Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7999

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning voor het hebben van oplaadpalen op verzorgingsplaats als aanvullende voorziening Den Ruygen Hoek (oostkant) in strijd met Dienstenrichtlijn verleend.

Ongeoorloofd onderscheid tussen vergunninghouders van een basisvoorzienig en anderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2075

einduitspraak na tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2019 in de zaak tussen

Fastned B.V., te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. van der Ven).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Motel Haarlemmermeer B.V. en Wegrestaurant Burgerveen B.V. (samen te noemen: [derde partij] )

(gemachtigde: mr. A.R. van Rijn)

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [derde partij] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) voor het hebben, behouden en onderhouden van een zestal oplaadpalen voor elektrische motorvoertuigen (e-laadpunt) op verzorgingsplaats Den Ruygen Hoek (oostkant) langs de rijksweg 4 in de gemeente Haarlemmermeer.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Eiseres heeft verweerder daarbij verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep onder toepassing van het bepaalde in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft het bezwaarschrift vervolgens aan de rechtbank Amsterdam doorgestuurd met het verzoek dat als beroepschrift in behandeling te nemen. Op verzoek van verweerder heeft de rechtbank Amsterdam het beroep ter verdere behandeling doorgezonden naar deze rechtbank (Noord-Holland).

Van verweerder is een verweerschrift ontvangen op 28 september 2018. Op diezelfde dag is een aanvullend beroepschrift van eiseres ontvangen.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2018 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van [derde partij] dat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer 17/2970. Namens eiseres (Fastned) zijn verschenen [naam 1] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] , verkeersdeskundige en is bijgestaan door zijn gemachtigde. [derde partij] heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft op 14 december 2018 een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld de in die uitspraak geconstateerde gebreken te herstellen.

Bij brief van 20 februari 2018 heeft verweerder een aanvullende motivering van het bestreden besluit aan de rechtbank doen toekomen.

Bij brief van 7 maart 2019 heeft verweerder de rechtbank verzocht nog geen uitspraak te doen, omdat een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kon worden verwacht die van belang kon zijn voor het nu ter beoordeling voorliggende beroep.

Bij brief van 8 maart 2019 heeft eiseres haar zienswijze gegeven op de aanvullende motivering van het bestreden besluit door verweerder.

Bij brieven van 21 maart 2019 en 12 april 2019 heeft [derde partij] haar zienswijze gegeven op het verzoek om nog geen uitspraak te doen en op de aanvullende motivering van het bestreden besluit door verweerder.

Bij brief van 4 juni 2019 heeft de rechtbank het verzoek om nog geen uitspraak te doen afgewezen.

Bij brief van 5 juni 2019 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak en hetgeen daarin is overwogen en beslist.

2. De rechtbank heeft in tussenuitspraak als volgt overwogen:

“6. Voor zover Fastned met een beroep op de Dienstenrichtlijn tracht te bewerkstelligen dat [derde partij] geen vergunning krijgt om een e-laadpunt op verzorgingsplaats Den Ruygen Hoek (oostkant) te vestigen, is het belang van Fastned bij het beroep dus tegengesteld aan het belang dat de Dienstenrichtlijn beoogt te beschermen. In zoverre kan de bescherming van de Dienstenrichtlijn niet door Fastned worden ingeroepen, zo volgt uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2016:1295). De rechtbank zal het standpunt van Fastned dat verweerder op de verzorgingsplaats slechts één vergunning had mogen verlenen voor een e-laadpunt, daarom buiten beschouwing laten met toepassing van het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb.

7. Voor zover Fastned met het beroep de Dienstenrichtlijn heeft beoogd aan de orde te stellen dat de door verweerder gehanteerde vergunningstelsel het vrij vestigen van dienstverrichters beperkt, kan Fastned wèl de bescherming inroepen van de Dienstenrichtlijn, omdat met de Dienstenrichtlijn immers wordt beoogd om vrije vestiging van dienstverrichters te vergemakkelijken. Het belang van Fastned is in zoverre dus gelijk aan het belang dat de Dienstenrichtlijn beoogt te beschermen.

8.1

In het vergunningstelsel wordt een onderscheid gemaakt tussen een e-laadpunt als basisvoorziening en als aanvullende voorziening. Eenieder kan meedingen naar een vergunning voor een e-laadpunt als basisvoorziening en het vergunningstelsel belemmert dus in zoverre niet de vrije vestiging van dienstverrichters. Voor de vergunningverlening voor een e-laadpunt als aanvullende voorziening ligt dit echter anders, omdat deze vergunning op grond van de Kennisgeving(en) slechts kan worden verleend aan diegenen die al een vergunning hebben voor een basisvoorziening (niet zijnde een e-laadpunt) op de verzorgingsplaats. Door deze wijze van inrichting van het vergunningstelsel is de kring van gegadigden voor vestiging van e-laadpunten (als aanvullende voorziening) dus beperkt tot degenen die al een vergunning hebben voor een basisvoorziening. Met betrekking tot de vraag of dit onderscheid, zoals eiseres heeft gesteld, in strijd is met de Dienstenrichtlijn overweegt de rechtbank als volgt.

10. Op grond van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Dienstenrichtlijn is een vergunningstelsel waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen dienstverrichters mogelijk, indien het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang.

Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat onder dwingende reden van algemeen belang onder meer dient te worden verstaan: redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde en openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid.

11. Verweerder heeft gesteld dat het vergunningstelsel en het daarin gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is vanuit het belang van een doelmatig en veilig gebruik van de verzorgingsplaats. Volgens verweerder ontstaan geen nieuwe verkeersbewegingen door een e-laadstation als aanvullende voorziening en gaat het gebruik van e-laadstation als aanvullende voorziening niet ten koste van nog niet gebruikte grond op een verzorgingsplaats. Bij een e-laadpunt als basisvoorziening is dat volgens verweerder anders. Daarbij gaat het om een nieuwe zelfstandige voorziening op de verzorgingsplaats, die veelal wordt uitgevoerd als laadstation met een eigen toegangsweg en uitweg.

12. Wat hier ook van zij, verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank hiermee nog niet gemotiveerd waarom het onderscheid bij de vergunningverlening van een e-laadpunt als aanvullende voorziening tussen diegenen die al een vergunning hebben voor een basisvoorziening (niet zijnde een e-laadpunt) op de verzorgingsplaats, en diegenen die dat niet hebben, gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 4 van de Dienstenrichtlijn. Voorshands vermag de rechtbank niet in te zien dat de verkeersveiligheid hierbij een rol speelt. Bovendien is niet duidelijk waarom het aanbieden van een e-laadpunt als aanvullende voorziening door een ander dan de houder van de basisvoorziening ondoelmatig of onveilig zou zijn.

13. Bij de onderbouwing dat sprake is van een dwingende reden als bedoeld in de Dienstenrichtlijn dient ook te worden uitgelegd hoe aan het bepaalde in de artikelen 9, eerste lid, onder c, en artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn wordt voldaan, dus dat het nagestreefde doel niet met andere, minder beperkende, maatregelen kan worden bereikt.

De rechtbank is vooralsnog onduidelijk gebleven waarom de doelmatigheids- en veiligheidsproblematiek die verweerder aandraagt slechts kan worden opgelost via een vergunningstelsel dat de mededinging beperkt en niet kan worden opgelost door een andere minder beperkende maatregel, zoals bijvoorbeeld door feitelijke aanpassing van de infrastructuur.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, waarbij van bedoeld in de Kennisgeving opgenomen onderscheid is uitgegaan, niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.”

3. Op grond hiervan heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld de in 12 en 13 gesignaleerde gebreken te herstellen op grond van artikel 8:51a van de Awb.

4. In de brief van verweerder van 20 februari 2019 heeft verweerder de rechtbank een aanvullende motivering van het bestreden besluit doen toekomen.

Beoordelingskader

5.1

De rechtbank stelt vast dat bij het aanbieden van een e-laadpunt sprake is van een dienst waarvoor ingevolge de Wrb een vergunningstelsel geldt. Dat vergunningstelsel wordt vormgegeven met de Kennisgeving. Artikel 10, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen. Ingevolge het tweede lid, onder b, zijn die criteria gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang. Ingevolge het tweede lid, onder c, zijn die criteria evenredig met die reden van algemeen belang.

5.2

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie kan in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, een particulier zich voor de nationale rechter op die bepalingen van een richtlijn beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan (ECLI:EU:C:2004:584 r.o. 103). De rechtbank is van oordeel dat artikel 10 van de Dienstenrichtlijn voldoet aan die eisen, zodat sprake is van rechtstreekse werking. Fastned kan zich in deze zaak beroepen op artikel 10 van de Dienstenrichtlijn.

5.3

Het in de Kennisgeving vormgegeven vergunningenstelsel regelt enerzijds dat uitsluitend bestaande vergunninghouders die al een vergunning hebben voor basisvoorzieningen benzinestation, wegrestaurant of servicestation aanvullend een e-laadpunt kunnen aanbieden waarmee de vergunning voor dat e-laadpunt – louter vanwege de gekozen systematiek van de Kennisgeving – dus geen schaarse vergunning is. Anderzijds regelt dit vergunningenstelsel dat nieuwe aanbieders van een e-laadpunt als basisvoorziening wel moeten meedingen naar een vergunning waarvoor meer (potentiele) gegadigden zijn. Bovendien regelt de Kennisgeving sinds 2017 dat per verzorgingsplaats slechts één basisvoorziening van een e-laadpunt wordt toegestaan. Op meerdere verzorgingsplaatsen, waaronder deze verzorgingsplaats, zijn daarentegen niet slechts één basisvoorziening voor benzinestation, wegrestaurant of servicestation toegestaan, zodat daar meerdere e-laadpunten als aanvullende voorziening gerealiseerd kunnen worden.

5.4

Anders dan in de vergelijkbare zaak waarin de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 juli 2019 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:2645), heeft Fastned zich in onderhavige zaak op het standpunt gesteld dat zij had willen meedingen op de vergunning voor het e-laadpunt als aanvullende voorziening die aan [derde partij] is verleend. Fastned stelt zich op het standpunt dat de beperking van gegadigden voor die (aanvullende) vergunning tot houders van de basisvoorzieningen in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Anders dan in voornoemde zaak betreft het te beoordelen vergunningstelsel dus niet het vergunningstelsel in de in 2011 gewijzigde Kennisgeving, dat alleen op energielaadpunten als basisvoorziening ziet, maar het vergunningstelsel voor de e-laadpunten als aanvullende voorziening, zoals dat heeft bestaan vanaf vaststelling van de Kennisgeving in 2004.

5.5

De rechtbank merkt vooreerst op dat bij dergelijke toets niet de terminologie, maar de feitelijke situatie leidend is. De vraag is kortgezegd of het in strijd is met de Dienstenrichtlijn dat houders van een basisvoorziening een vergunning voor een e-laadpunt als aanvullende voorziening mogen aanvragen, zonder dat andere gegadigden daarop kunnen meedingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 10, tweede lid, onder b, van de Dienstenrichtlijn

6.1

Verweerder heeft in zijn nadere motivering twee redenen uiteengezet waarom het volgens hem gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang dat alleen houders van een basisvoorziening een e-laadpunt als aanvullende voorziening kunnen aanvragen. Allereerst is dat vanwege het doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de zaak van het Europees Hof van Justitie Attanasio Group (ECLI:EU:C:2010:133 r.o. 50) en naar overweging 40 van de considerans van de Dienstenrichtlijn. Verder heeft hij verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van de verzorgingsplaatsen, waarbij steeds ten behoeve van de verkeersveiligheid is gekozen voor een sobere, uniforme en voorspelbare inrichting. Groepering van de voorzieningen is daar een onderdeel van. Ten tweede heeft verweerder aangevoerd dat de gronden van de verzorgingsplaatsen steeds ten dele verhuurd zijn aan de houders van de basisvoorzieningen. Teneinde daarbij gegroepeerd een aanvullende voorziening aan te bieden zal gebruik gemaakt moeten worden van de aan de houder van de basisvoorziening verhuurde grond. Nu de vrijheid van vestiging geen recht omvat voor een gegadigde om op andermans grond zijn diensten te mogen aanbieden (ECLI:EU:C:2003:333), kan die mogelijkheid ook niet worden opengesteld voor een ander dan de houder van de basisvoorziening, aldus nog steeds verweerder.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat deze motivering voor het eerste deel – zijnde de inrichting van de verzorgingsplaats vanwege de verkeersveiligheid – een dwingende reden van algemeen belang kan opleveren die rechtvaardigt dat alleen houders van een basisvoorziening een e-laadpunt als aanvullende voorziening kunnen aanvragen. Vervolgens is de vraag of het criterium dat alleen houders van een basisvoorziening een e-laadpunt als aanvullende voorziening kunnen aanvragen evenredig is met die reden van algemeen belang. Die vraag wordt hierna behandeld. De rechtbank is van oordeel dat het tweede deel van de motivering van verweerder – ten aanzien van de beschikkingsmacht over de grond – geen zelfstandige dwingende reden van algemeen belang oplevert. Immers heeft verweerder gesteld dat hij eigenaar is van de grond van de verzorgingsplaats en die tijdelijk en gedeeltelijk verhuurt aan de houders van de basisvoorzieningen. Indien een stuk grond dat een gegadigde wil exploiteren voor een e-laadpunt als aanvullende voorziening al verhuurd is aan een ander, kan dat een privaatrechtelijke belemmering opleveren. Dat is echter iets anders dan een dwingende reden van algemeen belang die de vergunningsvoorwaarde rechtvaardigt.

Artikel 10, tweede lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn

7.1

De volgende vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of het criterium dat alleen houders van een basisvoorziening een e-laadpunt als aanvullende voorziening kunnen aanvragen evenredig is met het belang van verkeersveiligheid. Kortom, of alternatieven voorhanden zijn die de mededinging minder beperken. De rechtbank is van oordeel dat die alternatieven er zijn, zodat de beroepsgrond slaagt. Zij overweegt als volgt.

7.2

Met de in 2011 gewijzigde Kennisgeving, in werking getreden op 10 januari 2012, wordt naast het benzinestation, het wegrestaurant en het servicestation ook het e-laadpunt als basisvoorziening aangemerkt. In de gewijzigde Kennisgeving is de procedure opgenomen voor aanvragen om een vergunning voor e-laadpunten als basisvoorziening. Ten aanzien van het e-laadpunt als aanvullende voorziening worden in de Kennisgeving geen nadere regels gesteld. De term ‘aanvullend’ ziet er op dat de activiteit is geclusterd met de basisvoorziening en als ondergeschikt wordt beschouwd aan die basisvoorziening (ECLI:NL:GHDHA:2018:2469). De rechtbank overweegt op grond daarvan dat bij een e-laadpunt als aanvullende voorziening sprake is van dezelfde economische activiteit als bij een e-laadpunt als basisvoorziening, zij het dat die activiteit in geval van een aanvullende voorziening niet omvangrijker mag zijn dan de basisvoorziening en daarnaast nabij die basisvoorziening moet zijn gesitueerd.

7.3

Met het aanmerken van een e-laadpunt als basisvoorziening heeft verweerder een alternatief in het leven geroepen voor het e-laadpunt als aanvullende voorziening. Hij heeft daarbij kennelijk het standpunt verlaten dat de e-laadpunten vanwege verkeersveiligheid moeten zijn gegroepeerd bij de basisvoorzieningen. Immers kunnen de e-laadpunten als basisvoorziening ook zijn gesitueerd op een eigen infrastructuur of anderszins veilig in de bestaande infrastructuur worden ingepast. Daaruit blijkt bovendien dat voldoende locaties op de verzorgingsplaatsen bestaan waar veilig een e-laadpunt als basisvoorziening kan worden geplaatst. In ieder geval heeft verweerder daarmee het standpunt verlaten dat alleen de houder van een basisvoorziening veilig een e-laadpunt gegroepeerd bij de basisvoorziening zou kunnen exploiteren.

7.4

Aan het voorgaande doet niet af dat een e-laadpunt als aanvullende voorziening ingevolge in overweging 7.2 genoemde definitie nabij de basisvoorziening moet zijn gesitueerd. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat de grond nabij de basisvoorziening veelal zal zijn verhuurd aan de houder van de basisvoorziening, maar hij heeft ook gesteld dat in ieder geval de parkeerplaatsen op een verzorgingsplaats in de regel niet zijn verhuurd. De verhuur van de grond van een verzorgingsplaats is dus steeds gedeeltelijk. De verhuur is bovendien steeds tijdelijk. Zoals hiervoor is overwogen is kennelijk nog grond beschikbaar voor het kunnen aanbieden van e-laadpunten als basisvoorziening, zonder dat daarmee de verkeersveiligheid in het geding komt. Nu de termen ‘gegroepeerd’, ‘geclusterd’ en ‘nabij’ open staan voor interpretatie, heeft verweerder niet onderbouwd dat geen grond beschikbaar zou zijn voor een ander dan de houder van een basisvoorziening om nabij die basisvoorziening het bij die basisvoorziening horende e-laadpunt als aanvullende voorziening te exploiteren. Het is daarbij, gezien de voornoemde definitie van een e-laadpunt als aanvullende voorziening, niet noodzakelijk dat de vergunninghouder van de basisvoorziening een en dezelfde is als de exploitant van de aanvullende voorziening. De rechtbank vermag overigens niet in te zien waarom het voor de verkeersveiligheid van belang zou zijn wie de exploitant is van het e-laadpunt als aanvullende voorziening.

7.5

De rechtbank ziet verder niet in waarom de verkeersveiligheid en de doelmatige indeling van de verzorgingsplaats niet afgedwongen kunnen worden door aan de vergunning nadere voorwaarden te verbinden. Zo kan bijvoorbeeld in een voorschrift worden opgenomen dat een e-laadpunt op een bepaalde wijze moet worden gerealiseerd bij clusters van bestaande voorzieningen en kunnen ook ten aanzien van de infrastructuur voorwaarden worden gesteld.

Conclusie

8.1

De rechtbank overweegt dat het in het vergunningstelsel gemaakte onderscheid tussen houders van vergunningen van basisvoorzieningen (niet zijnde een e-laadpunt) en degenen die geen houder zijn van dergelijke vergunningen kennelijk is ingegeven door de verkeersveiligheid. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank gebleken dat die verkeersveiligheid ook kan worden bereikt met maatregelen die minder ingrijpen op de mededingingsmogelijkheden van gegadigden die geen houder zijn van een vergunning voor een basisvoorziening. Voornoemd onderscheid is derhalve in strijd met artikel 10, tweede lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn.

8.2

Het voorgaande brengt met zich dat verweerder bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag van [derde partij] de Kennisgeving voor dat deel waarin voornoemd onderscheid wordt gemaakt buiten toepassing had moeten laten. Hij had dus ook andere partijen moeten laten meedingen op de in de Wbr en de Kennisgeving gecreëerde mogelijkheid tot verkrijgen van een vergunning voor het aanbieden van een e-laadpunt als aanvullende voorziening bij het wegrestaurant. De beroepsgrond slaagt. De afweging die heeft geleid tot het bestreden besluit is wegens voornoemd gebrek in het beleid in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

9. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, te weten strijd met de motiveringsplicht als bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet heeft hersteld. Bovendien is het besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals is neergelegd in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb.

10. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

11. Omdat de beroepen gegrond zijn, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 1.280,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. B. Veenman, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, en mr. J.J. Maarleveld, rechters, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.