Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8363

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
15/045119-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van aangeefster, terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, moet worden opgelegd. Aan het voorwaardelijke deel worden - naast de algemene voorwaarde - de volgende twee bijzondere voorwaarden gekoppeld. Een contactverbod met aangeefster en een voorwaarde betreffende het gedrag van verdachte, inhoudend dat verdachte het beeldmateriaal van aangeefster, dat hij op [datum] heeft gemaakt, van zijn gegevensdragers en social media accounts zichtbaar moet verwijderen - voor zover dit technisch mogelijk is - en verwijderd houden. Laatstgenoemde voorwaarde betreft een handeling waartoe verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Verdachte heeft immers verschillende foto’s en filmpjes gemaakt en op zijn sociale media account(s) geplaatst, waarop/in aangeefster in een dronken en compromitterende toestand te zien is. Hij dient dit beeldmateriaal derhalve te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/045119-18 (P)

Uitspraakdatum: 1 oktober 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.A. Docter, advocaat te IJmuiden, die waarnam voor haar kantoorgenoot mr. L.A. Korfker, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 november 2017 te Den Helder, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het met een of meerdere vinger(s) in de vagina gaan van die [slachtoffer] en/of

- het met diens penis (meermalen) penetreren van de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit in die zin, dat verdachte met de aangeefster de in de tenlastelegging vermelde feitelijke handelingen heeft gepleegd, die onder meer bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster, terwijl hij wist dat aangeefster verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit en daartoe primair het volgende aangevoerd. Verdachte en aangeefster hebben seks gehad, maar op basis van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat aangeefster daadwerkelijk in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde en dat zij daardoor niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. De seksuele handelingen hebben vrijwillig plaatsgevonden terwijl aangeefster bij bewustzijn was.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van het feit dat aangeefster in een dergelijke staat verkeerde. Blijkens haar verklaring heeft zij die nacht van alles meegekregen en heeft zij toen verdachte haar anaal penetreerde, ‘stop’ gezegd. Zij had alcohol gedronken, maar was in staat om te reageren.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.3.2.

Bewijsmotivering

Seksuele gemeenschap

Gelet op de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen van aangeefster door verdachte.

Verminderd bewustzijn en wetenschap daarvan

De rechtbank dient te beoordelen of aangeefster op het moment waarop de seksuele handelingen plaatsvonden, in staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat verdachte dit wist.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel verminderd bewustzijn in artikel 243 Sr heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en het geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Volgens de wetsgeschiedenis kan daarbij, bijvoorbeeld, gedacht worden aan situaties waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs.

De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaringen van aangeefster betrouwbaar acht. Haar verklaringen over het ten laste gelegde feit zijn in hoofdlijnen concreet en consistent. Bovendien worden de voor de bewezenverklaring gebruikte verklaringen van de aangeefster op relevante onderdelen (ook waar die niet direct zien op het ten laste gelegde, maar op de door de aangeefster geschetste context daarvan) bevestigd door de verklaring van verdachte over de bewuste nacht (waaronder zijn verklaring dat aangeefster steeds moest spugen en braakneigingen had) en andere bewijsmiddelen.

De aangeefster heeft – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – onder meer het volgende verklaard. Zij heeft die avond en nacht alcohol gedronken, waaronder shotjes Jack Daniels en vier shotjes Tequila. In de [locatie] is zij gevallen. Ze weet niet hoe, maar ze hoorde dat ze op haar achterhoofd was gevallen. De beveiliger van de [locatie] en een EHBO-er hebben zich over aangeefster ontfermd. Verdachte was bij haar. Zij had moeite met praten en haar lichaam was heel slap. Aangeefster moest steeds overgeven. Op een gegeven moment is zij met verdachte in een auto (taxi) naar verdachtes huis gegaan. Daar aangekomen pakte verdachte haar over zijn schouder en legde hij haar in zijn bed. Hij deed haar schoenen en haar kleren uit. Aangeefster had de hele tijd het gevoel dat zij moest kotsen en het was net of zij de hele tijd een beetje wegviel; alsof zij er niet de hele tijd bij was. Zij had moeite met praten en zij had het heel erg koud. Ten tijde van de door verdachte verrichte seksuele handelingen kon zij niet weglopen omdat ze heel slap was. Ze was een ‘gekookte spaghettisliert’. Daarna werd het donker, alsof ze weg was.

De getuigen [naam] , [naam] en [naam] bevestigen de verklaring van aangeefster met betrekking tot haar toestand in, respectievelijk, de [locatie] en de volgende ochtend in de woning van verdachte. [naam] , beveiliger in de [locatie] , heeft verklaard dat aangeefster na de val op het aanrechtblad in de keuken lag. Ze was licht aanspreekbaar en ze had braakneigingen. Je kon zien dat zij gedronken had. Ze spuugde wat; niet veel. Het was ook een heel teer poppetje. [naam] , taxichauffeur, heeft verklaard dat aangeefster ondersteund door een EHBO-er en een man naar de taxi werd geholpen. Ze kon niet meer zelfstandig op haar benen staan en ze was niet in staat tot een behoorlijk gesprek. Volgens deze getuige was zij in dermate slechte staat dat hij gerede twijfel had of zij bij haar volle bewustzijn was. Bij de [adres] hebben ze haar, met zijn tweeën, ondersteund naar de voordeur gebracht. [naam] , de broer van aangeefster, heeft verklaard dat hij haar die ochtend samen met zijn moeder heeft opgehaald bij het huis van verdachte. Toen ze binnenkwamen zag hij zijn zus op de bank zitten met haar ellebogen op haar knieën en haar handen op haar gezicht. Hij zag dat zij niet helemaal nuchter was en zij was niet echt aanspreekbaar. Ook heeft hij verklaard dat aangeefster onderweg naar de auto wankel was. Ze viel tegen de auto aan.

Gelet op de verklaringen van aangeefster, voor een deel ondersteund door de getuigen [naam] , [naam] en [naam] is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte met aangeefster handelingen heeft verricht die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van aangeefster op de momenten zoals aangeefster heeft beschreven en dat aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen in een dusdanige toestand van verminderd bewustzijn verkeerde dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent, dan wel weerstand te bieden tegen, de handelingen van verdachte. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat aangeefster zowel ’s nachts in de [locatie] en in de taxi als in de vroege ochtend bij verdachte thuis dronken overkwam, die nacht niet zelfstandig de trap op kon lopen en ’s ochtends nog wankel was toen zij werd opgehaald door haar moeder en broer.


Evenzeer is bewezen dat verdachte wist dat aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde toen hij de seksuele handelingen met haar verrichtte. Hierbij is van belang dat verdachte in de [locatie] een filmpje heeft gemaakt waarop is te zien dat hij aangeefster wat te drinken probeert te geven uit een plastic bekertje. In het beeld staat: “Deze is ko”. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de tekst er op heeft gezet en dat het staat voor “knock-out”. Volgens zijn verklaring betekent het “deze is dronken”. Hij heeft ook verklaard dat ze daarvoor al drinken had laten vallen en dat hij daarom de beker met cola zelf vasthield. Op de vraag van de politie waarom verdachte aangeefster over zijn schouder draagt naar zijn woning, heeft verdachte verklaard dat zij heel hoge hakken aanhad en dat zij dronken was. En dat het niet was gelukt om met haar arm om zijn schouders naar boven te lopen. Deze verklaring heeft verdachte tijdens het volgende verhoor herhaald. Gelet op deze verklaringen van verdachte acht de rechtbank de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat aangeefster niet dronken maar aangeschoten was, dat zij de seksuele handelingen zelf wilde en “alles meekreeg”, niet geloofwaardig. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het proces-verbaal vertaling WhatsApp gesprek blijkt dat verdachte de volgende dag zijn vriend [naam] (bijgenaamd [naam] ) met betrekking tot [slachtoffer] (aangeefster) heeft geappt dat hij iets stoms heeft gedaan, dat ze bijna KO was en dat hij toen zijn lul maar in haar heeft gestopt. Op de opmerking van zijn vriend ‘geef haar de morning-after pil’ heeft verdachte vervolgens het volgende antwoord gegeven: ‘Ahum dan moet ik het haar vertellen. Dat ik haar heb geneukt’. Op de vraag: ‘Lag zij alleen maar?’ heeft verdachte ‘Ja.’ geantwoord.

Alternatief scenario

Volgens verdachte hebben de seksuele handelingen in de ochtend plaatsgevonden, te weten nadat hij het snapchatfilmpje van aangeefster had gemaakt om 07.40 uur en vlak voordat zij omstreeks 08.00 uur werd opgehaald door haar broer en moeder. Volgens verdachte lagen zij allebei op zijn bed en legde aangeefster haar hoofd op zijn schouder. Zij kusten elkaar en aangeefster ging met haar hand in zijn broek. Ze hadden seksuele gemeenschap met elkaar en verdachte heeft aangeefster ook oraal bevredigd. Verdachte heeft aangeefster anaal gepenetreerd, maar toen hij in haar was, zei zij “stop” en toen is hij meteen gestopt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vóór de seksuele gemeenschap aan haar had gevraagd of zij het echt wel wilde en zij had daarop bevestigend geantwoord. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het idee had dat aangeefster alles meekreeg, omdat zij ‘stop’ zei toen hij haar anaal penetreerde.

De rechtbank acht ook deze verklaring van verdachte niet aannemelijk. Aangeefster heeft hierover verklaard dat ze, toen ze wakker werd, al pijn had aan haar anus en korte tijd later al is opgehaald. Dat past bij de door de politie gereconstrueerde tijdlijn. Uit het dossier blijkt dat de broer van aangeefster om 07:53 uur met verdachte heeft gebeld en de broer en moeder van aangeefster om 08:00 uur bij verdachte thuis waren. Dat zou betekenen dat in zo’n 17 tot 20 minuten tijd alle door verdachte beschreven seksuele handelingen zouden moeten zijn verricht en verdachte en aangeefster zich weer aangekleed zouden moeten hebben. De rechtbank acht dat ongeloofwaardig, te meer nu op de snapchat te zien is dat aangeefster op dat moment in een bepaalde roes verkeerde en sloom reageerde. Ook past dit scenario niet bij het eerder genoemde WhatsAppgesprek dat verdachte heeft gevoerd. Het geschetste alternatief scenario wordt verworpen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 november 2017 te Den Helder met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het met meerdere vingers in de vagina gaan van die [slachtoffer] en

- het met diens penis penetreren van de vagina en de anus van die [slachtoffer] en

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] .

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden. Een contactverbod met aangeefster, een locatieverbod voor het adres van het werk van aangeefster in [plaats] en een gebod aan verdachte om al het beeldmateriaal van aangeefster van zijn gegevensdragers en social media accounts te verwijderen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht in geval van een bewezenverklaring de gevorderde straf door de officier van justitie, gelet op de straftoemeting in soortgelijke zaken, te matigen. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop in deze zaak.

Ten aanzien van de door de officier van justitie voorgestelde bijzondere voorwaarden heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte geen locatieverbod voor het adres van het werk van aangeefster op te leggen, nu verdachte niet voornemens is contact met aangeefster op te nemen. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht de overige bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat niet aan het criterium daarvoor is voldaan.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van aangeefster, terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Vanaf de [locatie] heeft verdachte aangeefster in een taxi meegenomen naar zijn huis, waar het seksueel misbruik - waaronder het met de penis penetreren van de vagina en anus van aangeefster - heeft plaatsgevonden, terwijl verdachte wist dat zij zo dronken was dat zij daar geen weerstand tegen kon bieden. Aldus heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Ook heeft hij het vertrouwen van aangeefster, die een bekende van hem was en met wie hij de hele avond en nacht in de [locatie] was opgetrokken, in ernstige mate beschaamd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten langdurig de nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden, hetgeen ook blijkt uit de namens aangeefster ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Aangenomen moet worden dat de verdachte zich bij het verrichten van de gedragingen uitsluitend heeft laten leiden door zijn wens tot bevrediging van zijn eigen seksuele verlangens. Verdachte heeft geprofiteerd van de gelegenheid die zich voordeed, zonder verantwoordelijkheid te nemen voor de mogelijke consequenties van zijn handelen.

De rechtbank acht op zich een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Daarbij heeft de rechtbank mede in ogenschouw genomen dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht bij verkrachting uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank tekent hierbij wel aan dat het bewezenverklaarde feit niet zonder meer met verkrachting op één lijn kan worden gesteld.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 augustus 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict als het onderhavige strafbare feit is veroordeeld en waaruit blijkt dat artikel 63 Sr aan de orde is;

- het over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapport, inhoudend een psychologisch onderzoek, gedateerd 6 juli 2018, opgemaakt door deskundige [deskundige] , waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn voor problematiek op het vlak van zijn persoonlijkheid, onder andere dat verdachte zijn verantwoordelijkheid buiten zichzelf legt, maar dat vanwege zijn beperkte medewerking aan het onderzoek niet kan worden beoordeeld of hij lijdt aan een ziekelijk stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de overige vragen ook niet kunnen worden beantwoord, waaronder de vraag naar de kans op recidive;

- het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, gedateerd 28 december 2018, van [reclasseringswerker] als reclasseringswerker verbonden aan de Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, nu de reclassering geen mogelijkheden en noodzaak ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.

De rechtbank houdt verder rekening met de relatief jonge leeftijd van verdachte (ten tijde van het feit 20 jaar) en het inmiddels verstreken tijdsverloop.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 18 maanden moet worden opgelegd. Nu de kans op recidive niet kan worden ingeschat vanwege de beperkte medewerking van verdachte aan het psychologisch onderzoek, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat een gedeelte van zes maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf zal een proeftijd worden verbonden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank - net als de officier van justitie - de volgende twee bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Een contactverbod met aangeefster en een voorwaarde betreffende het gedrag van verdachte, inhoudend dat verdachte het beeldmateriaal van [slachtoffer] , dat hij op 25 en 26 november 2017 heeft gemaakt, van zijn gegevensdragers en social media accounts zichtbaar moet verwijderen - voor zover dit technisch mogelijk is - en verwijderd houden. Laatstgenoemde voorwaarde betreft een handeling waartoe verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Verdachte heeft immers verschillende foto’s en filmpjes gemaakt en op zijn sociale media account(s) geplaatst, waarop/in aangeefster in een dronken en compromitterende toestand te zien is. Hij dient dit beeldmateriaal derhalve te verwijderen. Het betreft:

1) het snapchatfilmpje en de foto zoals omschreven in het proces-verbaal aanleveren foto en filmpje door verdachte d.d. [datum] (p. [paginanummers] ) en

2) de videobestanden zoals omschreven in het proces-verbaal omschrijving WhatsApp gesprekken, foto's en filmpjes d.d. [datum] (p. [paginanummers] en [paginanummers] ).

Deze voorwaarden worden dan ook aan het voorwaardelijke deel gekoppeld. Het Openbaar Ministerie is met het toezicht op de naleving van beide voorwaarden belast (artikel 14d lid 1 Sr). Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de gedragsvoorwaarde overweegt de rechtbank dat dit voor verdachte niet (te) ingrijpend is noch schending van zijn recht op privacy oplevert, nu hij zich ter zitting bereid heeft verklaard het beeldmateriaal van aangeefster te verwijderen. Ter bescherming van aangeefster acht de rechtbank deze toezegging echter onvoldoende en dus een dwingend kader aangewezen.

Het door de officier van justitie gevraagde locatieverbod voor het werkadres van aangeefster zal de rechtbank niet opleggen, nu er al een verbod op contact met aangeefster wordt opgelegd, verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij geen contact met aangeefster wenst en voor hem de mogelijkheid bestaat om in een ander filiaal te winkelen dan de Primark in Alkmaar zodat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat aangeefster zonder locatieverbod mogelijk ongewild wordt geconfronteerd met verdachte.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De bijzondere voorwaarden worden daarom niet dadelijk uitvoerbaar verklaard.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.468,15 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de schadedatum.

De gestelde materiële schade bedraagt € 468,15 en bestaat uit loonderving wegens ziekte, niet vergoede zorgkosten en reiskosten vanwege bezoeken aan artsen en andere beroepsbeoefenaren betrokken bij de medische behandeling.

Aan immateriële schade vordert de benadeelde partij € 5.000,00. Zij is met een SOA besmet geraakt en lange tijd beperkt geweest in haar bewegingsvrijheid uit angst om verdachte tegen te komen en omdat zij de gevolgen van het gebeuren moest verwerken. Ze heeft drie maanden EMDR behandeling gevolgd vanwege angst en paniekklachten. Ze had last van een negatieve stemming en vermijdingsgedrag, slaapproblemen, verminderde concentratie en was bovenmatig alert.

Daarnaast vordert de benadeelde partij, na vermindering van haar vordering ter zitting, vergoeding voor de proceskosten voor een bedrag van € 64,74 (reiskosten in verband met het strafproces).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toewijsbaar is.

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de post loonderving onvoldoende onderbouwd is nu er geen verklaring van de bedrijfsarts is overgelegd en dus niet is gebleken van 100% arbeidsongeschiktheid, en de posten zorgkosten en reiskosten vanwege medische bezoeken geen rechtstreeks verband houden met het ten laste gelegde feit, nu niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij door verdachte een SOA heeft opgelopen. De raadsvrouw verzoekt dit ook mee te laten wegen bij de begroting van de gevorderde immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit.

Ten aanzien van de post loonderving is gesteld dat aangeefster van 26 november 2017 tot medio maart 2018 wegens ziekte niet heeft gewerkt en dat vier wachturen niet zijn uitbetaald. Op de overgelegde salarisstroken van die periode is vermeld ‘Uren ziek 100%’. Hieruit blijkt dat aangeefster als gevolg van (100%) ziekte niet heeft gewerkt in genoemde periode. Het verweer van de raadsvrouw gaat derhalve niet op. Dit deel van de vordering zal dus, als overigens niet weersproken, worden toegewezen (€ 34,36).

De gevorderde zorgkosten (€ 148,89) en reiskosten (€ 284,90) zullen eveneens worden toegewezen. Bij aangeefster is kort na het bewezenverklaarde feit een SOA vastgesteld in zowel de vagina als de anus. Nu aangeefster heeft verklaard dat zij vóór het gebeurde met verdachte nooit anale seks heeft gehad, acht de rechtbank aannemelijk dat de bewezen verklaarde gedragingen van verdachte de SOA hebben veroorzaakt. De enkele stelling van verdachte dat hij geen SOA had doet hier niet aan af.

Vergoeding van de gevorderde immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Uit de door de benadeelde partij overgelegde informatie van de GZ-psycholoog, seksuoloog NVVS blijkt dat aangeefster zich met verschillende klachten bij de psycholoog, seksuoloog heeft gemeld. Bij aanmelding was de DSM-5 classificatie: acute stressstoornis. De behandeling heeft bestaan uit EMDR, cognitieve gedragstherapie en steunend contact. Deze vordering zal derhalve eveneens worden toegewezen.

De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over het gevorderde bedrag vanaf 26 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op het gestelde en niet weersproken bedrag van € 64,74.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het seksueel binnendringen van het lichaam van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen, 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • -

    veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum aangever] , wonende te [adres aangeefster] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    veroordeelde het beeldmateriaal van [slachtoffer] , te weten het snapchatfilmpje en de foto zoals omschreven in het proces-verbaal aanleveren foto en filmpje door verdachte d.d. [datum] (p. [paginanummers] ) en de videobestanden zoals omschreven in het proces-verbaal omschrijving WhatsApp gesprekken, foto's en filmpjes d.d. [datum] (p. [paginanummers] en [paginanummers] ), van zijn gegevensdragers en social media accounts verwijdert - voor zover dit technisch mogelijk is - en verwijderd houdt.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.468,15 (zegge: vijfduizendvierhonderdachtenzestig euro en vijftien eurocent), bestaande uit € 468,15 als vergoeding voor de materiële schade en € 5.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 64,74, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.468,15 (zegge: vijfduizendvierhonderdachtenzestig euro en vijftien eurocent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.O.P. Roché, voorzitter,

mr. I.H. Lips en mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A.D. Renshof,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.