Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8769

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
15/021893-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, maar ontslaat verdachte ambtshalve van alle rechtsvervolging wegens vrijwillige terugtred. Vervolgens komt de rechtbank toe aan beoordeling van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Dit feit wordt bewezenverklaard en verdachte wordt veroordeeld tot – onder meer – een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/021893-19 (P)

Uitspraakdatum: 8 oktober 2019

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.M. Brugman en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2019 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een hard voorwerp (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of - terwijl hij haar in bedwang hield- haar keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 25 januari 2019 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een hard voorwerp (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of - terwijl hij haar in bedwang hield- haar keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding
Op 25 januari 2019 bevinden verdachte en aangeefster [slachtoffer] zich in de laadruimte van de auto van verdachte, een bestelbusje. Zij hebben met elkaar afgesproken en deze afspraak leidt tot seks. Verdachte betaalt [slachtoffer] voor deze seksuele handelingen. Op enig moment, nadat verdachte en [slachtoffer] tweemaal seks hebben gehad en zij weer verder rijden, springt [slachtoffer] uit de rijdende auto. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte haar na de seksuele handelingen met een voorwerp op haar hoofd geslagen en geprobeerd haar te wurgen. Op enig moment, als [slachtoffer] bijna het bewustzijn verliest, stopt verdachte met wurgen. Als zij verder rijden, springt [slachtoffer] uit de auto. Verdachte bestrijdt deze lezing van [slachtoffer] in zoverre, dat volgens hem de door [slachtoffer] beschreven geweldshandelingen niet hebben plaatsgevonden. Verdachte stelt dat [slachtoffer] veel drugs gebruikte en dat zij, waarschijnlijk onder invloed daarvan, ineens uit de auto sprong. Hij heeft tevergeefs geprobeerd haar tegen te houden, waarbij waarschijnlijk het door [slachtoffer] opgelopen letsel is ontstaan, aldus verdachte.

Het is aan de rechtbank om aan de hand van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting te beoordelen of één van de lezingen - en zo ja, welke - ondersteund wordt door bewijsmiddelen.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie heeft [slachtoffer] vanaf het begin consequent en consistent verklaard. Het letsel dat zij heeft opgelopen, past binnen haar verklaring dat verdachte haar heeft gewurgd en juist niet bij de verklaring van verdachte. Immers: het is moeilijk voorstelbaar dat verdachte verticale krassen in de nek van [slachtoffer] heeft gemaakt toen hij probeerde haar te beletten om uit de rijdende auto te springen terwijl dit letsel volgens de forensisch arts die aangeefster heeft onderzocht typisch past bij krabverwondingen veroorzaakt door een slachtoffer in een poging zichzelf uit een verwurging te bevrijden. Ook het letsel aan het hoofd en gezicht van [slachtoffer] kan niet worden verklaard aan de hand van de lezing van verdachte, aldus de officier van justitie.

Voorts wordt de lezing van [slachtoffer] , dat verdachte haar in de laadruimte onverhoeds op haar hoofd sloeg, ondersteund door de in de laadruimte op een hoeslaken aangetroffen bloedvlekken, die na onderzoek naar alle waarschijnlijkheid van [slachtoffer] blijken te zijn. Hoewel niet is gebleken waarmee [slachtoffer] is geslagen, blijkt uit het letsel van [slachtoffer] en de aangetroffen bloedvlekken genoegzaam dat het een hard voorwerp is geweest.

Gelet voorts op het samenstel van geweldshandelingen van verdachte, namelijk het meermalen met een hard voorwerp slaan op het hoofd van [slachtoffer] en haar gedurende enige tijd en met kracht wurgen, is de kans dat [slachtoffer] door toedoen van verdachte zou komen te overlijden of - subsidiair - zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, aanmerkelijk geweest. Verdachte moet zich hier bewust van zijn geweest, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd zeer kwetsbaar is en dat het van levensbelang is dat een persoon kan ademen en dat er bloed naar de hersenen kan stromen. Gezien de door verdachte gepleegde handelingen, heeft hij deze gevolgen aanvaard.

Al het voorgaande moet leiden tot bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, aldus de officier van justitie.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent het hem tenlastegelegde. Dat zijn lezing van de gebeurtenissen niet altijd consistent is geweest, is te wijten aan het feit dat verdachte door verschillende factoren moeite heeft om zich op een begrijpelijke manier te uiten.

De lezing van [slachtoffer] vertoont echter evenzeer hiaten en wonderlijkheden. Zoals de verklaring van [slachtoffer] dat zij, toen verdachte plotsklaps stopte met haar te wurgen, uit de laadbak van de auto is gestapt en weer op de bijrijdersstoel is gaan zitten, om vervolgens uit de rijdende auto te springen. Onlogisch is eveneens de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte, terwijl hij haar aan het wurgen was, het voor de seks betaalde geld uit haar jaszak wegnam. De ene handeling sluit de andere handeling immers uit.

Het letsel van [slachtoffer] past veeleer bij de lezing van verdachte. In de versie van het gebeurde van [slachtoffer] had er meer letsel moeten zijn, zoals blauwe plekken in de nek of bloeduitstortingen in het gezicht. De verticale krassen in de nek van [slachtoffer] passen juist wel bij het verhaal van verdachte; [slachtoffer] maakte immers een gaande beweging naar buiten toe.

Wat betreft het slaan op het hoofd zijn er veel onduidelijkheden. Zo is niet gebleken waar verdachte mee geslagen zou hebben en is er weliswaar bloed aangetroffen op het hoeslaken in de laadbak van de auto, maar daar kunnen verschillende oorzaken voor zijn, zoals het hebben van actieve seks of menstrueren. Dat past meer bij de aangetroffen hoeveelheid bloed dan het verhaal van [slachtoffer] dat zij meermalen hard op haar hoofd geslagen is.

Gezien het voorgaande moet verdachte, bij gebrek aan bewijs dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.3.2

Bewijsmotivering

De rechtbank zoekt bij de beoordeling van het bewijs aansluiting bij de verklaringen die [slachtoffer] heeft afgelegd. Zoals de officier van justitie heeft opgemerkt, heeft [slachtoffer] vanaf het begin consequent en consistent verklaard. Haar verklaring vindt op diverse punten steun in het dossier. Zo vindt haar verklaring dat zij met een hard voorwerp is geslagen op haar hoofd steun in het feit dat bij [slachtoffer] hoofdletsel is aangetroffen, er (hoogstwaarschijnlijk) geronnen bloed in haar haar zat en dat op een hoeslaken dat in de Caddy lag bloed is aangetroffen. De door verdachte geopperde mogelijkheid dat het om menstruatiebloed gaat of bloed dat is vrijgekomen bij een verwonding ten gevolge van de seks tussen beiden, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk. Er is geen enkele aanwijzing dat aangeefster heeft gemenstrueerd of dat er verwondingen tijdens de seks zijn ontstaan. Zo beschrijft aangeefster de seks als “normale seks” en zegt zij dat verdachte haar tijdens de seks geen pijn heeft gedaan (dossier pagina 18, aangifte van [slachtoffer] ). Ook is er in het dossier geen enkele aanwijzing – zoals bijvoorbeeld bloed van aangeefster op een condoom1 – die er op wijst dat zij op het bewuste moment zou hebben gemenstrueerd. Het geconstateerde letsel aan de keel van [slachtoffer] past naar het oordeel van de rechtbank goed bij haar verklaring dat zij is gewurgd. Dat [slachtoffer] , toen zij dacht dat verdachte haar toch niet zou laten gaan, uit de rijdende auto is gesprongen past eveneens bij de door haar omschreven angstige ervaring met verdachte terwijl haar verklaring waarom zij -daarvoor- weer was ingestapt niet onbegrijpelijk is. Ook de overige door de raadsman benoemde en als wonderlijk aangeduide gedeelten in de verklaringen van [slachtoffer] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard, dat deze passages niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt of de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster in zijn geheel aantasten.

Verdachte daarentegen is niet consequent en consistent geweest in zijn verklaringen, waarbij de verschillen in zijn verklaringen moeilijk te verklaren zijn door cognitieve beperkingen of problemen in taalvaardigheid. Zo heeft hij verschillend verklaard over de naam die hij bij zijn ontmoeting met [slachtoffer] gebruikte en heeft hij in eerste instantie ontkend seks met [slachtoffer] te hebben gehad.

De rechtbank volgt aldus [slachtoffer] in haar verklaring dat verdachte haar in de laadbak van de auto meermalen met een hard voorwerp op het hoofd heeft geslagen en vervolgens haar keel heeft dichtgeknepen. Daaraan legt de rechtbank verschillende bewijsmiddelen ten grondslag die steun bieden aan de verklaring van [slachtoffer] . Hetgeen de raadsman heeft opgemerkt ten aanzien van deze bewijsmiddelen, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen zelf dan wel in de bewijsmotivering of kan niet worden gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat respons behoeft.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 januari 2019 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een hard voorwerp met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen en - terwijl hij haar in bedwang hield - haar keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.4.1.

Vrijwillige terugtred

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij vrijwillig is teruggetreden, als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft onderzocht of genoemde uitsluitingsgrond zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan en overweegt daaromtrent het volgende.

Bewezen is verklaard dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door haar meermalen met een hard voorwerp op en tegen het hoofd te slaan en haar keel dicht te knijpen en enige tijd dichtgeknepen te houden. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte zelfs, toen hij merkte dat ze nog een beetje kon ademen, haar keel nog strakker dichtgeknepen.2 Het delict is vervolgens echter niet voltooid omdat verdachte [slachtoffer] heeft losgelaten, met de woorden “je bent een goede meid, ik laat je leven.”3 Aangeefster had de indruk dat de verdachte genade met haar had gekregen. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] geholpen met opstaan, is zij op eigen kracht buiten de auto om naar de bijrijdersstoel gelopen, zijn ze weggereden en hebben zij met elkaar gesproken.4

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte uit eigen beweging is gestopt met de potentieel dodelijke geweldshandelingen. Verdachte heeft immers [slachtoffer] losgelaten, met de woorden haar te laten leven terwijl er geen enkele aanwijzing is dat aan dat besluit en die woorden (mede) externe factoren ten grondslag lagen. Vervolgens rijst de vraag of het enkele stoppen in dit geval voldoende is voor het oordeel dat aannemelijk is geworden dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van het vrijwillig terugtreden van verdachte of dat van de verdachte meer kon en mocht worden gevergd.

In een informatieblad van het NFI (los gevoegd in het dossier) getiteld “Algemene informatie over geweld op de hals. Algemene toelichting over klachten, bevindingen en gevaarzetting bij samensnoerend en / of samendrukkend geweld op de hals”, is het volgende te lezen: “Ook na beëindiging van de geweldsinwerking kunnen na verloop van uren klachten/complicaties ontstaan zoals bijvoorbeeld zwelling van de slijmvliezen in de keel of het strottenhoofd, waarvoor soms (klinische) observatie nodig is”. Hieruit, noch uit de overige informatie opgenomen in dit informatieblad, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat na beëindiging van geweldsinwerking op de hals de kans bestaat dat alsnog de dood ten gevolge van die eerdere geweldsinwerking intreedt, en indien die kans er wel is, hoe groot die kans is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verdachte is gestopt met het wurgen van [slachtoffer] waardoor zij weer lucht kon krijgen, [slachtoffer] kennelijk op eigen kracht buiten de auto om naar de bijrijdersstoel is gelopen en zij in de auto in staat was een gesprek te voeren, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende reden was om aan te nemen dat er een dusdanig risico bestond dat bij aangeefster sprake was van reeds toegebracht dodelijk letsel, hetzij door het slaan op het hoofd, hetzij door het wurgen, hetzij door een combinatie van beide, dat (medisch) ingrijpen vereist was teneinde het alsnog intreden van de dood te voorkomen. Het feit dat aangeefster tegen verdachte heeft gezegd dat zij zich niet goed voelde, dat zij dacht dat zij een inwendige bloeding had en dat zij naar het ziekenhuis wilde, doet daaraan niet af.

Dit alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het enkele staken van de verwurging in dit geval voldoende is voor het oordeel dat aannemelijk is geworden dat het primair tenlastegelegde misdrijf – poging doodslag - niet is voltooid als gevolg van het vrijwillig terugtreden van verdachte. Het voorgaande betekent dat het onder primair bewezen verklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd en dat verdachte in zoverre dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu het primair bewezenverklaarde niet tot een veroordeling heeft geleid, is thans het subsidiair tenlastegelegde aan de orde.5

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht, met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor onder 3.3.2. heeft overwogen over het door verdachte toegepaste geweld, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 januari 2019 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een hard voorwerp met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen en - terwijl hij haar in bedwang hield - haar keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden meldplicht, gedragsinterventie en het meewerken aan schuldhulpverlening. Daarnaast vordert de officier van justitie een contact- en locatieverbod in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr, voor een periode van 2 jaren, waarbij tegenover elke overtreding 14 dagen hechtenis staan.

Ten aanzien van al het voorgaande vordert de officier van justitie dat de dadelijke uitvoerbaarheid zal worden uitgesproken.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, dat het in beslag genomen geldbedrag van € 200,-- aan haar wordt teruggegeven en dat de in beslag genomen auto wordt teruggegeven aan verdachte.

6.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair verzoekt de verdediging verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte heeft geen bezwaar tegen het voldoen aan deze voorwaarden, met inbegrip van het contact- en locatieverbod.

De verdediging acht de vordering van de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd en verzoekt deze af te wijzen, subsidiair te matigen. Ten aanzien van het beslag schaart de verdediging zich achter het standpunt van de officier van justitie.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . Hij heeft haar daarbij meermalen met een hard voorwerp op haar hoofd geslagen en haar keel dichtgeknepen, terwijl hij haar in bedwang hield in de laadruimte van zijn auto. [slachtoffer] heeft tijdens het wurgen gevoeld dat zij het bewustzijn dreigde te verliezen en gedacht dat zij het niet zou overleven. Door aldus de handelen heeft verdachte vergaande inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en een voor haar zeer bedreigende situatie doen ontstaan. Dat [slachtoffer] hier nog dagelijks de gevolgen van ondervindt, is ter terechtzitting op indringende wijze onder woorden gebracht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 27 augustus 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 27 april 2019 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan LdH Amsterdam.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch onderzoek gedateerd 26 maart 2019 van J. Yntema, GZ-psycholoog.

Het psychiatrisch rapport van P.C. ten Holt en R.A. Graaff, gedateerd 10 april 2019, houdt onder meer het volgende in:

Ten tijde van het onderzoek zijn er geen kenmerken van een psychiatrische stoornis in engere zin. Door mederapporteur is zwakbegaafdheid (gemiddelde IQ-score van 71)

vastgesteld. Tevens is geconcludeerd dat er sprake is van een stoornis in het gebruik van

middelen, met langdurig cannabisgebruik en aanwijzingen voor overmatig alcoholgebruik. De zwakbegaafdheid kan gezien worden als een langdurig bestaande beperking. Op de dag van en de dagen voorafgaand aan het plegen van het ten laste gelegde had betrokkene mogelijk cocaïne gebruikt. Van cocaïne is bekend dat dit kan leiden tot impulsiviteit, hypervigilantie en achterdocht. Of dit bij betrokkene aan de hand was is niet met zekerheid te zeggen.

De zwakbegaafdheid, die aanleiding geeft tot mogelijk verhoogde beïnvloedbaarheid en verminderd begrip, overzicht en oordeelsvermogen kan een reden vormen om te overwegen het ten laste gelegde in licht verminderde aan betrokkene toe te rekenen. De zwakbegaafdheid kan aanleiding geven tot een versterkte beïnvloedbaarheid en tot

een verminderd begrip, overzicht en oordeelsvermogen. Oplossings- en copingvaardigheden kunnen hierdoor worden beperkt. In welke mate hiervan sprake is geweest, is bij het onderzoek onvoldoende vast te stellen. De zwakbegaafdheid kan in de periode voorafgaande aan het ten laste gelegde hebben bijgedragen aan het toenemen van problemen op vrijwel alle leefgebieden. Er waren problemen op het gebied van huisvesting, financiën, dagbesteding, netwerk en relaties. Mede gezien de recente migratie is er een gering steunend netwerk.

Betrokkene is vriendelijk en meegaand. Hij heeft een schoolopleiding gedaan en heeft

enige tijd gewerkt in Curaçao. Betrokkene is bereid mee te werken aan een reclasseringstoezicht en hulpverlening, toont levensdoelen en een constructieve attitude in de

omgang met autoriteiten.

De zwakbegaafdheid in combinatie met een beperkt steunsysteem in Nederland bemoeilijken het omgaan met complexe leefomstandigheden, waarbij hij geen vaste huisvesting, geen stabiele bron van inkomsten en geen vaste dagbesteding heeft. Migratiegerelateerde problemen vormen daarbij complicerende factoren. Tevens is er een verslavingsgevoeligheid.

Begeleiding gericht op versterken van het functioneren op de verschillende leefgebieden zoals wonen, financiën, dagbesteding en relaties, kan bijdragen aan het stabiliseren van zijn bestaan en voorkomen van afglijden in middelengebruik.

Ondergetekenden adviseren te overwegen, ondanks een onvolledige delictanalyse en

risico-inschatting, een reclasseringscontact op te leggen met bijzondere voorwaarden

teneinde toezicht te kunnen houden en betrokkene begeleiding te bieden bij het op-

bouwen van een voldoende stabiel bestaan en voorkomen van afglijden in middelen-

gebruik.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen. In lijn met de bevindingen in het rapport zal de rechtbank het bewezen verklaarde in licht verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Voorts acht de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer] wenselijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om het contactverbod op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van art. 38v Sr. Een dergelijke maatregel, die dient ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet aangewezen, gelet op de persoon van verdachte en het feit dat hij niet eerder is veroordeeld.

Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte een locatieverbod op te leggen aangezien blijkens het reclasseringsadvies het recidiverisico niet zozeer ziet op [slachtoffer] , maar veeleer in algemene zin bestaat. De rechtbank acht het, gelet op de omstandigheden van het geval en de persoon van verdachte, evenmin aangewezen te bevelen dat de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven auto, zijnde een Volkswagen Caddy, dient te worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 200,-, dient te worden teruggegeven aan [slachtoffer] , aangezien zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.500,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Ter terechtzitting is de vordering toegelicht door mr Wolff, raadsvrouw van de benadeelde partij.

Met betrekking tot deze gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank op basis van de beschikbare gegevens in deze procedure, toewijzing tot een bedrag van € 5.000,- billijk als zijnde het bedrag waarop deze schade op dit moment kan worden gewaardeerd. De rechtbank heeft daarbij gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, in het licht van de bedragen aan immateriële schadevergoeding die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Zoals uit de bewezenverklaring volgt en in de strafmaatoverwegingen naar voren is gekomen is sprake van een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Zij heeft een uiterst beangstigende, en een fysiek pijnlijke, situatie meegemaakt. [slachtoffer] werd van het ene op het andere moment in de laadruimte van een bestelbus geconfronteerd met een gewelddadige verdachte die haar tegen het hoofd sloeg en wurgde. [slachtoffer] was in de veronderstelling dat zij het leven zou laten. Hieruit en uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij volgt genoegzaam dat zij tot op de dag van vandaag in haar dagelijks functioneren last heeft van gevolgen van dit misdrijf.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

In het meer gevorderde aan immateriële schadevergoeding zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank ziet als gevolg van het handelen van verdachte zoals bewezenverklaard (kort gezegd: poging zware mishandeling) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven, maar ontslaat verdachte te dien aanzien van alle rechtsvervolging, omdat niet kan worden vast gesteld dat het bewezen verklaarde een strafbaar feit oplevert.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

Veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij Leger des Heils, [adres] - op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een CoVa+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, aangeboden door Reclassering Nederland, of soortgelijke instelling waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven.

Veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Stelt dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,--, als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,--, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan verdachte van een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] .

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, [slachtoffer] van een geldbedrag van € 200,--.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

Mr. H.P. van der Lelie, voorzitter,

Mr. I.A.M. Tel en mr. T. de Bont, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Klippel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.

Mr. T. de Bont is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zowel aangeefster als verdachte verklaart dat er een condoom is gebruikt (proces-verbaal van verhoor aangeefster, van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , gedateerd 26 januari 2019, doorgenummerde pagina 18, resp. Verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 29 januari 2019).

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , gedateerd 26 januari 2019, doorgenummerde pagina 17.

3 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , gedateerd 25 januari 2019, doorgenummerde pagina 11.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , gedateerd 26 januari 2019, doorgenummerde pagina 17.

5 HR 23 november 1931, NJ 1932, p. 279, ECLI:NL:HR:1931:298. Zie ook Melai e.a., art. 261, aantekening 17.5 en prof. mr. J.M. Reijntjes, ‘dagvaarding in strafzaken’, p. 133.