Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8873

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2455
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:4 CAR/UWO is voldaan. Verzoek om vergoeding van schade is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2455

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W.C. van Kleef),

en

het dagelijks bestuur van de GGD Zaanstreek-Waterland, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres eervol ontslag verleend met ingang van 1 mei 2017 wegens volledige arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 8:4 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).

Bij besluit van 24 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] , leidinggevende.

Overwegingen

1.1

Eiseres was sinds augustus 2010 werkzaam als [functie] bij de GGD Zaanstreek-Waterland voor 30 uur per week. Zij is op 31 maart 2014 uitgevallen met psychische klachten (burn-out verschijnselen). Eiseres is in juni 2014 gestart met re-integratie in aangepast werk voor drie uur per dag, waarbij de bedrijfsarts, [bedrijfsarts 1] , een tijdcontingente opbouw in uren aangewezen achtte. Omdat eiseres zich niet kon vinden in dit oordeel van de bedrijfsarts heeft zij een deskundigenoordeel gevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Uit het deskundigenoordeel van 8 juli 2014 volgt dat de aangeboden werkzaamheden als het gaat om de urenopbouw niet passend zijn; eiseres wordt wel belastbaar geacht voor drie uur per dag in aangepast werk. De bedrijfsarts heeft vervolgens geadviseerd conform het deskundigenoordeel van Uwv en aangegeven dat eiseres drie uur per dag belastbaar is voor aangepast werk, totdat overleg is geweest met de behandelaar.

1.2

De bedrijfsarts heeft op 9 september 2014 geadviseerd tot hervatting in eigen werk per
1 oktober 2014 voor vier halve dagen per week. Eiseres achtte zich daartoe nog niet in staat en heeft zich op 1 oktober 2014 weer volledig arbeidsongeschikt gemeld.

1.3

In december 2014 is met eiseres de afspraak gemaakt dat zij hervat in passende werkzaamheden, te beginnen met vier uur per dag, met een tijdcontingente opbouw in uren. Eiseres is hiermee ‘onder protest’ akkoord gegaan.

1.4

In het voorjaar van 2015 laat verweerder arbeidskundig onderzoek verrichten naar de geschiktheid voor het eigen werk en naar de mogelijkheden voor duurzame re-integratie in het eerste en tweede spoor. Door de ingeschakelde arbeidsdeskundige van [naam 2] b.v. wordt geconcludeerd dat eiseres nog niet in staat is om het eigen werk in de volle omvang uit te voeren, maar dat volledige terugkeer in het eigen werk nog wel tot de mogelijkheden behoort. Voorts wordt geconcludeerd dat het eigen werk niet beter passend is te maken en binnen de eigen organisatie geen ander passend werk structureel beschikbaar is. Omdat niet aannemelijk is dat eiseres binnen drie maanden volledig hersteld zal zijn, wordt geadviseerd om naast het re-integreren in het eigen werk in te zetten op het tweede spoor. Verweerder heeft vervolgens een extern re-integratiebureau ( [naam 3] ) ingeschakeld voor de begeleiding. Eiseres heeft het plan van aanpak getekend ‘onder protest’.

1.5

Per 3 augustus 2015 heeft eiseres zich ziekgemeld met een hersenschudding na een val. Op advies van de bedrijfsarts hervat eiseres medio september 2015 in passend werk. De voorgenomen opbouw in uren (tot vier uur per dag) is meerdere malen aangepast, omdat die niet haalbaar bleek. Per 16 november 2015 heeft eiseres een tijdelijke baan gekregen als [functie] via [naam 4] Bv voor twintig uur per week. In december 2015 adviseert verweerder eiseres om een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in te dienen. Op 8 december 2015 heeft bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] een actueel oordeel gegeven in het kader van een WIA-aanvraag. Daarbij is onder meer aangegeven dat de beperkingen niet meer aanwezig zijn, dat sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen en een moeizame en langdurige re-integratie.

1.6

In januari 2016 rapporteert de nieuwe bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] dat eiseres op dat moment duurzaam inzetbaar is voor twintig uur per week, met de verwachting dat een opbouw naar dertig uur mogelijk is en op termijn ook duurzaam haalbaar zal zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat duurzame inzetbaarheid bij de eigen werkgever bemoeilijkt wordt door de arbeidsverhoudingen en gebeurtenissen in het verleden. Het advies luidt daarom om er een onafhankelijke derde (mediator) bij te betrekken conform de STECR richtlijnen.

1.7

Op 19 januari 2016 heeft eiseres een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het Uwv verweerder de verplichting tot loondoorbetaling opgelegd tot 27 maart 2017, omdat verweerder onvoldoende heeft gedaan om eiseres te re-integreren. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat sprake is van stagnatie in de re-integratie door een arbeidsconflict en dat verweerder alsnog aan de slag moet met het oplossen van dit conflict. Naar aanleiding hiervan heeft op 13 april 2016 een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Daarin is afgesproken zaken uit het verleden te laten rusten. Eiseres heeft aangegeven een goed gevoel te hebben bij de nieuwe bedrijfsarts en afgesproken is dat mediation verder niet nodig is.

1.8

In juli 2016 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een medische expertise te laten verrichten bij [naam 5] , om meer inzicht te krijgen in de redenen van stagnatie van de re-integratie. Op 15 augustus 2016 is eiseres weer volledig uitgevallen. Zij heeft in eerste instantie haar medewerking aan het onderzoek door [naam 5] geweigerd, maar heeft later alsnog medewerking verleend. [naam 5] heeft op 22 december 2016 gerapporteerd. Door de verzekeringsarts van [naam 5] is geconcludeerd dat er arbeidsmogelijkheden zijn, maar dat die pas kunnen worden benut als de herstelbelemmerende factoren worden weggenomen.

De bedrijfsarts heeft de rapportage met eiseres op het spreekuur 24 januari 2017 besproken en een mediationtraject geadviseerd. Eiseres heeft vervolgens aangegeven alleen onder voorwaarden bereid te zijn mee te werken aan mediation.

1.9

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft het Uwv aan eiseres met ingang van 27 maart 2017 op grond van de Wet WIA een WGA (LGU)-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% (82,28%). Eiseres wordt door arbeid beperkende psychische klachten ongeschikt geacht voor haar eigen werk. Op basis van een theoretische schatting is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 82,28%. De verzekeringsarts verwacht dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren. Een medisch heronderzoek wordt gepland over een jaar.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres eervol ontslag verleend met ingang van 1 mei 2017 wegens volledige arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 8:4 van de CAR/UWO. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiseres heeft het bestreden besluit op hierna te bespreken gronden bestreden. Verder heeft eiseres verzocht verweerder, naast een veroordeling in de proceskosten, te veroordelen tot volledige vergoeding van de (im)materiële schade, begroot op € 100.240,-, die zij heeft geleden en thans nog zal lijden als gevolg van de aangevallen besluitvorming en de noodzakelijk kosten voor juridische bijstand die zij heeft moeten maken om het tij te keren.

4. In artikel 8:4, eerste en tweede lid, van de CAR/UWO is bepaald dat ontslag aan de ambtenaar kan worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid (voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering) voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. In het derde lid van dit artikel is vastgelegd dat ontslag als hier bedoeld slechts mag plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden. Op grond van het vierde lid van dit artikel betrekt het college bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de Wet WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling. Op grond van het tiende lid, aanhef en onder b, wordt de termijn van 24 maanden als bedoeld in het derde lid verlengd met de duur van het tijdvak dat het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA heeft vastgesteld, in het geval dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht door het college (de zogenoemde loonsanctie).

5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres op de ontslagdatum van

1 mei 2017 36 maanden (24 maanden verlengd met de duur van het door het Uwv bepaalde tijdvak van 12 maanden waarover eiseres recht had op loondoorbetaling) volledig ongeschikt was voor het vervullen van haar eigen functie en dat aan haar een WGA-uitkering is toegekend voor 80% of meer. Voorts blijkt dat verweerder bij de besluitvorming het resultaat van de WIA-claimbeoordeling in aanmerking heeft genomen. Aan de ontslagvereisten van de CAR/UWO is daarmee voldaan.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerder voldoende inspanningen heeft verricht om eiseres te re-integreren of te herplaatsen in passende arbeid en in dit geval in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid ontslag te verlenen.

6. Eiseres heeft in beroep in de kern aangevoerd dat verweerder zich, kort gezegd, niet als goed werkgever heeft gedragen. Eiseres stelt dat zij haar klachten veelvuldig heeft aangekaart, maar dat die door verweerder stelselmatig zijn genegeerd en nooit serieus zijn beoordeeld. Zij voelt zich door verweerder in een onmogelijk rechtspositioneel keurslijf gedwongen, mede op grond van een niet op een deugdelijk medisch oordeel gebaseerd advies van de (eerste) bedrijfsarts. Verweerder heeft ondanks het duidelijke deskundigenoordeel uit 2014 en de loonsanctie in 2016 het ingezette traject voortgezet. Bovendien is door de opgevoerde druk om mee te werken aan het onderzoek door [naam 5] bij haar een terugval opgetreden met als gevolg stagnering van de re-integratie, terwijl het op basis van het rapport van [naam 5] ingezette mediationtraject vervolgens daags na het WIA-besluit is gestaakt.

7. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden niet als zodanig zijn te bestempelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken. Het herplaatsingsonderzoek in het eerste en tweede ziektejaar vertoonde tekortkomingen. Dat volgt uit het deskundigenoordeel uit juli 2014 en de uitkomst van de beoordeling door het Uwv van de re-integratie-inspanningen, wat heeft geleid tot oplegging van een loonsanctie. Echter, ook is gebleken dat de bedrijfsarts en verweerder de oordelen en adviezen van het Uwv niet naast zich neer hebben gelegd, maar direct hebben opgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder niet op een voldoende wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn verplichtingen in het kader van de re-integratie en heeft geprobeerd tekortkomingen te herstellen. Per 1 januari 2016 was een andere bedrijfsarts ingeschakeld, met wie eiseres wel een beter contact had en in de loop van het derde ziektejaar is de begeleiding in het tweede spoor voortgezet, via [naam 3] . Ook heeft verweerder op instigatie van de bedrijfsarts een onderzoek laten uitvoeren door het onderzoeksbureau [naam 5] . Voor het oordeel dat verweerder eiseres onder een ontoelaatbare druk zou hebben gezet, zoals eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank op basis van de stukken geen enkele aanleiding. Verweerder heeft uitvoering gegeven aan zijn wettelijke verplichtingen. Bovendien volgt niet uit de stukken dat het stagneren van de re-integratie eenzijdig aan verweerder is wijten. Het niet van de grond komen van de re-integratie van eiseres berustte ook op medische gronden en de opstelling van eiseres. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het primaire besluit sprake was van een duidelijk zicht op volledig herstel van eiseres. Ook gelet op de opstelling van eiseres ten aanzien van een nog in te zetten mediationtraject, lag het niet de lijn van de verwachtingen dat dit op korte termijn anders zou zijn. Geconcludeerd wordt dan ook dat niet gezegd kan worden dat verweerder in redelijkheid nog geen toepassing kon geven aan zijn ontslagbevoegdheid.

8. Nu de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Eiseres heeft in beroep tevens verzocht om veroordeling van verweerder in de volledige kosten van de schade die eiseres heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de bestreden besluitvorming. Ook verzoekt eiseres om volledige vergoeding van de noodzakelijke kosten voor juridische bijstand.

De rechtbank begrijpt dat eiseres hiermee een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 in samenhang met artikel 8:91 van de Awb doet. Nu niet is gebleken van een onrechtmatig besluit, ziet de rechtbank geen grond voor een schadevergoeding. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, voorzitter, en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr.dr. J. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.