Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8308

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19_798
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag bijstand; transitievergoeding; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/798

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen

Stichting Humanitas Inkomensbeheer, in de hoedanigheid van bewindvoerder van

[eiser] , wonend te [woonplaats] ,
eiser,

(gemachtigde: mr. J. Jong),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Fluit en mw. A. Zwarthoed).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser ontvangt vanaf 12 januari 2018 een WIA-uitkering van € 1.630,04 bruto per maand. Vanaf 12 maart 2018 zal de uitkering lager uitvallen. Reden voor eiser om op 5 april 2018 een bijstandsuitkering aan te vragen. Deze aanvraag is afgewezen op 7 juni 2018 omdat eiser een transitievergoeding van € 16.408,15 bruto heeft ontvangen van zijn voormalig werkgever hetgeen volgens verweerder als inkomen is aan te merken. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2

Op 6 augustus 2018 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend voor bijstand. Verweerder heeft de aanvraag op 1 oktober 2018 afgewezen met toepassing van artikel 4:6 Awb, nu sinds de vorige aanvraag en afwijzing van 7 juni 2018 niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb. Daarnaast heeft verweerder onderzocht of de eerdere afwijzing van 7 juni 2018 juist was. Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord, onder overweging dat de transitievergoeding die eiser heeft ontvangen van zijn werkgever moet worden aangemerkt als inkomen. De transitievergoeding kan naast een invulling op het inkomen immers ook gebruikt worden voor het volgen van opleidingen om zo de transitie mogelijk te maken naar ander werk. Dit is niet het geval voor eiser, nu hij arbeidsongeschikt is. In dat geval kan de transitievergoeding geheel gebruikt worden als aanvulling van het inkomen en verschilt deze niet van de oude ontslagvergoeding.

3.
Eiser voert in beroep aan dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesteld dat de transitievergoeding moet worden gezien als inkomen. Op zich is het juist dat de oude ontslagvergoeding van voor 1 juli 2015 als inkomen werd gezien, bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan voor de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De transactievergoeding heeft echter een geheel ander karakter. Deze vergoeding is enerzijds bedoeld als compensatie voor ontslag, maar anderzijds ook om de overgang naar betaald werk te vergemakkelijken. Bovendien kan de werkgever kosten voor scholing of outplacement in mindering brengen op de transitievergoeding. Reden waarom de transitievergoeding niet bedoeld is ter voorziening in het levensonderhoud voor de periode na het eindigen van de arbeidsovereenkomst.
Eiser heeft bovendien verwezen naar de Nota naar aanleiding van het verslag aangaande het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (TK 2013-2014, 33818, nr. 7, p. 70), waarin is opgenomen dat de transactievergoeding volgens de wetgever expliciet geen inkomensvoorziening omhelst.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of aan een inhoudelijke beoordeling toegekomen kan worden of dat enkel aan de orde is of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 december 2016 met ECLI:NL:CRVB:2016:4872) volgt dat het bestuursorgaan kan kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek onder verwijzing naar 4:6 Awb af te wijzen. Echter, als het bestuursorgaan het verzoek om terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit, over het verzoek om terug te komen van een besluit, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit.

6. Voorts heeft de CRvB, in een situatie waarbij verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt had gesteld dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden, maar tegelijkertijd wel over was gegaan tot een inhoudelijke heroverweging, aanleiding gezien om de betreffende zaak inhoudelijk te beoordelen (zie de uitspraak van 25 januari 2017, met ECLI:NL:CRVB:2017:288). Deze situatie doet zich hier ook voor. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil en zal zich niet beperken tot de vraag of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

7. Wat betreft de inhoud van de zaak ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de transitievergoeding aangemerkt moet worden als inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Pw.

8. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat een ontslagvergoeding moet worden beschouwd als inkomen bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft. Dit betekent dat de ontslagvergoeding dient te worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de Pw (zie de uitspraak van 22 november 2016 met ECLI:NL:CRVB:2016:4529).

9. De vraag rijst vervolgens of de oude ontslagvergoeding en de transitievergoeding zodanig vergelijkbaar zijn dat ook de transitievergoeding als inkomen moet worden aangemerkt.

10. De transitievergoeding is met ingang van 1 juli 2015 in de plaats gekomen van de ontslagvergoeding. De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren en het (maand)loon. De hoogte van de ontslagvergoeding werd voorheen berekend volgens de zogenoemde Kantonrechtersformule, waarbij de vergoeding (ook) mede afhankelijk was van het aantal gewogen dienstjaren en het loon.

Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de hervorming van het ontslagrecht is de transitievergoeding bedoeld ter compensatie van ontslag én om de werknemer in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. (Kamerstukken TK 2013/2014, 33 818, nr. 3, p. 38). Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de werknemer niet verplicht is de transitievergoeding aan te wenden voor bijvoorbeeld scholing of outplacement.

11. Het feit dat de transitievergoeding in de plaats is gekomen van de ontslagvergoeding, alsmede de wijze van vaststelling van de hoogte van de transitievergoeding (loon x aantal dienstjaren), de oorzaak van de verschuldigdheid (voortijdig ontslag) en het feit dat de transitievergoeding geen dwingende bestemming heeft, leiden de rechtbank tot het oordeel dat de transitievergoeding en de ontslagvergoeding niet zodanig van elkaar verschillen dat inzake het recht op bijstand voor de transitievergoeding een ander beoordelingskader zou moeten worden gehanteerd. Dat het onder het huidige ontslagstelsel mogelijk is om naast de transitievergoeding een billijke vergoeding te ontvangen in het geval van onredelijk ontslag, zoals ter zitting namens eiser naar voren is gebracht, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, deze additionele billijke vergoeding kan naast de transitievergoeding worden toegekend, waar voorheen, bij toepassing van de Kantonrechtersformule de ontslagvergoeding werd vermenigvuldigd met een factor C, in geval van verwijtbaarheid van de werkgever. Aldus verschilt de systematiek niet zodanig dat een ander beoordelingskader zou moeten worden gehanteerd.

12. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat uit de zinssnede dat de transitievergoeding niet beschouwd dient te worden als aanvullende inkomensvoorziening voortvloeit dat de transitievergoeding niet dient te worden beschouwd als inkomen.

Deze zinsnede is opgenomen in de wetsgeschiedenis als reactie op de vraag van de fractie of de transitievergoeding, gelet op de voorgestelde beperking van de werkloosheidsuitkering, moet worden gezien als aanvullende inkomensvoorziening. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Dit blijkt volgens de Minister enkel al uit het feit dat de transitievergoeding verschuldigd is door de werkgever, ongeacht het antwoord op de vraag of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aansluitend werkloos is geworden of aansluitend een andere arbeidsovereenkomst aangaat (Kamerstukken TK 2013/2014, 33 818, nr. 3, p. 70). Uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de rechtbank dus niet dat de transitievergoeding geen inkomen is.

13. De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen door de wetgever is opgenomen in het Voorstel van Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (TK 2016-2017, 34 699, nr. 3, p.2). Daar wordt herhaald dat de werkgever de transitievergoeding in beginsel altijd verschuldigd is, dus ook als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd (of niet wordt voortgezet) omdat de werknemer de bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebreken niet langer kan verrichten en herplaatsing in andere passende arbeid niet mogelijk is. Gelet op het doel van de transitievergoeding, namelijk compensatie voor (de gevolgen van) ontslag waarbij de hiermee gemoeide middelen ingezet kunnen worden voor het vinden van een andere baan, is er geen grond voor het maken van een uitzondering op de verplichting voor de werkgever om een transitievergoeding te betalen bij een ontslag om genoemde reden. Ook voor werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn, kunnen deze voorzieningen immers van belang zijn voor het zoeken van ander werk. Dat geldt zowel voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten als voor de categorie volledig arbeidsongeschikten. Het is immers niet uitgesloten dat de situatie van een volledig arbeidsongeschikte verbetert. Maar ook als er geen verbetering optreedt is het onwenselijk om deze laatste groep werknemers anders te behandelen. Ook voor hen geldt, net als voor andere (al dan niet gedeeltelijk arbeidsongeschikte) werknemers, dat de vergoeding dient als compensatie voor (de gevolgen van) ontslag en bijvoorbeeld ook kan worden aangewend voor (tijdelijke) compensatie van verlies aan inkomen dat met ontslag gepaard kan gaan.

14. Gelet op deze laatste zinsnede is naar het oordeel van de rechtbank de transitievergoeding, ook voor eiser, die langdurig arbeidsongeschikt is, aan te merken als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, Pw. De transitievergoeding is kennelijk ook bedoeld ter compensatie van het verlies aan inkomen als gevolg van het ontslag. Aldus kan de transitievergoeding aangewend worden om te voorzien in het levensonderhoud. Verweerder heeft dan ook terecht bij de beoordeling van het recht op bijstand de transitievergoeding aangemerkt als inkomen waarover eiser kan beschikken.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.