Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8356

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 231
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering WAO-uitkering

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/231

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. dr. [gemachtigde] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. van der Feer).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat de uitkering van eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in de jaren 2006 en 2007 moet worden uitbetaald als ware zij 65-80% arbeidsongeschikt in plaats van 80-100%. Van eiseres is een bedrag van € 12.085,56 bruto teruggevorderd.

Bij besluit van 18 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft vanaf 23 september 1989 recht op een WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2

Naar aanleiding van een interne melding op 16 februari 2018 dat eiseres werkzaamheden zou verrichten in het bedrijf van haar echtgenoot is verweerder op 4 april 2018 een onderzoek gestart. Het onderzoek heeft onder meer bestaan uit bestudering van het dossier, raadpleging van de systemen, het opvragen en verkrijgen van informatie van de Belastingdienst, het raadplegen van het internet en een gesprek met eiseres op 15 mei 2018.

1.3

Uit het onderzoek is volgens verweerder gebleken dat eiseres werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van haar echtgenoot en hiervoor in de jaren 2006, 2007 (en 2011) inkomsten heeft ontvangen. Namens eiseres is aan de Belastingdienst opgegeven dat sprake is geweest van een arbeidsbeloning voor meewerkend partner in de jaren 2006 en 2007 van
€ 5.000,-. Hiervan heeft eiseres geen melding gedaan bij verweerder.

1.4

Verweerder heeft vervolgens besloten zoals hiervoor vermeld onder procesverloop.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres in de jaren 2006 en 2007 een inkomen heeft genoten in verband met werkzaamheden in het bedrijf van haar echtgenoot, waarvan zij mede-eigenaar is. Uit de website van het bedrijf volgt dat eiseres een gelijkwaardige, dan wel behoorlijke inbreng in het bedrijf heeft gehad. Er is geen concrete en verifieerbare informatie voorhanden om een juiste inschatting te maken van de omvang van de werkzaamheden van eiseres. Om die reden is voor de vaststelling van het inkomen van eiseres uitgegaan van de gegevens zoals die zijn doorgegeven aan de Belastingdienst. De fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres in de jaren 2006 en 2007 bedraagt respectievelijk 78,70% en 79,10%. Eiseres blijft 80-100% arbeidsongeschikt, maar had uitbetaald moeten worden naar de klasse 65-80%. Dit is niet gebaseerd op een medische beoordeling, maar op haar verdiensten. Verweerder is gehouden de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen. Er is geen aanleiding om op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien.


Ten aanzien van de procesorde

3. Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerder in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door pas in beroep alle onderliggende stukken in te dienen, terwijl was toegezegd dit in een eerdere fase te doen. Zij is hierdoor in haar belangen geschaad, omdat nu pas gericht de Belastingdienst kan worden benaderd.

4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld wordt dat verweerder alle op de zaak van toepassing hebbende stukken in beroep heeft overgelegd, waaronder de Belastingaangiftes van eiseres over 2006 en 2007. Eiseres heeft ook voldoende de gelegenheid gehad om hierop te reageren. Hoewel het wellicht zorgvuldiger was geweest deze stukken eerder aan eiseres te doen toekomen, ook gelet op de toezegging van verweerder op de hoorzitting in bezwaar, is geen sprake van strijd met de goede procesorde. Daarvoor is van belang dat deze stukken gegevens van de Belastingdienst betreffen die eiseres zelf behoort te hebben of kon opvragen. Immers, het betreft de Belastingaangiftes van eiseres zelf. Eiseres is dan ook niet in haar belangen geschaad.

Ten aanzien van de herziening van de uitkering over 2006 en 2007

5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat zij geen werkzaamheden heeft verricht of beloningen verkregen of verdiend. Zij heeft nooit € 5.000,- verdiend in die jaren. Er is alleen gebruik gemaakt van een fiscale regeling (de meewerkende partner regeling) door de boekhouder, die deze boekhouder ook nog verkeerd heeft toegepast. Eiseres had dan ook niet kunnen begrijpen van welke feiten zij verweerder op de hoogte had moeten stellen. Als er al werkzaamheden door haar zijn verricht dan waren deze marginaal. De gegevens op de website zijn niet overeenkomstig met de werkelijkheid, maar slechts reclame-uitingen.
6. De rechtbank staat geplaatst voor de vraag of eiseres voor de toepassing van artikel 44 van de WAO relevante inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en of zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Vervolgens is het de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten de uitkering van eiseres met terugwerkende kracht te herzien. Het volgende wordt overwogen.

7.1

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de WAO wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

7.2

Artikel 80, eerste lid, van de WAO bepaalt dat degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

7.3

Artikel 36a, eerste lid, onder b, van de WAO, bepaalt dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, het Uwv een dergelijke beschikking herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

8.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) komt bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten als inkomen uit arbeid moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 23 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU9534 en 11 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3043).

9. Vaststaat dat eiseres bij de Belastingdienst over de jaren 2006 en 2007 € 5.000,- aan ‘resultaat uit werkzaamheden door arbeid’ bij [gemachtigde] Juridisch Advies, heeft opgevoerd. Deze aangiften van eiseres zijn door de Belastingdienst gehonoreerd. Toepassing van de hiervoor vermelde hoofdregel brengt mee dat de inkomsten door verweerder in beginsel terecht als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 44 van de WAO zijn aangemerkt.

10. Het is aan eiseres om aan te tonen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen. Hierin is eiseres niet geslaagd. Het is een eigen keuze geweest om een resultaat uit werkzaamheden op te voeren. Voor zover de boekhouder dit heeft geadviseerd en de opgave bij de Belastingdienst heeft gedaan overweegt de rechtbank dat eiseres zelf verantwoordelijk blijft voor het opgeven van de juiste gegevens. De omstandigheid dat de arbeidsinbreng gering zou zijn geweest levert, wat hier ook van zij, geen bijzondere omstandigheid op (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA3015). De rechtbank concludeert dan ook dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de fiscale keuze bij de toepassing van artikel 44 van de WAO niet in redelijkheid tot uitgangspunt had kunnen worden genomen, niet is gebleken.

11. Verweerder is verplicht toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO als aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan. Volgens vaste rechtspraak van CRvB kan artikel 44 van de WAO in beginsel ook met terugwerkende kracht worden toegepast. Verweerder ziet hier slechts van af als het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat teveel uitkering wordt ontvangen (uitspraak van de CRvB van 11 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2835).

12. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de in 2006 en 2007 bij de Belastingdienst opgegeven inkomsten van invloed waren of konden zijn op haar WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid zijn onmiskenbaar van belang bij de vaststelling van het recht op uitkering. Het is voorts, gelet op artikel 80, van de WAO, aan eiseres om uit eigen beweging alle informatie aan verweerder te verschaffen die van invloed kan zijn op het recht of de hoogte van de uitkering. Niet is gebleken dat verweerder op de hoogte was van door eiseres genoten inkomsten. Het telefoongesprek tussen eiseres en verweerder in oktober 2009 leidt niet tot dit oordeel, reeds omdat dit gesprek niet zag op de jaren 2006 en 2007. Uit de gespreksnotitie blijkt voorts alleen dat eiseres haar intentie tot het verrichten van arbeid heeft besproken. Bovendien blijkt uit het gespreksverslag van 15 mei 2018 dat eiseres heeft verklaard op de hoogte te zijn van de op haar rustende inlichtingenverplichting ten aanzien van (onder meer) het verrichten van werkzaamheden.

13. Geconcludeerd wordt dan ook dat sprake is geweest van in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid en dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de door verweerder op basis van deze inkomsten gemaakte berekening van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid onjuist zou zijn. De WAO-uitkering van eiseres dient als gevolg van deze (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid over de jaren 2006 en 2007 te worden herzien.

Ten aanzien van de terugvordering.

14. Eiseres heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de vordering is verjaard.

15. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel, vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van de uitkering aan op het moment dat verweerder bekend is geworden met feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan eiseres wellicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend. In het geval van eisers is dat moment niet eerder aangebroken dan na de afronding van het onderzoek en het daarvan opgemaakte rapport van 4 juni 2018. Gelet hierop treft het beroep van eiseres op verjaring geen doel.

16. Verder heeft eiseres over de terugvordering aangevoerd dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid, maar 1% onder de grens van 80-100% zit. Daarom is de terugvordering volgens haar in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

17. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd. Ingevolge het zesde lid van dit artikel kan daarvan geheel of gedeeltelijk worden afgezien indien daarvoor dringende redenen zijn. Anders dan eiseres kennelijk voor ogen heeft is voor een redelijkheids- en billijkheidstoets geen ruimte. Verweerder is op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO, gehouden de teveel betaalde uitkering terug te vorderen. Alleen als daarvoor dringende redenen zijn, kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders of uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van eiseres geen sprake is van dringende redenen.

18. De conclusie is dat het bestreden besluit stand kan houden.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. M.D. Gunster, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.