Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8821

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4488
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV. De rechtbank bevestigt deze vraag. Met het toestaan van beëindiging van de huur en het rechtstreeks verhuren van het pand hebben de aandeelhouders zich een voordeel laten ontgaan. Dit moet worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. Er is sprake van een winstuitdeling. De bevoordeling is terecht in de onderhavige jaren in aanmerking genomen. Eiser heeft recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding wijst de rechtbank af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-11-2019
FutD 2019-2831
V-N Vandaag 2019/2463
V-N 2020/8.7 met annotatie van Redactie
FED 2020/57 met annotatie van T.J.A. Hendriks
NTFR 2020/555
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/4488 en HAA 18/2653

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 oktober 2019 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

HAA 16/4488

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 31.393, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 288.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.132.268. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 31.393, waarvan € 0 ondernemingsverlies, en is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 15.052.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 31.393, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 288.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 712.049. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

HAA 18/2653

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 14.010, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 388.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 462.440. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 11.680.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld.

Verweerder heeft voor beide zaken tezamen een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2018 te Haarlem. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van [A] met zaaknummers HAA 16/4802, HAA 16/4921, HAA 18/2522 en HAA 18/3696.

Namens eiser is verschenen mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma, kantoorgenoot van de gemachtigde, bijgestaan door mr. [B] en [C] , boekhouder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.W.G. Sweerts en T.C. Zuiddam.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen in de onderhavige zaken. Deze stukken zijn door de rechtbank ontvangen op 27 december 2018. Partijen zijn bij brief van 14 januari 2019 verzocht om aan te geven of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Eiser heeft bij brief van 24 januari 2019 laten weten geen bezwaar ertegen te hebben dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doet. Door verweerder is niet binnen de gestelde termijn gereageerd op de brief van de rechtbank, waarmee ook hij te kennen heeft gegeven geen bezwaar ertegen te hebben dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doet. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en [A] (hierna tezamen: de aandeelhouders) hielden in de onderhavige jaren ieder 50% van de aandelen in [D] BV (hierna: [D] ). Tot 30 december 2008 hield [D] 100% van de aandelen in [E] BV. Deze vennootschappen vormden tot die datum een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2. [E] BV exploiteerde in het onderhavige jaar een paaldansclub met bar in Amsterdam (hierna: de onderneming).

3. De aandeelhouders zijn in privé elk voor de onverdeelde helft eigenaar van een bedrijfspand aan de [F] (hierna: het pand).

4. Tot en met 2010 verhuurden de aandeelhouders het pand waarin de onderneming werd uitgeoefend aan [E] BV. In 2007 bedroeg de huurprijs € 72.822 per jaar. In een tussen eiser en verweerder gesloten vaststellingsovereenkomst van september 2015 is deze huurprijs als zakelijk aangemerkt.

5. Bij overeenkomst van 28 september 2006 heeft [E] BV de onderneming voor € 500.000 verkocht aan [G] BV. Daarin is onder meer overeengekomen dat [E] BV het pand aan [G] BV zal (onder)verhuren.

6. Op grond van een op 27 september 2006 tussen [E] BV en [G] BV gesloten huurovereenkomst wordt het pand voor een periode van tien jaar door [E] BV (onder)verhuurd aan [G] BV met de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging. De huurovereenkomst is ingegaan in mei 2007. De huurprijs bedraagt € 54.167 per maand (ongeveer € 650.000 per jaar).

7. Op 1 juni 2008 heeft [D] de aandelen in [E] BV verkocht aan [H] BV voor een bedrag van € 30.000 te vermeerderen met een jaarlijkse ‘earn out’ ter grootte van 94 percent van de door [E] BV over tien boekjaren gerealiseerde nettowinst.

8. Op 16 december 2009 hebben de aandeelhouders de verhuur van het pand aan [E] BV opgezegd per 1 januari 2011. Per laatstvermelde datum hebben de aandeelhouders de huurovereenkomst tussen [E] BV en [G] BV overgenomen en verhuren zij het pand rechtstreeks aan [G] BV.

2011

9. Eiser heeft op 29 april 2013 aangifte IB/PVV 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 31.393 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 397.686.

10. Verweerder heeft per brief met dagtekening 15 december 2014 zijn voornemen tot afwijking van de aangifte kenbaar gemaakt aan eiser. In de brief is, kort gezegd, aangekondigd dat inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking zal worden genomen ten bedrage van € 288.589 betreffende een winstuitdeling door [D] . Deze winstuitdeling ziet op het deel van de jaarhuur van € 650.000 dat uitgaat boven de zakelijk geachte jaarhuur van € 72.822. Dit bedrag, zijnde € 577.178, is door verweerder als een vermomde uitdeling aangemerkt, namelijk de winst die [D] zich laat ontgaan waardoor zij verarmt en welke onder de noemer van huur ten goede komt aan haar beide aandeelhouders, eiser en [A] , die daardoor zijn verrijkt. De helft van het bedrag is bij [A] in aanmerking genomen (€ 288.589) en de andere helft is bij eiser in aanmerking genomen (€ 288.589). Voorts heeft verweerder aangekondigd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te corrigeren in verband met de waarde van panden en toename van het vermogen met het zogenoemde U-rendement van 2,73%.

11. Met dagtekening 31 december 2014 is de onderhavige aanslag opgelegd.

12. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 15 januari 2015.

13. Op 31 maart 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar. Voorts heeft eiser verweerder verzocht alsnog binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen. Eiser heeft daarbij gewezen op de eventuele verbeurte van een dwangsom indien niet binnen twee weken uitspraak wordt gedaan.

14. Op 29 mei 2015 heeft eiser een aanvulling op zijn bezwaarschrift gegeven.

15. Eiser heeft op 16 maart 2016 verweerder nogmaals verzocht alsnog binnen twee weken uitspraak te doen op het bezwaarschrift en daarbij verzocht de reeds verbeurde dwangsom van € 1.260 aan eiser te betalen.

16. Op 4 april 2016 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar door verweerder. De rechtbank heeft hierop op 12 mei 2016

(HAA 16/1314, ECLI:NL:RBNHO:2016:4588) bij op diezelfde dag verzonden uitspraak als volgt beslist:

“Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

- stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar vast op € 1.260;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 124;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

17. Op 9 augustus 2016 heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin is het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot op € 712.049. Verder is aan eiser op grond van genoemde beslissing van de rechtbank een dwangsom toegekend van in totaal € 8.760 (€ 1.260 + € 7.500).

18. Tegen de uitspraak op bezwaar is door eiser op 13 september 2016 (tevens op die datum per fax ontvangen door de rechtbank) beroep ingesteld. Het beroep richt zich niet tegen de toegekende dwangsom.

2012

19. Eiser heeft op 25 april 2014 aangifte IB/PVV 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 14.040, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 100.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 426.240.

20. Verweerder heeft per brief met dagtekening 11 januari 2017 zijn voornemen tot afwijking van de aangifte kenbaar gemaakt aan eiser. In de brief is, kort gezegd, aangekondigd dat inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking zal worden genomen ten bedrage van € 288.589 betreffende een winstuitdeling door [D] . Deze winstuitdeling ziet op het deel van de jaarhuur van € 650.000 dat uitgaat boven de zakelijk geachte jaarhuur van € 72.822. Dit bedrag, zijnde € 577.178, is door verweerder als een vermomde uitdeling aangemerkt, namelijk de winst die [D] zich laat ontgaan waardoor zij verarmt en welke onder de noemer van huur ten goede komt aan haar beide aandeelhouders, eiser en [A] , die daardoor zijn verrijkt. De helft van het bedrag is bij [A] in aanmerking genomen (€ 288.589) en de andere helft is bij eiser in aanmerking genomen (€ 288.589). Voorts heeft verweerder aangekondigd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te corrigeren in verband met de waarde van panden.

21. Met dagtekening 31 januari 2017 is de onderhavige aanslag opgelegd.

22. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 28 februari 2017.

23. Op 14 juni 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard.

24. Hiertegen is door eiser op 21 juni 2018 (ontvangen door de rechtbank op 22 juni 2018) beroep ingesteld.

Geschil
25. In geschil is of verweerder terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij het opleggen van de onderhavige aanslagen IB/PVV.

26. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen IB/PVV. Daarbij heeft eiser verzocht om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om toekenning van een materiële schadevergoeding heeft eiser ter zitting laten vallen.

27. Verweerder beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend. Daarbij heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de correcties in box 2 moeten worden verminderd tot op € 250.000. Verweerder concludeert dan ook tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen. Ten aanzien van de toe te kennen proceskostenvergoeding stelt verweerder dat geen recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding en dat deze moet worden vastgesteld conform de forfaitaire bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

28. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

29. Nu verweerder zich nader op het standpunt heeft gesteld dat de correcties ten aanzien van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op € 250.000 in plaats van € 288.589 moeten worden gesteld, zijn de beroepen in zoverre gegrond. Bij de beoordeling van de in geschil zijnde vraag of terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen bij het opleggen van de onderhavige aanslagen IB/PVV, heeft verweerder zijn stelling dat omkering van de bewijslast moet volgen, laten vallen. De rechtbank is van oordeel dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is.

Correctie inkomen uit aanmerkelijk belang

30. Eiser betwist dat sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang. De rechtbank neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt hetgeen is komen vast te staan na het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3075), namelijk dat in de overeengekomen jaarlijkse huur van ongeveer € 650.000 een goodwillcomponent begrepen is van € 500.000 ter zake van de verkoop van de onderneming door [E] BV aan [G] BV en dat de overeengekomen huur niet zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijk van elkaar handelende partijen die overigens geen onderlinge rechtsbetrekkingen hebben of zullen aangaan. De contante waarde van de per 31 december 2007 nog te ontvangen goodwillbetalingen is op grond van de regels van goed koopmansgebruik in 2007 gerekend tot de belastbare winst van [D] , zijnde het hoofd van de fiscale eenheid met [E] BV.

31. Op 16 december 2009 hebben de aandeelhouders de verhuur van het pand aan [E] BV opgezegd per 1 januari 2011. Per laatstvermelde datum hebben eiser en [A] de huurovereenkomst tussen [E] BV en [G] BV overgenomen en verhuren zij het pand rechtstreeks aan [G] BV. Met het toestaan van beëindiging van de huur en het per 1 januari 2011 rechtstreeks verhuren van het pand door eiser en [A] aan [G] BV heeft [D] zich een voordeel laten ontgaan ten behoeve van haar aandeelhouders eiser en [A] , namelijk de in de jaarlijkse huur begrepen goodwillcomponent van € 500.000.

32. De rechtbank is van oordeel dat dit voordeel moet worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. De omstandigheid dat eiser en [A] op het moment van ontvangst van de huur en de daarin begrepen goodwillcomponent geen aandeelhouder meer waren van [E] BV, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Aannemelijk is dat ook [D] zich de goodwillbetalingen heeft laten ontgaan en dat eiser en [A] de goodwillbetalingen in hun hoedanigheid van aandeelhouder (aanmerkelijkbelanghouder) van deze vennootschap hebben genoten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [D] bij de verkoop van de aandelen in [E] BV in 2008 een jaarlijkse ‘earn out’ heeft bedongen ter grootte van 94 percent van de door [E] BV over 10 boekjaren te realiseren nettowinst. Het prijsgeven van de in de huur begrepen goodwillcomponent is dan ook van invloed op de hoogte van de door [D] te ontvangen earn out en drukt daarmee de door [D] voor de aandelen ontvangen tegenprestatie. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat zowel [D] als de aandeelhouders (waaronder eiser) zich van deze bevoordeling bewust moeten zijn geweest, zodat sprake is van een winstuitdeling.

33. Het betoog van eiser dat ertoe strekt dat [D] en [E] BV zich niet met succes tegen de huuropzegging van eiser en [A] hadden kunnen verzetten, staat niet eraan in de weg om aan te nemen dat deze vennootschappen zich een voordeel hebben laten ontgaan. Het hiermee gemoeide voordeel is immers niet gelegen in de huurovereenkomst en de mogelijkheid tot opzegging daarvan maar in het ten behoeve van de aandeelhouders afzien van een deel van de te ontvangen tegenprestatie voor de verkoop van de onderneming door [E] BV aan [G] BV.

34. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld in welke jaar deze bevoordeling in de heffing moet worden betrokken. Eiser stelt zich op het standpunt dat de inkomsten niet jaarlijks vanaf 2011 in aanmerking kunnen worden genomen. De contante waarde van de goodwillbetalingen is in 2007 bij [D] in aanmerking genomen, zodat ook in dat jaar het inkomen uit aanmerkelijk in aanmerking had moeten worden genomen, zo meent eiser.

35. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Anders dan eiser kennelijk meent wordt het moment van het in aanmerking nemen van inkomsten uit aanmerkelijk belang niet beheerst door regels van goed koopmansgebruik als vermeld in artikel 3.25 van de Wet IB 2001. De goodwillbetalingen dienen bij eiser in aanmerking te worden genomen als voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (reguliere voordelen) als bedoeld in artikel 4.12 aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001. Voor inkomen uit aanmerkelijk belang geldt een ander genietingsmoment dan in de winstsfeer. Artikel 4.43, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn a) ontvangen, b) verrekend, c) ter beschikking gesteld, d) rentedragend geworden of e) vorderbaar of inbaar geworden. Nu de goodwillcomponent jaarlijks aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht jaarlijks vanaf 2011 bij de aandeelhouders een bedrag van € 250.000 in aanmerking heeft genomen. De aldus in box 2 in aanmerking genomen goodwillcomponent komt niet tot uitdrukking in de waarde in het economische verkeer van het pand. Het feit dat die waarde in box 3 in aanmerking is genomen, levert dus geen dubbele heffing op. Het andersluidende betoog van eiser faalt.

Immateriële schadevergoeding

36. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.

37. De in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. De termijn eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. In het onderhavige geval is sprake van gezamenlijk behandelde zaken die in de hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp zodat bij de bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

38. In het onderhavige geval is het oudste bezwaarschrift, dat ziet op de aanslag IB/PVV 2011, op 15 januari 2015 door verweerder ontvangen. Op 9 augustus 2016 heeft verweerder daarop uitspraak op bezwaar gedaan. Hiertegen is op 13 september 2016 beroep ingesteld. De rechtbank doet op 18 oktober 2019 uitspraak. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor de verlenging van de redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

39. Bij overschrijding van de redelijke termijn dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Nu sprake is van gezamenlijk behandelde zaken die in de hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, geldt voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar.

40. In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechtbank. Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

41. Gelet op het hiervoor overwogene is de redelijke termijn aangevangen op 15 januari 2015. De rechtbank doet uitspraak op 18 oktober 2019. Dit is een tijdsverloop van (afgerond) vier jaren en tien maanden (58 maanden). De redelijke termijn van twee jaar is met twee jaar en tien maanden (34 maanden) overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 3.000. Van dit tijdsverloop dient een periode vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar van 9 augustus 2016 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank van 18 oktober 2019, derhalve een tijdsverloop van afgerond

39 maanden, te worden toegerekend aan de beroepsfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient een periode van (39 – 18 =) 21 maanden aan de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) te worden toegerekend. De overige 13 maanden dienen aan verweerder te worden toegerekend. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 3.000 een bedrag van € 1.147 (13/34 deel van € 3.000) te vergoeden en de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) € 1.853 (21/34 deel van € 3.000).

Slotsom

42. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

43. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten waarbij de rechtbank de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nu genoemde zaken gelijktijdig zijn behandeld ter zitting van de rechtbank, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van de gemachtigde in alle zaken nagenoeg identiek konden zijn. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532. Dit bedrag is opgebouwd uit 1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften met een waarde van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat ook 1 punt moet worden toegekend voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde van € 254. Op het totale bedrag is verder een factor 1 voor het gewicht van de zaak en een factor 1 wegens samenhang (minder dan 4 samenhangende zaken) toegepast.

44. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten voor juridische bijstand in bezwaar en beroep. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit kan op grond van bijzondere omstandigheden van de hiervoor gegeven berekening van de te vergoeden proceskosten worden afgeweken. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook in andere gevallen kan aanleiding bestaan om, alle (bijzondere) omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit, bijvoorbeeld omdat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

45. Gesteld noch gebleken is dat sprake zou zijn van in verregaande mate onzorgvuldig handelen van verweerder. De rechtbank acht ook overigens geen bijzondere omstandigheden aanwezig die nopen tot afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder in de voorliggende zaken tegen beter weten in standpunten heeft ingenomen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslagen IB/PVV tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000 en laat ze voor het overige in stand;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente en belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.147;

  • -

    veroordeelt de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.853;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.532.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van, in totaal, € 92 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. R. van Scharrenburg en mr. drs. R.A.J.C. de Haas, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.