Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:8018

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
C/15/284208 / FA RK 19-464
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De jongmeerderjarige zoon verzoekt een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de vader. Na de beëindiging van de relatie hebben de vader en de moeder afgesproken dat de vader maandelijks een bedrag van € 200 aan de moeder betaalt ten behoeve van de zoon. De zoon is inmiddels meerderjarig, woont nog thuis en zit op het VWO. Hij is voornemens om na zijn VWO-examen een universitaire studie te gaan volgen. Nu staat de hoogte van de behoefte ter discussie. De zoon stelt dat voor de berekening van zijn behoefte dient te worden aangesloten bij de WSF-norm voor middelbaar beroepsonderwijs. De vader betwist dit en voert aan dat de behoefte van de zoon dient te worden berekend volgens de tabellen van het Nibud, derhalve alsof hij nog minderjarig is, nu de zoon naar de middelbare school gaat en nog thuis woont.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de zoon achttien jaar is en dat de tabellen van Nibud niet voorzien in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan achttien jaar. Nu een behoeftelijst ontbreekt, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van de WSF-norm voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen). Het normbedrag voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs die nog geen lesgeld hoeft te betalen bedraagt in 2019 € 513 per maand. Hierop dient de door de zoon ontvangen tegemoetkoming scholieren van € 115 per maand en de zorgtoeslag van € 99 per maand in mindering te worden gebracht, zodat een behoefte resteert van € 299 per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/284208 / FA RK 19-464

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 25 september 2019

in de zaak van:

[de zoon] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de zoon,

advocaat mr. C.A.F. Visser, kantoorhoudende te Wormerveer,

tegen

[de vader] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E. Jense, kantoorhoudende te Zaandam.

.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met productie 1, van de jongmeerderjarige, ingekomen op 23 januari 2019;

- het verweerschrift, met producties 1 tot en met 3, van de man van 10 april 2019;

- het F-formulier, met producties A tot en met C, van de advocaat van de jongmeerderjarige van 25 juli 2019;

- het F-formulier, met producties 1 tot en met 10, van de advocaat van de man van 5 augustus 2019;

- het F-formulier, met productie 4, van de advocaat van de man van 6 augustus 2019.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 augustus 2019 in aanwezigheid van mr. C.A.F. Visser namens de zoon en de vader, bijgestaan door mr. E. Jense.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

De zoon is op [geboortedatum] geboren uit het huwelijk van de vader met [de moeder] (hierna: de moeder), welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 6 februari 2019.

2.2

Na de beëindiging van de relatie hebben de vader en de moeder afgesproken dat de vader maandelijks een bedrag van € 200 aan de moeder betaalt ten behoeve van de zoon.

3 Verzoek

3.1

De zoon heeft verzocht te bepalen dat de vader aan hem een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie dient te voldoen, met ingang van 23 januari 2019.

3.2

De zoon stelt hiertoe dat hij behoefte heeft aan een bijdrage, dat de vader draagkrachtig genoeg is om de verzochte bijdrage te betalen, maar dat tot op heden nog geen bijdrage is vastgesteld. De zoon zit op het VWO en is voornemens om in 2020 een universitaire studie te gaan volgen.

4 Verweer

De vader heeft verzocht het verzoek van de zoon af te wijzen en een bijdrage vast te stellen van € 200 per maand.

De vader voert aan dat de behoefte van de zoon een bijdrage van € 200 per maand niet overstijgt en dat hij voorts onvoldoende draagkracht heeft om een hogere bijdrage te betalen.

5 Beoordeling

5.1

De zoon verzoekt om een vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 23 januari 2019. Omdat de vader hiertegen geen verweer voert, bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van een eventuele bijdrage op 23 januari 2019.

5.2

De rechtbank heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens op hele euro’s afgerond.

behoefte

5.3

De zoon stelt dat voor de berekening van zijn behoefte dient te worden aangesloten bij de WSF-norm voor middelbaar beroepsonderwijs, zijnde € 609,36 per maand.

De vader betwist dit en voert aan dat de behoefte van de zoon dient te worden berekend volgens de tabellen van het Nibud, derhalve alsof hij nog minderjarig is, nu de zoon naar de middelbare school gaat en nog thuis woont.

5.4

Vaststaat dat de zoon op 23 januari 2019 achttien jaar is geworden en dat de tabellen van Nibud niet voorzien in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan achttien jaar. Nu een behoeftelijst ontbreekt, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van de WSF-norm voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen).

Het normbedrag voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs die nog geen lesgeld hoeft te betalen bedraagt in 2019 € 513 per maand. Hierop dient de door de zoon ontvangen tegemoetkoming scholieren van € 115 per maand en de zorgtoeslag van € 99 per maand in mindering te worden gebracht, zodat een behoefte resteert van € 299 per maand.

draagkracht

5.5

Vaststaat dat de moeder een uitkering op basis van de Participatiewet ontvangt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de moeder geen draagkracht heeft om bij te dragen in de behoefte van de zoon. De vader dient dan ook volledig te voorzien in de behoefte van de minderjarige voor zover zijn draagkracht dat toelaat.

5.6

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de vader over voldoende draagkracht beschikt om zijn aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) van 2019, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 950]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 950 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 1.625 zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

5.7

De vader ontvangt inkomsten uit arbeid via [BV] . Uit de overgelegde salarisspecificaties over de weken 14, 15, 18, 20, 22, 23, 25 en 26 van 2019 volgt een bruto salaris van € 577 per week, exclusief vakantiegeld. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vader op de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 2.143 per maand.

5.8

De vader voert aan dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 295 per maand aan verwervingskosten nu hij vanwege zijn werk noodgedwongen auto- en parkeerkosten maakt en de door zijn werkgever betaalde reiskostenvergoeding van € 0,19 per kilometer volgens hem de kosten niet dekt. Namens de zoon is hier bezwaar tegen gemaakt.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde verwervingskosten, nu zij van oordeel is dat de vader middels de door de werkgever betaalde reiskostenvergoeding, welke volgens de overgelegde salarisstroken € 123 per week, zijnde € 533 per maand, bedraagt voldoende in zijn kosten wordt gecompenseerd. Daarnaast heeft de vader ook het privégenot van zijn auto.

5.9

De rechtbank houdt voorts geen rekening met de door de vader opgevoerde schulden bij de belastingdienst, Interum en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Weliswaar is duidelijk dat hij hoge schulden heeft, maar de vader heeft nagelaten inzicht te geven in eventuele aflossingsverplichtingen.

5.10

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de vader dan

€ 381 per maand, zodat hij voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de zoon te voorzien. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vader met ingang van 23 januari 2019 aan de zoon een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie van € 299 per maand moet betalen.

5.11

De rechtbank wijst er –ten overvloede- op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

5.12

De rechtbank heeft een berekening gemaakt ten aanzien van het NBI van de vader. Een exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Bepaalt dat de man aan de jongmeerderjarige als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige dient te voldoen € 299 per maand, met ingang van 23 januari 2019 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

6.2

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. C.M. van Wechem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Hoogkamer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.