Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8824

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV. In geschil is de omvang van de winst uit aanmerkelijk belang. De rechtbank overweegt dat de navorderingsaanslag zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk afwijkt van de ingediende aangifte en overeenkomstig opgelegde definitieve aanslag. De vereiste aangifte is niet gedaan. Dit leidt tot omkering van de bewijslast. Eiseres moet overtuigend aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Hierin is zij niet geslaagd. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-11-2019
V-N Vandaag 2019/2472
FutD 2019-2902
V-N 2019/60.5 met annotatie van Redactie
V-N 2019/60.21.2
NTFR 2019/2817
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3539

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: mr. I. de Roos)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € nihil, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 183.362 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € nihil. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 4.021 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019 te Haarlem. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak, kenmerk HAA 18/2904, van [A] , echtgenoot van eiseres. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R. Moolenburgh vergezeld van

P.W.A. Ostendorf.

Overwegingen

Feiten

1. De echtgenoot van eiseres is afgestudeerd in een technische studierichting. Begin jaren 90 van de vorige eeuw heeft de echtgenoot van eiseres een vertaalbureau opgezet in de vorm van een eenmanszaak. Sedertdien heeft hij met werkzaamheden als tolk/vertaler in zijn levensonderhoud voorzien.

2. In 1999 is de eenmanszaak van eiseres echtgenoot fiscaal geruisloos ingebracht in een B.V. genaamd [B] B.V. (hierna: [B] B.V), oprichtingsdatum 29 maart 1999. Bij oprichting zijn 95 aandelen van ieder ƒ 1.000 nominaal uitgegeven aan de echtgenoot. Hij is steeds enig aandeelhouder van [B] B.V. geweest en heeft daarin dus een aanmerkelijk belang gehad.

3. Uit de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: vpb) 2004 van [B] B.V. blijkt dat sprake is geweest van een zogeheten geruisloze inbreng. Het fiscaal gestorte kapitaal € 9.076 bedraagt en wijkt derhalve af van het civielrechtelijk geplaatste kapitaal van € 43.109 (= ƒ 95.000). In de uitspraak op bezwaar is van deze gegevens uitgegaan en is de verkrijgingsprijs van de echtgenoot voor zijn aanmerkelijk belang in [B] B.V. op € 9.076 gesteld.

4. De fiscale winstreserves van [B] B.V. bedroegen volgens de aangifte vpb 2010

ultimo 2010 € 314.868.

5. Volgens opgaaf van de gemachtigde bedroeg de rekening-courantschuld van de echtgenoot van eiseres aan [B] B.V. per 1 januari 2011 € 216.256. De aangifte vpb 2010 van [B] B.V. vermeldt per ultimo 2010 een bedrag van € 232.257 aan ‘vorderingen op groepsmaatschappijen’.

6. Over de rekening-courantschuld van de echtgenoot van eiseres aan [B] B.V. is in ieder geval na 2000 nimmer rente berekend.

7. Op 17 januari 2011 mailt de echtgenoot van eiseres aan zijn toenmalige adviseur [C] dat hij eind 2010 gelden van privérekeningen heeft overgemaakt om, aldus de echtgenoot van eiseres, “mijn schulden bij de BV deels terug te betalen.” Wat later, op 26 januari 2011, mailt hij in dit verband: “Ik had schulden bij de BV. Nu is een deel afgelost.” De aflossing uit 2010 blijkt ook uit de bijlage 1 bij het beroepschrift.

8. Verder had [B] B.V. een pensioenverplichting jegens de echtgenoot van eiseres met een fiscale boekwaarde ultimo 2010 van € 52.699. Van deze pensioenverplichting is nooit een schriftelijke al dan niet ondertekende vastlegging overgelegd.

9. In 2011 was eiseres gehuwd met de heer [A] en was sprake van fiscaal partnerschap.

10. In de zomer van 2011 is eiseres vanuit [D] naar Nederland geremigreerd; volgens opgave van de Gemeentelijke Basisadministratie is zij op 10 oktober 2011 ingeschreven.

11. Eiseres en haar echtgenoot hebben tijdens de periode van hun verblijf te [D] de woning aan de [E] aangehouden. Het laatste adres voor vertrek naar [D] is gelijk aan het adres na terugkomst naar Nederland.

12. Op 19 december 2011 heeft de echtgenoot van eiseres al zijn aandelen in [B] B.V. verkocht voor een bedrag van € 419.425 aan de Stichting [F] ; een derde. De koopsom werd voor een bedrag groot € 419.424 voldaan door overname door de koper van de rekening-courantschuld die eiser op dat moment aan [B] B.V. had.

13. [B] B.V. heeft in 2011 geen inkomsten meer gegenereerd.

14. Niet gebleken is dat ten tijde van de overdracht van de aandelen enige nadere afspraak met de koper is gemaakt over de naleving door [B] B.V. van de jegens de echtgenoot van eiseres bestaande pensioenverplichting.

15. [B] B.V. heeft geen aangiften vennootschapsbelasting ingediend over de jaren 2011 en daarna.

16. Over de inkomens- en vermogenspositie van de echtgenoot van eiseres kan nog het volgende worden opgemerkt. In 2008 heeft hij onroerende zaken in [D] gekocht. In zijn aangifte IB/PVV 2012 maakt hij melding van bezit van onroerende zaken te [D] voor een waarde van € 175.000 zonder enige daarmee corresponderende schuld. Volgens dezelfde aangifte heeft de echtgenoot van eiseres in 2012 een winstinkomen van bijna € 48.000 gegenereerd. In 2015 heeft hij, blijkens de tot de gedingstukken behorende berichten via e-mailverkeer, ten behoeve van de ontvanger een bankgarantie van € 70.000 af te geven. Uit de door de echtgenoot van eiseres ingediende aangifte IB/PVV over het jaar 2016 blijkt dat de echtgenoot van eiseres in 2016 ruim € 92.000 winst heeft genoten, blijkt hij samen met eiseres over een overwaarde in de eigen woning te beschikken en eveneens samen met zijn fiscale partner aangifte te doen van een belastbaar vermogen in box 3 van meer dan € 380.000.

Geschil
17. Partijen houdt verdeeld de omvang van de winst uit aanmerkelijk belang in het jaar 2011.

18. Eiseres heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de in geding zijnde navorderingsaanslag beperkt dient te blijven tot een bedrag aan niet-verantwoorde inkomsten uit aanmerkelijk belang ad € 28.039 voor de gezamenlijke fiscale partners. De (toename van de) rekening-courantschuld is in eerdere jaren als dividend genoten. Een vastlegging waaruit blijkt dat sprake is van lening in fiscale zin met rentebetaling, aflossingsschema en het stellen van zekerheden ontbreekt. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 28.039, te belasten tegen een tarief van 25 percent, met vergoeding van proceskosten rechtens.

19. Verweerder heeft zich – eveneens zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat eiseres niet de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft gedaan omdat zowel in absolute zin als relatief de aangifte naar een te laag bedrag aan inkomsten en derhalve aan verschuldigde belastingen is gedaan. De verkoop van aandelen [B] B.V. in 2011 heeft geleid tot winst uit aanmerkelijk belang in de vorm van een vervreemdingsvoordeel zoals dat volgt uit de prijs in de verkoopovereenkomst. Daarnaast heeft eiseres winst uit aanmerkelijk belang (regulier voordeel) genoten door het niet-voldoen door de echtgenoot van eiseres van rente op de schuld in rekening-courant met [B] B.V. over het jaar 2011. Beide voordelen zijn over eiseres en haar echtgenoot bij helfte verdeeld, overeenkomstig artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

20. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Niet doen van de vereiste aangifte; omkering en verzwaring van de bewijslast

21. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWR is een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.

22. Ingevolge artikel 25, derde lid, van de AWR wordt – voor zover hier van belang – indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan, bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is (de zogenoemde omkering van de bewijslast).

23. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Op grond van artikel 25 van de AWR heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

24. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vgl. Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731). Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, moeten aan die belastingplichtige worden toegerekend (vgl. Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663). Omkering en verzwaring van de bewijslast ten gevolge van het niet doen van de vereiste aangifte treft de gehele aanslag (vgl. Hoge Raad 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4441).

25. De rechtbank overweegt dat de opgelegde navorderingsaanslag zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk afwijkt van de ingediende aangifte en de overeenkomstig opgelegde definitieve aanslag. Eiseres heeft over het jaar 2011 aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van € nihil. De gemachtigde van eiseres berekent het in aanmerking te nemen voordeel uit vervreemding van het aanmerkelijk belang op € 28.039, terwijl nihil is aangegeven. De volgens eiseres zelf tenminste verschuldigde belasting wijkt derhalve zowel in absolute als relatieve zin aanzienlijk af van de door eiseres aangegeven belasting. Reeds op die grond is de rechtbank van oordeel dat eiseres over de in geding zijnde jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit leidt tot omkering van de bewijslast. De rechtbank zal daarom overeenkomstig artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond verklaren, tenzij is gebleken (dat wil zeggen: overtuigend aangetoond) dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.

Opnamen in rekening-courant; dividend

26. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de opnamen in de rekening-courantverhouding met [B] B.V. over de loop van de jaren als dividend moet worden beschouwd. Ten tijde van de opnamen zijn deze bedragen definitief onttrokken en besteed aan consumptieve doeleinden en de aanschaf van in privé in eigendom gehouden onroerende zaken. De jaren waarin deze opnamen hebben plaatsgevonden zijn niet meer navorderbaar en hebben daarnaast plaatsgevonden tijdens het verblijf metterwoon op [D] zodat in zoverre slechts 15 percent dividendbelasting had kunnen worden geheven, en geen inkomstenbelasting. Eiseres is in die jaren buitenlands belastingplichtige nu zij het middelpunt van haar (gezins)leven naar [D] heeft verplaatst. Eerst in de zomer van 2011 is zij metterwoon naar Nederland teruggekomen. Verweerder heeft dit, behoudens het wonen op [D] en het tijdstip van terugkeer metterwoon, gemotiveerd weersproken. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende, waarbij tevens tot uitgangspunt moet worden genomen dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast ten detrimente van eiseres.

27. De rechtbank gaat bij de beantwoording van het vorenstaande geschilpunt uit van het overzicht van opnamen en stortingen in de rekening-courant zoals deze als bijlage 1 bij het beroepschrift is gevoegd. Daaruit blijkt dat eerst in de jaren 2008 (aanschaf en betalen van op [D] gelegen onroerende zaken) en in 2011 (het jaar van terugkeer metterwoon naar Nederland) er grote bedragen zijn onttrokken. In de andere jaren hebben onttrekkingen en stortingen plaatsgevonden welke naar haar oordeel over en weer relatief bescheiden bedragen betreffen. De rechtbank is van oordeel dat nu de echtgenoot van eiseres en

[B] B.V. in hun onderlinge verhouding de opnamen en stortingen als een rekening-courant hebben aangemerkt deze civielrechtelijke werkelijkheid ook fiscaalrechtelijk als uitgangspunt dient. De partij die zich op het standpunt stelt dat voor fiscale doeleinden een andere kwalificatie aan de opnamen en stortingen moet worden gegeven heeft daarvan de bewijslast. In dat kader merkt de rechtbank op dat de rekening-courant niet op papier is vastgelegd, het niet-voldoen van rente (behoudens een jaar) noch zekerheden zijn bedongen acht de rechtbank niet opwegen tegen het gegeven dat partijen zich voortdurend als schuldenaar en schuldeiser over een reeks van jaren hebben gedragen en dat ook administratief als zodanig hebben vastgelegd. Daaraan doet voorts niet af dat in de aangiften inkomstenbelasting van de echtgenoot van eiseres het aandelenbezit in [B] B.V. en de schuld aan de voormelde vennootschap niet consequent zijn vermeld. Daaraan kan rechtens niet het gevolg worden verbonden dat ter zake van de opnamen geen terugbetalingsverplichting op de echtgenoot van eiseres zou rusten. De administratieve verwerking bij de [B] B.V. en hetgeen in de notariële akte van de levering van de aandelen in [B] B.V. is vastgelegd ondersteunen dat oordeel van de rechtbank. Ook draagt daaraan bij de tot de gedingstukken behorende e-mailberichten en de verklaring bij de FIOD van de echtgenoot van eiseres. Deze laten zien dat hij zich bewust is van een terugbetalingsverplichting hetgeen het onttrekken van gelden ten titel van dividend in beginsel uitsluit. De bewijslast dat sprake is van een uitzondering op deze regel rust op eiseres waaraan zij naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voldaan. In de jaren anders dan 2008 en 2011, is de stand van de schuld in rekening-courantverhouding op zichzelf bezien en in relatie tot het salaris aanvaardbaar te achten. Vaststaat dat de echtgenoot van eiseres door koper van de aandelen in [B] B.V. tot het nominale bedrag van de schuld in rekening-courant is bevrijd. Mitsdien is er geen reden om de onttrekkingen als dividend te beschouwen.

28. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de echtgenoot van eiseres en zij (als fiscale partners) zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen kan worden afgeleid, voldoende solvabel zijn om de schulden terug te betalen. Voorts wijst de rechtbank op het gegeven dat de echtgenoot van eiseres onroerende zaken in 2008 (aanbetaling in 2007) op de Antillen heeft gekocht met opnamen in de rekening-courantverhouding welke onbezwaard zijn en tot zijn privé-eigendom in box 3 moeten worden gerekend. Ook dat scherpt in dat de echtgenoot van eiseres voldoende verhaal biedt om de schuld aan [B] B.V. te voldoen.

De forse opnamen in 2011 in de aanloop van de terugkomst metterwoon naar Nederland en nadien in Nederland maken dat beeld niet anders en stuiten (mede) mede af op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld. Ook daarmee is niet komen vast te staan dat de echtgenoot van eiseres in afwijking van hetgeen hij in zijn e-mailberichten en bij de FIOD heeft verklaard, de intentie zou hebben gehad om de gelden definitief aan [B] B.V. te onttrekken en/of dat de echtgenoot van eiseres als debiteur niet kredietwaardig zou zijn. Dat laatste mede gelet op de aangekochte onroerende zaken (2008) welke zijn onbezwaard privé-eigendom zijn.

Interne compensatie

29. Verweerder heeft onrechte geen rekening gehouden met de verkrijgingsprijs groot € 9.076. Dat bedrag van de verkrijgingsprijs acht de rechtbank door verweerder op juiste wijze bepaald. Eiseres heeft dat niet dan wel onvoldoende bestreden. Daar staat tegenover het niet-betalen van rente over de schuld van de echtgenoot van eiseres in rekening-courant met [B] B.V. Dat is een bedrag voor het jaar 2011 van circa € 13.000, waarvan de helft aan eiseres moet worden toegerekend (artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001). Eiseres heeft dit niet dan wel onvoldoende bestreden, zodat de in aanmerking te nemen rente hoger is dan de (helft van de) voormelde verkrijgingsprijs. Per saldo is het voordeel uit aanmerkelijk belang, vervreemdingsvoordeel en regulier voordeel tezamen, niet tot een te hoog bedrag in aanmerking genomen. De rechtbank herinnert eiseres eraan dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Eiseres is er niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank merkt hierbij nog op dat ook bij de gebruikelijke verdeling van de bewijslast verweerder geslaagd is de juistheid en de omvang van de correcties aannemelijk te maken.

Slotsom

30. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

31. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en

mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.