Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8876

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
8022660 VV EXPL 19-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Kort geding. Met (analoge) toepassing van art. 7:267 lid 7 BW bepaalt de kantonrechter dat huurder 1 voor de duur van de (nog aan te vangen) bodemprocedure, met uitsluiting van huurder 2, wordt gerechtigd tot het gebruik van de gezamenlijke huurwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 8022660 \ VV EXPL 19-82

Uitspraakdatum: 3 oktober 2019

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. F. Riezebos

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. R.J.C. Silven

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 3 juli 2019 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 16 september en 18 september 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is verbroken op of rond 17 februari 2019.

2.2.

Partijen hebben een kind, [naam] , geboren op [geboortedatum] . Daarnaast heeft [eiseres] nog een meerderjarige dochter uit een eerdere relatie.

2.3.

Partijen zijn samen huurder van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Zij woonden hier tot 17 februari 2019 gezamenlijk.

2.4.

[naam] staat vanaf 17 april 2009 onder toezicht van een voogd. Sinds medio 2018 woonde [naam] drie dagen per week bij een pleeggezin en overigens bij [eiseres] en [gedaagde] .

2.5.

[eiseres] is op 17 februari 2019 uit de woning vertrokken, na een ruzie met [gedaagde] . [naam] is toen ook uit de woning weggegaan en bij zijn pleegouders gaan wonen.

2.6.

In een beschikking van 28 maart 2019 van de rechtbank Noord-Holland is de ondertoezichtstelling van [naam] verlengd tot 28 maart 2020. Ook is [naam] in een beschikking van dezelfde datum uit huis geplaatst met ingang van 28 maart 2019 en tot 28 september 2019.

2.7.

[eiseres] verblijft tijdelijk in Amsterdam, afwisselend bij verschillende kennissen en vrienden. [gedaagde] is in de woning gebleven.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat [eiseres] voor de duur van de (nog aan te vangen) bodemprocedure met uitsluiting van [gedaagde] wordt gerechtigd tot het gebruik van de woning, en dat [gedaagde] wordt bevolen om de woning te verlaten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de woonsituatie onhoudbaar is geworden en zij niet meer met [gedaagde] onder één dak kan blijven wonen. Volgens [eiseres] heeft zij een groter belang bij het verblijf in de woning dan [gedaagde] en moet het gebruiksrecht van die woning daarom alleen aan haar worden toegewezen.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij de vordering, omdat [eiseres] al langer ergens anders woont, en dat een afweging van belangen ertoe moet leiden dat [gedaagde] in de woning kan blijven. [gedaagde] wijst er daarbij op dat hij gezondheidsproblemen heeft, dat het voor hem niet makkelijk is om vervangende woonruimte te vinden, en dat [eiseres] de huur van de woning niet kan betalen.

4.2.

[gedaagde] vordert op zijn beurt dat de kantonrechter bepaalt dat hij met uitsluiting van [eiseres] gerechtigd wordt tot het gebruik van de woning.

5 De beoordeling

5.1.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, omdat het gaat om een vordering tot toewijzing van het uitsluitend gebruiksrecht van de woning en partijen niet langer samen in de woning kunnen verblijven. Dat [eiseres] ruim zeven maanden geleden uit de woning is vertrokken, doet daaraan niet af. Partijen zijn immers nog steeds samen huurder van de woning en in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) kan niet op korte termijn duidelijkheid worden verkregen over de vraag wij vooralsnog in de woning mag blijven wonen.

5.2.

Verder wijst de kantonrechter erop dat voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

Op grond van artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Uit dit artikel volgt dat de rechter een vordering alleen toewijst, als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Dit artikel kan ook worden toegepast in deze zaak, waar [eiseres] en [gedaagde] gezamenlijk huurder zijn van de woning.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat het bij de vraag aan wie het gebruiksrecht van de woning moet worden toegewezen, om een belangenafweging gaat. De billijkheid bedoeld in artikel 7:267 lid 7 BW brengt dat mee. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] onder de huidige omstandigheden een groter belang bij het uitsluitend gebruik van de woning dan [gedaagde] . Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.6.

Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat [eiseres] sinds het incident tussen partijen in februari 2019 en de uithuisplaatsing van [naam] in maart 2019 intensief contact en omgang heeft met [naam] . Dat contact en die omgang kunnen makkelijker en beter plaatsvinden als [eiseres] in de woning verblijft, omdat die woning op loopafstand ligt van het huis van de pleegouders van [naam] , waar hij verblijft. Daarnaast kan een vaste woon- of verblijfplaats van [eiseres] het contact met [naam] ook bevorderen. [gedaagde] heeft veel minder contact en omgang met [naam] . Uit de overgelegde brief van de jeugdzorgwerker blijkt dat [gedaagde] niet of nauwelijks bij [naam] komt en dat er in een periode van twee maanden helemaal geen contact is geweest. [naam] heeft [gedaagde] onlangs bezocht in het ziekenhuis, maar dat contact is kennelijk tot stand gekomen op initiatief van [naam] . [gedaagde] is ook niet op de zitting verschenen om toe te lichten waaruit zijn contact met [naam] heeft bestaan. Onder die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat [eiseres] een groter belang heeft bij de woning, gelet op het feit dat zij vaker en intensiever omgang heeft met [naam] .

5.7.

De kantonrechter neemt aan dat het voor beide partijen niet eenvoudig is om andere woonruimte te vinden. Gelet echter op het inkomen van partijen heeft [gedaagde] daartoe in ieder geval meer mogelijkheden. Zijn inkomen van ongeveer € 2.000,00 netto per maand is immers aanzienlijker hoger dan het inkomen van [eiseres] van ongeveer € 1.400,00 netto per maand. Aannemelijk is dat er met het inkomen van [gedaagde] nog mogelijkheden zijn om op de particuliere markt een woning te huren, terwijl dat met het inkomen van [eiseres] veel moeilijker is.

5.8.

De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] de huur van de woning niet kan betalen, treft geen doel. [eiseres] heeft op de zitting toegelicht dat zij van de verhuurder, een sociale woningcorporatie, informatie heeft gekregen dat de huur van de woning in beperkte mate verlaagd kan worden, zodat zij in aanmerking komt voor huurtoeslag. Ook als dat niet het geval zou zijn, is voldoende aannemelijk dat de dochter van [eiseres] bereid is om bij haar in te komen wonen en mee te betalen aan de huur, zoals die dochter op de zitting heeft verklaard.

5.9.

De kantonrechter weegt verder mee dat [gedaagde] niet op de zitting is verschenen, waardoor hij niet zelf vragen heeft kunnen beantwoorden en niet zelf informatie heeft kunnen geven over zijn belangen bij het gebruik van de woning.

5.10.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal toewijzen en de tegenvordering van [gedaagde] zal afwijzen. De door [eiseres] gevorderde dwangsom ten aanzien van het bevel aan [gedaagde] om de woning te verlaten, wordt afgewezen. Dat bevel komt neer op een veroordeling tot gedwongen ontruiming. In geval van een gedwongen ontruiming kan [eiseres] dit vonnis ten uitvoer (laten) leggen met toepassing van de artikelen 555 en 556 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij die gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Een dwangsom is daarvoor niet nodig, [eiseres] heeft niet gesteld waarom zij naast de genoemde wettelijke mogelijkheden nog belang heeft bij het opleggen van een dwangsom.

5.11.

Omdat de zaak speelt tussen ex-partners, zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

bepaalt dat [eiseres] voor de duur van de (nog aan te vangen) bodemprocedure, met uitsluiting van [gedaagde] , wordt gerechtigd tot het gebruik van de woning aan de [adres] ;

6.2.

bepaalt en beveelt dat [gedaagde] de woning aan de [adres] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis moet verlaten en de woning niet meer mag betreden (zonder toestemming van [eiseres] );

6.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

de tegenvordering

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J.J. Idzenga als griffier.

De griffier De kantonrechter