Isoraam om onverwijld tot ontslag op staande voet over te gaan als zij vindt dat zij daarvoor een dringende reden heeft, en niet om daarmee te wachten tot daartoe een verzoek wordt gedaan. Overigens blijkt uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie niet dat de vriendin van [verzoekster] om ontslag op staande voet heeft gevraagd, nog daargelaten of zij een dergelijk verzoek namens [verzoekster] kon doen. In het WhatsApp-bericht van de vriendin staat alleen dat zij een brief wilde ontvangen waarin wordt vermeld dat het dienstverband van [verzoekster] is beëindigd en met ingang van welke datum, omdat [verzoekster] geen loon had ontvangen in april 2019 en de gevraagde brief nodig was voor het aanvragen van een uitkering.

4.6.

De dringende redenen die Isoraam aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, komen erop neer dat [verzoekster] op 1 april 2019 en daarna niet meer op het werk is verschenen, dat hij zich niet heeft ziek gemeld en onbereikbaar was, en is opgenomen in een afkickcentrum.

4.7.

Deze dringende redenen kunnen geen ontslag op staande voet rechtvaardigen. Daarbij is het volgende van belang.

4.8.

Op de zitting heeft Isoraam erkend dat [verzoekster] zich telefonisch op 1 april 2019 heeft ziekgemeld en heeft gezegd dat hij niet op het werk kon komen, omdat hij te maken had met een terugval in zijn drugsverslaving en drugsgebruik. In een WhatsApp-bericht van 1 april 2019 heeft [verzoekster] zelf aan [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ), de bestuurder van Isoraam, laten weten: “... voel mij niet zo lekker onm morgen werken ...”. Ook uit het WhatsApp-bericht van 1 april 2019 van de vriendin van [verzoekster] aan [naam bestuurder] blijkt dat aan Isoraam is meegedeeld dat [verzoekster] een week is opgenomen in een verslavingskliniek. In een WhatsApp-bericht van 8 april 2019 schrijft de vriendin van [verzoekster] aan [naam bestuurder] dat de verslaving van [verzoekster] “een ziekte” is, waarop [naam bestuurder] antwoordt: “Ja zeker ik hoop ook dat hij snel hulp krijgt ...” Op 9 april 2019 deelt de vriendin in een WhatsApp-bericht aan [naam bestuurder] mee dat [verzoekster] met een team bezig is aan een behandeling, waarbij zij vraagt of [naam bestuurder] op de hoogte wil worden gehouden. Daarop antwoordt [naam bestuurder] : “Zeker laat me weten hoe het gaat”, en: “Na een tijdje als hij beter is kan hij weer werken bij mij”. Op 20 april 2019 volgt een WhatsApp-bericht van de vriendin dat [verzoekster] is opgenomen en aan het bijkomen is, en over een paar dagen contact zal opnemen, waarop [naam bestuurder] reageert met: “Dat is goed”. Daarnaast volgt uit de overgelegde verklaring van [naam 1] , jobcoach van de GGZ, dat zij samen met [verzoekster] op 5 april 2019 een gesprek heeft gehad met [naam bestuurder] , waarin is uitgelegd dat de verslaving van [verzoekster] een ziekte is.

4.9.

Gelet op het voorgaande staat vast dat [verzoekster] zich op 1 april 2019 ziek heeft gemeld, dat die ziekmelding nadien een aantal malen is herhaald, dat dit door Isoraam ook is erkend en onderkend, en dat [verzoekster] steeds bereikbaar is geweest via zijn vriendin en de jobcoach. De door Isoraam gestelde dringende redenen, te weten dat [verzoekster] zich op 1 april 2019 en daarna niet heeft ziek gemeld en onbereikbaar was, hebben zich dus niet voorgedaan en zijn feitelijk onjuist.

4.10.

Ook van de door Isoraam gestelde werkweigering is geen sprake. Immers, niet betwist is dat [verzoekster] vanaf 1 april 2019 wegens ziekte verhinderd is zijn werk te verrichten. Evenmin is betwist de stelling van [verzoekster] dat zijn verslaving als een ziekte moet worden aangemerkt. Overigens heeft Isoraam geen bedrijfsarts ingeschakeld om de ziekmelding door [verzoekster] te (laten) beoordelen of om re-integratie mogelijk te maken.

4.11.

Voor zover Isoraam bedoeld heeft te stellen dat de opname in een verslavingskliniek een dringende reden voor ontslag oplevert, kan zij daarin niet worden gevolgd. Niet betwist is dat [verzoekster] vanaf 1 april 2019 wegens ziekte verhinderd is om te werken en dat hij vanwege zijn ziekte een behandeling heeft ondergaan door onder meer een opname in een verslavingskliniek. Behandeling van de ziekte van [verzoekster] door een dergelijke opname levert geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op. Daarbij merkt de kantonrechter op dat Isoraam overigens bij aanvang van het dienstverband, en anders dan zij in de brief van 29 april 2019 lijkt te stellen, volledig op de hoogte was van het verslavingsverleden van [verzoekster] . Uit de door [verzoekster] overgelegde verslagen en rapportages van [naam 1] en [naam 2] sociaal juridisch dienstverlener en socioloog van GGZ, blijkt dat al ruim vóór aanvang van het dienstverband gesprekken hebben plaatsgevonden tussen onder andere [verzoekster] , [naam bestuurder] en [naam 1] , waarbij ook herhaaldelijk en uitdrukkelijk over de verslavingsproblematiek van [verzoekster] is gesproken.

4.12.

Het ontslag op staande voet is dus ten onrechte gegeven en ongeldig.

4.13.

De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat Isoraam gelet op het onterechte ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt (artikel 7:672 lid 10 BW). Isoraam is een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 1.540,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding zal worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 29 april 2019.

4.14.

Aan [verzoekster] zal ook een billijke vergoeding worden toegekend, omdat het ontslag op staande voet ongeldig is (artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW). Een dergelijk ongeldig ontslag op staande voet is als zodanig al ernstig verwijtbaar, zodat aanspraak kan worden gemaakt op een billijke vergoeding (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113).

4.15.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Verder kan meewegen dat met de billijke vergoeding ook kan worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.16.

Het is ernstig verwijtbaar dat Isoraam een ontslag op staande voet heeft gegeven dat in alle opzichten ongeldig en ondeugdelijk was. Zoals hiervoor is overwogen, is het ontslag veel te laat gegeven en ontbreekt daarvoor een feitelijke grond. Bovendien is het ontslag gegeven terwijl [verzoekster] ziek was en zonder dat Isoraam een bedrijfsarts heeft ingeschakeld om de ziekte en de re-integratiemogelijkheden te beoordelen. Eveneens ernstig verwijtbaar is dat uit eerdergenoemde rapportages van [naam 1] volgt dat Isoraam er bij herhaling op is gewezen dat [verzoekster] niet tewerk moest wordt gesteld in Amsterdam, vanwege het risico op terugval in verslavingsgedrag, maar Isoraam [verzoekster] toch heeft opgedragen om in Amsterdam te gaan werken.

4.17.

De gevolgen van het onterechte ontslag moeten gelet op het voorgaande volledig aan Isoraam worden toegerekend. Dat betekent dat bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding in ieder geval rekening wordt gehouden met het door [verzoekster] gemiste loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst zonder het ontslag nog zou hebben voortgeduurd, te weten het loon over de periode van 29 april 2019 tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 31 oktober 2019. Dat is een bedrag van € 9.979,20 bruto (zes maanden x € 1.540,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantiegeld). Het is niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst eerder dan 31 oktober 2019 zou zijn geëindigd, gelet alleen al op het feit dat [verzoekster] wegens ziekte ongeschikt is voor het verrichten van zijn werk en er daarom sprake is van een opzegverbod. Er zijn geen andere inkomsten over genoemde periode waarmee rekening moet worden gehouden, omdat [verzoekster] na 29 april 2019 van de gemeente een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen, die moet worden terugbetaald zodra [verzoekster] inkomsten verkrijgt.

4.18.

Verder zal de kantonrechter bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding meewegen dat moet worden tegengegaan dat Isoraam ervoor kiest om op deze wijze ontslag op staande voet te geven. Daarnaast kan rekening worden gehouden met enige immateriële schade van [verzoekster] .

4.19.

Het voorgaande leidt ertoe dat de billijke vergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van € 12.500,00 bruto. Daarmee wordt [verzoekster] naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate gecompenseerd. De gevorderde wettelijke rente daarover is verschuldigd vanaf 29 april 2019. Er is geen reden om rekening te houden met de door [verzoekster] gestelde inkomensschade na 31 oktober 2019, omdat niet aannemelijk is dat die schade valt toe te rekenen aan het ontslag op staande voet en het ernstig verwijtbaar handelen van Isoraam.

4.20.

De vordering van [verzoekster] om Isoraam te veroordelen tot betaling van het loon en het vakantiegeld over de maand april 2019 kan worden toegewezen, omdat Isoraam heeft erkend dat dit nog verschuldigd is. De wettelijke verhoging zal daarbij worden gematigd tot 20%. De wettelijke rente daarover is verschuldigd vanaf 30 april 2019.

4.21.

De proceskosten komen voor rekening van Isoraam, omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Isoraam. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van [verzoekster] met toepassing van de ‘Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz’ (gepu-bliceerd op www.rechtspraak.nl) worden vastgesteld op € 720,00. De door [verzoekster] gevorderde volledige vergoeding van advocaatkosten wordt afgewezen. Voor een dergelijke vergoeding is alleen plaats in geval van misbruik van procesrecht (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2017:2360). De kantonrechter moet terughoudend zijn bij het aannemen van een dergelijk misbruik, gelet ook op het voor Isoraam gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, waartoe behoort het recht zich te verdedigen tegen het verzoek van [verzoekster] . Daarvan uitgaande is er onvoldoende grond om te oordelen dat sprake is van misbruik van procesrecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Isoraam om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van
€ 12.500,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 april 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.2.

veroordeelt Isoraam om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.540,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 april 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt Isoraam om aan [verzoekster] het salaris en het vakantiegeld over de maand april 2019 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.4.

veroordeelt Isoraam tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op € 486,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verzoekster] ;

5.5.

verklaart de veroordeling onder punt 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af wat meer of anders is verzocht of gevorderd.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 8 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter