Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8353

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-08-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1201 en AWB - 19 _ 634
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/1201 en HAA 19/634

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 augustus 2019 in de zaken tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Sewtahal).

Procesverloop

HAA 18/1201

Verweerder heeft de uitkering van eisers op grond van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 mei 2017 geblokkeerd (het primaire besluit I).

Bij besluit van 6 juli 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de uitkering van eisers op grond van de PW per 1 mei 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 19 februari 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

HAA 19/634


Bij besluit van 13september 2018 (het primaire besluit III) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers herzien over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 april 2017 en € 32.100,94 bruto van eisers teruggevorderd.

Bij besluit van 15 januari 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers onder verbetering van de motivering ongegrond verklaard, in die zin dat de uitkering over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 april 2017 dient te worden ingetrokken in plaats van herzien.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eisers ontvangen sinds 3 juli 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de PW. Naar aanleiding van anonieme meldingen op 17 september 2015,
29 september 2015, 14 oktober 2015 en 9 juli 2016 waarin – samengevat – is vermeld dat eiser al tien jaar zwart werkt, waarmee hij € 40.000,- per jaar verdient, een auto van de zaak heeft en 40 dagen in plaats van 28 dagen op vakantie gaat met zijn gezin, heeft verweerder op 2 juni 2016 een onderzoek gestart. Dit onderzoek heeft bestaan uit dossieronderzoek, raadpleging van de BRP, Suwinet, de RDW, de KvK en het internet, het opvragen en verkrijgen van gegevens van de Belastingdienst, Budgetair.nl, Pegasus airlines en ING bank, waarnemingen in de periode tussen 2 juni 2016 en 18 mei 2017, het horen van getuigen op 29 mei 2017 en een gesprek met eiser op 30 mei 2017. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 19 juni 2017.

1.2.

Aan eiser is tijdens het gesprek op 30 mei 2017 medegedeeld dat de uitbetaling van de bijstandsuitkering lopende het onderzoek met ingang van 1 mei 2017 is geblokkeerd (het primaire besluit I). Hiertegen hebben eisers op 6 juni 2017 bezwaar gemaakt.

1.3.

Per 7 juni 2017 is wederom aan eisers een bijstandsuitkering toegekend.

1.4.

Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit II de bijstandsuitkering van eisers met ingang van 1 mei 2017 ingetrokken omdat volgens verweerder uit onderzoek is gebleken dat eiser werkzaamheden heeft verricht bij het verbouwen van woningen. Deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit heeft eiser niet gemeld en zijn daarom onduidelijk. Eisers financiële situatie is als gevolg hiervan niet vast te stellen. Ook tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

1.5.

Verweerder heeft het onderzoek voortgezet met betrekking tot de periode van vóór
1 mei 2017. [naam 3] ( [naam 3] ), de vermeende opdrachtgever van eiser, is op
24 oktober 2017 als getuige gehoord, er is informatie opgevraagd bij en verkregen van verhuurbedrijf ‘ [verhuurbedrijf] ’, het kadaster is geraadpleegd en er zijn eigenaren gehoord van de panden waar in de periode vanaf half 2015 tot en met april 2017 bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

1.6.

Verweerder heeft vervolgens, naar aanleiding van de onderzoeksresultaten, het primaire besluit III genomen, waarbij de bijstandsuitkering van eisers over de periode van
1 september 2015 tot en met 30 april 2017 is herzien en teruggevorderd tot een bedrag van
€ 32.100,94 bruto, omdat is gebleken dat eiser in deze periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij het verbouwen van woningen voor het bedrijf van
[naam 3] . De inkomsten heeft eiser in strijd met de voor hem geldende inlichtingenverplichting niet gemeld als gevolg waarvan er ten onrechte bijstand is verleend. Tegen dit besluit hebben eisers ook bezwaar gemaakt.

2.

2.1.

De commissie van bezwaarschriften heeft ten aanzien van de bezwaren gericht tegen de primaire besluiten I en II – samengevat en voor zover van belang – als volgt geadviseerd. Verweerder is terecht overgegaan tot blokkeren van de uitkering omdat het gegronde vermoeden bestond dat eisers de op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen. Het hiertegen gerichte bezwaar is dan ook ongegrond. Er is door verweerder terecht een onderzoek gestart op basis van de ontvangen anonieme meldingen. Deze waren concreet, gedetailleerd en onderbouwd met bewijsstukken. De commissie is echter van mening dat de uitgevoerde observaties onevenredig zwaar zijn in verhouding tot het beoogde doel. De mate waarin dit is gebeurd is een meer dan beperkte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van eiser en voldoet niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit om de inbreuk te rechtvaardigen. De direct uit de observaties van eiser gebleken waarnemingen kunnen daarom volgens de commissie niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Echter, na weglating van deze waarnemingen, is er gelet op de overige onderzoeksresultaten nog voldoende grond om aan te nemen dat eisers hun inlichtingenverplichting geschonden hebben als gevolg waarvan het recht op bijstand niet (meer) is vast te stellen. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de door eiser afgelegde verklaring. Eiser heeft verklaard de taal goed te verstaan en het aan te geven wanneer hij een en ander niet zou begrijpen. Daarnaast heeft hij na het voorlezen de verklaring ondertekend. Het bezwaar gericht tegen de intrekking per 1 mei 2017 is dan ook ongegrond.

2.2.

Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen de blokkering en de intrekking bij het bestreden besluit I ongegrond verklaard. Volgens verweerder volgt uit de onderzoeksresultaten genoegzaam dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij verweerder. Het recht op bijstand is als gevolg hiervan niet (meer) vast te stellen. In afwijking van de commissie van bezwaarschriften stelt verweerder dat de verkregen bewijsstukken uit de observaties niet buiten beschouwing moeten worden gelaten. De waarnemingen zijn ten onrechte als één geheel aangemerkt. Het doel van de waarnemingen was om te onderzoeken of eiser op geld waardeerbare activiteiten verricht. Deze waren niet gericht op eisers privé- en woonsituatie, maar allereerst op het voertuig geregistreerd op naam van [naam 3] in connectie met eiser en de werkplekken die hij zou kunnen bezoeken. De waarnemingen waren niet gericht op het verkrijgen van een volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van eiser. In de waarnemingen is een onderscheid aan te brengen en bovendien zijn er meerdere waarnemingen gedaan van minder dan 20 minuten. Van 2 juni 2016 tot 9 november 2016 zijn de waarnemingen enkel gericht op het voertuig van [naam 3] . Op 3 februari 2017 werd pas voor het eerst vastgesteld dat de bestuurder naar een werkplek vertrok. Pas op
7 februari 2017 werd duidelijk dat dit eiser betrof. Pas toen werd hij als persoon geobserveerd met zijn zakelijke activiteiten. Er is dan ook volgens verweerder geen sprake van stelselmatige observaties van eisers woon- of leefsituatie waarmee een ernstige inbreuk gemaakt wordt op het recht op respect voor zijn privéleven.

2.3.

De commissie van bezwaarschriften heeft ten aanzien van het bezwaar gericht tegen het primaire besluit III – samengevat en voor zover van belang – als volgt geadviseerd. Het bezwaar dient ongegrond verklaard te worden onder verbetering van de motivering, in die zin dat de uitkering over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 april 2017 niet moet worden herzien, maar ingetrokken.
Uit de onderzoeksresultaten is volgens de commissie genoegzaam gebleken dat eiser in voornoemde periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Dit volgt uit de verklaring van eiser zelf, de verklaring van [naam 3] en de verklaringen van de bewoners van de adressen waar verbouwd is alsmede het permanent ter beschikking hebben van een bedrijfsauto. Ook is gebleken dat eisers langer dan 28 dagen per kalenderjaar in het buitenland hebben verbleven. Hiervan is niet uit eigen beweging melding gemaakt. Een bedrijfsadministratie en een activiteitenoverzicht ontbreken als gevolg waarvan het recht op bijstand in deze periode niet (meer) kan worden vastgesteld.
Anders dan eerst is de commissie van mening dat met de observaties geen inbreuk is gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van eiser. De waarnemingen waren er niet op gericht een volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van eiser in kaart te brengen. Er is dan ook geen sprake van een inbreuk op het privéleven van eiser. Verder is er geen sprake geweest van stelselmatige observaties. Ook zonder deze observaties zou verweerder bovendien via [verhuurbedrijf] aan de verklaringen van de bewoners van de woningen waar [naam 3] heeft verbouwd zijn gekomen.
Gelet op het verblijf in het buitenland had de uitkering eigenlijk ook over de periode van
7 tot en met 14 augustus 2015 ingetrokken moeten worden. Dat dit niet is gebeurd is in het voordeel van eisers. Verweerder is in dit geval gehouden tot terugvordering. Er is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan verweerder hiervan had moeten af zien.

2.4.

Verweerder heeft conform voornoemd advies het bestreden besluit II genomen.

3. Eisers hebben zich op de volgende standpunten gesteld. Verweerder heeft niet aan het primaire besluit II ten grondslag gelegd dat volgens hem sprake is geweest van het niet melden van het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Uit het bestreden besluit I volgt niet dat de grondslag is gewijzigd. Het advies van de adviescommissie is daartoe volgens eisers onvoldoende.
De direct uit de observaties verkregen waarnemingen zijn voorts in strijd met artikel 8 van het EVRM verkregen en mogen dan ook niet als bewijs gebruikt worden. Er is middels de observaties een volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van eiser verkregen. Onderwerp van het onderzoek was eiser en niet het voertuig dat hij tot zijn beschikking had. De controleurs wisten hoe laat eiser van huis ging, waar hij naar toe ging en hoe hij reisde. Er zijn patronen waargenomen. De waarnemingen kunnen niet afzonderlijk van elkaar worden gezien, maar moeten als geheel worden beoordeeld. Volgens eiser is er gelet op de onderzoeksactiviteiten en de duur daarvan sprake van stelselmatige observaties. Dat er observaties zijn geweest van minder dan een minuut is onvoldoende onderbouwd. Het door verweerder overgelegde overzicht is niet ondertekend en bovendien achteraf opgesteld. Voor stelselmatige observaties biedt de PW geen grondslag. De daaruit verkregen gegevens moeten dan ook buiten beschouwing blijven.
Voorts stellen eisers dat de onderzoeksresultaten onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt dat eiser op geld waardeerbare activiteiten zou hebben verricht. Eiser kan niet aan zijn eigen verklaring worden gehouden nu er ten onrechte geen tolk is ingeschakeld. Aan de verklaringen van de bewoners van de adressen waar verbouwd is, kan evenmin waarde worden gehecht. Zij zijn beïnvloed. Onder meer doordat zij een foto hebben gezien van eiser waarop hij in de bouw aan het werk is. Daarbij komt dat op de foto van eisers paspoort zijn naam te zien is. Verder volgt niet uit elke verklaring waarop deze gebaseerd is, zijn niet alle verklaringen ondertekend en is eiser ook door getuigen niet herkend.
Voor zover er al werkzaamheden zouden zijn verricht, zijn deze volgens eisers niet op geld waardeerbaar. Hij heeft enkel stage gelopen in de periode van 31 januari 2017 tot en met
18 mei 2017 en hiervoor geen vergoeding gekregen. Dit betreffen sociaal maatschappelijke werkzaamheden. [naam 3] heeft dit ook verklaard.
Indien wel sprake zou zijn geweest van op geld waardeerbare werkzaamheden dan zijn eisers van mening dat zij, gelet op de omvang van de werkzaamheden, recht op aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Verweerder had dit schattenderwijs moeten vaststellen. Hij heeft maximaal zes uur per dag gewerkt. Vanwege zijn medische gesteldheid is hij niet tot meer uren in staat. Uitgaande van 21,75 werkdagen per maand en zes uur per dag komt eiser uit op € 465,75 uur in totaal. Tegen het minimale uurloon zou eiser hiermee € 4.129,02 hebben kunnen verdienen. Maandelijks betekent dit € 1.179,72. Afgezet tegen de voor eisers geldende bijstandsnorm betekent dit dat zij maandelijks nog recht zouden hebben op
€ 154,07 aan aanvullende bijstand.

4. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder het recht op uitkering van eisers terecht heeft ingetrokken en de verstrekte bijstand terecht van eisers heeft teruggevorderd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder voldoende aangetoond heeft dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij vanaf 1 september 2015 werkzaamheden heeft verricht en zo ja, of als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op het feit dat aan eisers per 7 juni 2017 opnieuw bijstand is verstrekt betreft de te beoordelen periode 1 september 2015 tot en met
6 juni 2017.

5. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

6.1.

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verweerder de onderzoeksresultaten ten grondslag heeft mogen leggen aan de bestreden besluiten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

6.2.

Uit het door verweerder bij het bestreden besluit I overgelegde overzicht volgt dat waarnemingen zijn verricht in de periodes van:
- 2 juni 2016 tot en met 7 juli 2016;
- 31 augustus 2016 tot en met 20 oktober 2016;
- 24 oktober 2016 tot en met 9 november 2016;
- 25 januari 2017 tot en met 24 februari 2017;
- 15 maart 2017 tot en met 5 april 2017 en;
- 10 mei 2017 tot en met 18 mei 2017.
In de eerste drie genoemde periodes zijn in totaal op 48 dagen 70 waarnemingen verricht, waarvan 61 bestonden uit ‘langsrijden, minder dan 1 minuut’. Alle waarnemingen zijn voorts verricht vanaf de gemeenschappelijke parkeerplaats voor buurtbewoners nabij de woning van eisers of elders in de wijk en waren gericht op de aanwezigheid of het vertrek van de auto geregistreerd op naam van [naam 3] .
In de laatste drie periodes zijn gedurende 33 dagen 47 waarnemingen verricht, waarvan 26
1 minuut of minder hebben geduurd. De waarnemingen zijn allen verricht vanaf de openbare weg en waren zowel gericht op de aanwezigheid of vertrek van de auto als op eiser in combinatie met diens werklocaties.

6.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid en volledigheid van dit overzicht te twijfelen. Zoals door verweerder ter zitting is verklaard, is dit overzicht opgesteld door
[naam 4] , specialist handhaving en toezichthouder van het cluster sociale dienstverlening, die samen met een collega de desbetreffende waarnemingen heeft verricht. De omstandigheid dat dit overzicht achteraf is opgesteld, doet niet af aan de geloofwaardigheid. Te meer nu dit een samenvatting van de reeds opgetekende verrichte waarnemingen betreft. Voorts maakt de omstandigheid dat [naam 4] het overzicht niet heeft ondertekend evenmin dat hieraan dient te worden getwijfeld.

6.4.

Uit voornoemd overzicht volgt dat sprake is geweest van (kortdurende) waarnemingen vanaf de openbare weg of parkeerplaats, die vooral zijn gericht op de aanwezigheid van de auto waarin eiser reed in de nabijheid van de woning van eiser en eisers werklocaties. Gelet op de duur, intensiteit en frequentie van de waarnemingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van stelselmatige observaties (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1382). Op grond van de waarnemingen kon anders dan eisers menen niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van eiser worden verkregen. De enkele omstandigheid dat hieruit duidelijk is geworden welke looproute eiser in de meeste gevallen naar de door hem gebruikte auto heeft genomen en op welke tijdstippen eiser van huis vertrok naar de werklocaties en weer thuis kwam zijn hiertoe onvoldoende. De waarnemingen vormden dan ook een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van eiser. Artikel 53a van de PW vormt voor die waarnemingen een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Van strijd met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is geen sprake. Verweerder heeft de onderzoeksresultaten dan ook ten grondslag mogen leggen aan de bestreden besluiten.

7.1.

Uit de waarnemingen is gebleken dat eiser gebruik maakt van een bedrijfsauto op naam van [naam 3] . Waargenomen is dat eiser op twee adressen (verbouw)werkzaamheden heeft verricht. De eigenaren van de woningen op deze adressen hebben verklaard dat eiser bij hen gewerkt heeft. Verder heeft eiser op 30 mei 2017 – samengevat – verklaard dat hij soms zijn vriend, [naam 3] , helpt in de bouw, maar geen officieel werk heeft en hiermee niets heeft verdiend. Dit doet hij naar eigen zeggen vanaf halverwege 2016. De werkzaamheden zijn de laatste tijd intensiever geworden. De heer [naam 5] heeft daarnaast op 1 juni 2017 verklaard vanaf begin 2017 samen met eiser werkzaamheden voor [naam 3] te hebben verricht.
heeft vervolgens op 24 oktober 2017 verklaard dat eiser bij hem stage heeft gelopen vanaf eind januari 2017 en vanaf eind juni 2016 incidenteel plaatmateriaal of balken voor hem ophaalde met de bedrijfsauto. Uit verklaringen van eigenaren van andere panden waar [naam 3] verbouwingen heeft uitgevoerd, volgt voorts – samengevat – dat eiser in ieder geval eind 2015 tot eind 2016 werkzaamheden bij hen heeft verricht.

7.2.

Er is geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Volgens vaste rechtspraak mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Eiser heeft blijkens de verklaring aangegeven dat de rapporteurs geen rare dingen hebben gedaan en dat een normaal gesprek is gevoerd. Hij heeft verder aangegeven de taal voldoende machtig te zijn en de verklaring goed te hebben begrepen. Hij heeft bovendien na het voorlezen van zijn verklaring enkele aanpassingen doorgegeven. Eiser heeft vervolgens elke pagina van de verklaring ondertekend. Daarbij komt dat eisers verklaring steun vindt in de overige onderzoeksresultaten. De verklaringen van de eigenaren van de woningen waar verbouwingen hebben plaatsgevonden zijn voorts concreet, gedetailleerd en gebaseerd op eigen waarnemingen. Niet gevolgd kan worden dat de getuigen door de ondervragers zouden zijn beïnvloed. Dat een foto is getoond waarop eiser aan het werk was, leidt niet daartoe. Voorts is tijdens de zitting door verweerder verklaard dat wanneer een foto uit een paspoort wordt getoond, de naam wordt afgeplakt. Dat er ook getuigen hebben verklaard eiser niet te herkennen, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de overige afgelegde verklaringen.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voornoemde onderzoeksresultaten dan ook voldoende dat eiser in de periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Gezien de omvang en het structurele karakter van de werkzaamheden lag het op de weg van eiser om hiervan melding te maken bij verweerder. Ook al zou hij voor zijn werkzaamheden geen geld hebben ontvangen, dan nog is het verrichten van op geld waardeerbare arbeid een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de onderzoeksbevindingen een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

8. Eiser is er voorts niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat wanneer hij zijn werkzaamheden wel had gemeld, hij recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Hij heeft geen administratie bijgehouden van zijn werkzaamheden en ook [naam 3] heeft hierover geen duidelijkheid verschaft. Dit dient voor rekening en risico van eiser te komen. Het door eiser gestelde aantal gewerkte uren is voorts niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Hierin heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien om het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen.

9. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het recht op bijstand van eisers over de periode in geding terecht heeft ingetrokken, nu als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet meer vast te stellen is of zij hier recht op hadden.

10. Verweerder was gelet hierop gehouden de ten onrechte verstrekte bijstand van eisers ter hoogte van € 32.100,94 bruto terug te vorderen. Tegen de hoogte van de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden ingediend. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering had dienen af te zien is niet gebleken. De rechtbank wijst er daarbij op dat verweerder eisers aflossingscapaciteit bij het bestreden besluit II met in achtneming van de beslagvrije voet heeft vastgesteld op € 59,52 en dat eisers hiertegen geen gronden hebben aangevoerd.

11. De bestreden besluiten kunnen standhouden. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, voorzitter, en mr. W.B. Klaus en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.