Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8463

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
C15/290646 / FT RK 19/838
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ex artikel 315 Fw afgewezen. Geen belang behoud woning in Wsnp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

rekestnummer: C15/290646 / FT RK 19/838

insolventienummer: C/15/17/220 R

Datum uitspraak: 15 oktober 2019

Beschikking in hoger beroep ex artikel 315 Faillissementswet (Fw) tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2019 in de wettelijk schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp) van:

[Saniet] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verder: [Saniet].

1 De procedure

1.1.

[A.] heeft op 28 juni 2019 hoger beroep ingesteld als bedoeld in artikel 315 Fw tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 25 juni 2019.

1.2.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2019. Ter zitting zijn verschenen:

- [Saniet];

- [B.] (hierna: de bewindvoerder);

- [A.] (hierna: [A.]), bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Raaijmakers.

Voormelde personen hebben hun respectievelijke standpunten nader toegelicht. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.

1.3.

De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op 15 oktober 2019, of zoveel eerder als mogelijk is.

2 De feiten

2.1.

[Saniet] en [A.] waren echtgenoten. Bij beschikking van 28 januari 2015 heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het door partijen opgemaakte echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking. Voormeld convenant houdt onder meer in dat de gezamenlijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) aan de man toekomt, dat de vrouw wordt gevrijwaard van de lasten en dat de man zich zal inspannen om te vrouw te doen ontslaan van haar hoofdelijke aansprakelijkheid aangaande de hypothecaire geldleningen.

2.2.

Aan het convenant is vervolgens geen uitvoering gegeven.

2.3.

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 11 april 2017 is op [Saniet] de Wsnp van toepassing verklaard.

2.4.

[Saniet] en [A.] zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning. Beiden zijn op dit adres woonachtig. [Saniet] huurt aldaar een kamer van [A.] voor een bedrag van € 400,- per maand.

2.5.

De woning is op 20 juli 2018 in opdracht van de bewindvoerder getaxeerd op een marktwaarde van € 650.000,-. De hypothecaire geldleningen op de woning bedragen € 550.000,- (Bank of Scotland) en € 44.000,- (DMGC).

2.6.

Nadat de bewindvoerder had aangegeven dat de woning verkocht moet worden, heeft op 3 april 2019 ten overstaan van de rechter-commissaris een gesprek plaatsgevonden tussen [A.] (vergezeld door mr. Raaijmakers), [Saniet] en de bewindvoerder. Tijdens het gesprek is aan [A.] een termijn gegund van vier weken om de mogelijkheid te onderzoeken om de op de woning rustende hypotheken volledig op zijn naam te krijgen. Daarnaast is aan [A.] tijdens dit gesprek te kennen gegeven dat indien dit niet mogelijk blijkt, de woning verkocht moet worden gelet op het belang van de schuldeisers in onderhavige Wsnp, aangezien er sprake is van overwaarde.

Vervolgens heeft de rechter-commissaris voornoemde termijn op verzoek van [A.]

verlengd met vier weken.

2.7.

Op 12 juni 2019 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris bericht dat het [A.] niet is gelukt om de hypotheken volledig op zijn naam te krijgen en [Saniet] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan.

2.8.

Mr. Raaijmakers heeft bij e-mail van 12 juni 2019 aan de bewindvoerder voorgesteld om de helft van de overwaarde aan de boedel te vergoeden zonder dat de woning wordt verkocht en zonder dat [Saniet] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen wordt ontslagen, omdat de woning extreme sentimentele waarde heeft voor [A.].

2.9.

Bij beschikking van 25 juni 2019 heeft de rechter-commissaris dit voorstel afgewezen en daartoe overwogen dat het voorstel niet strookt met de doelstelling van de Wsnp, namelijk dat [Saniet] na het goed doorlopen van de Wsnp een schuldenvrije toekomst tegemoet gaat. Daarnaast strookt het voorstel volgens de rechter-commissaris niet met het destijds opgestelde echtscheidingsconvenant.

3 De beoordeling

3.1.

Het beroep is, gelet op het bepaalde in artikel 315, lid 1 jo artikel 361, lid 1 Fw tijdig en op de juiste wijze ingediend.

3.2.

De rechtbank zal in het midden laten de vraag of terzake sprake is van een beschikking van de rechter-commissaris in de zin van artikel 317 Fw en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.

3.3.

De rechtbank wijst het beroep af en overweegt daartoe als volgt.

3.4.

De doelstelling van de Wsnp is dat de schuldenaar die deze regeling met goed gevolg heeft doorlopen een schuldenvrije toekomst tegemoet gaat. Het na de Wsnp behouden van een eigen woning met een daarbij behorende hypotheekschuld strookt niet met deze doelstelling. Het uitgangspunt is dan ook dat de eigen woning in de Wsnp dient te worden verkocht. In het geval van overwaarde, zoals in het onderhavige geval, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als deze overwaarde op een andere wijze dan door verkoop van de woning in de boedel vloeit. De schuldenaar zal dan wel zijn belang bij het behoud van de woning dienen aan te tonen. In het onderhavige geval is een dergelijk belang van [Saniet] gesteld noch gebleken. Dit klemt te meer nu [Saniet] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard op korte termijn te zullen gaan samenwonen met haar dochter en dus de woning te zullen verlaten.

De omstandigheid dat [A.] mogelijk een belang heeft bij het behoud van de woning maakt vorenstaande afweging niet anders, nu aan dit belang niet kan worden tegemoet gekomen zonder het Wsnp-traject van [Saniet] in onaanvaardbare mate te doorkruisen.

3.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep zal worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het beroep af.

Aldus gegeven op 15 oktober 2019 door mrs. W.S.J. Thijs, D.P. Ruitinga en H. de Jong en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.