Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7985

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
7898572 EJ VERZ 19-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige plaatsopneming ex art. 1:202 lid 2 Rv afgewezen, omdat het belang hiervn onvoldoende is gesteld, mede gelet op de lopende bodemprocedure en het voorlopig getuigenverhoor waarin op korte termijn getuigen zullen worden gehoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 7898572 \ EJ VERZ 19-185 (H.K.)

Uitspraakdatum: 23 september 2019

Beschikking

op verzoek ex artikel 1:202 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv]

(voorlopige plaatsopneming en bezichtiging)

in de zaak van:

de besloten vennootschap Bowling Hoorn B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Hoorn

verzoekende partij [verder ook te noemen: Bowling Hoorn]

gemachtigde: mr. L.A.H.M. Creemers, advocaat te Edam

- t e g e n -

1 de besloten vennootschap Exploitatiemaatschappij Plat Edam B.V.

2. de besloten vennootschap Beheermaatschappij Plat Edam B.V.

beide gevestigd en kantoorhoudende Hoorn

verwerende partijen [verder gezamenlijk ook te noemen: Plat Edam]

gemachtigde: mr. M.S.F. Loor, advocaat te Zaandam.

1 Het procesverloop

Bowling Hoorn heeft op 9 juli 2019 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft Plat Edam bij verweerschrift van 12 augustus 2019 op gereageerd.

Op 16 september 2019 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij Bowling Hoorn is verschenen bij haar bestuurder mw. [naam 1], en Plat Edam bij haar bestuurder mw. [naam 2]; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Bowling Hoorn heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Bowling Hoorn bij brief van 10 september 2019 nog stukken toegezonden.

2 Het geschil

2.1.

Bowling Hoorn verzoekt de kantonrechter om een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging te bevelen in het door Bowling Hoorn van Plat Edam gehuurde pand aan de Huesmolen 59 A te Hoorn.

2.2.

Plat Edam heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek.

2.3.

Op de stellingen van partijen zal – zo nodig – bij de beoordeling nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

Bowling Hoorn huurt sinds 22 februari 2016 van Plat Edam de bedrijfsruimte aan de Huesmolen 59 A te Hoorn. Bowling Hoorn exploiteert in de gehuurde ruimte een bowling- en horecabedrijf.

3.2.

Bowling Hoorn verzoekt om een bevel tot een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging van de gehuurde ruimte. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat Plat Edam ernstig tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen als verhuurder. Plat Edam heeft bij het sluiten van de huurovereenkomst verzuimd te melden dat het gehuurde diverse gebreken vertoont die moeten worden hersteld. De gebreken betreffen de veiligheid van het pand en zich daarin bevindende machines. Deze onveiligheid is eerder ook al geconstateerd door het Ministerie van SZW. Daarnaast heeft Plat Edam volgens Bowling Hoorn verzwegen dat er sprake is van ernstig water/vochtoverlast.

Bowling Hoorn heeft om die reden bij aangetekend schrijven d.d. 30 januari 2019 de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen primair op grond van bedrog, subsidiair dwaling en meer subsidiair misbruik van omstandigheden.

3.3.

De bodemzaak (zaaknr. 7890705 CV 19-5104) die door Bowling Hoorn aanhangig is gemaakt bij dagvaarding van 25 juni 2019 (tegen de rol van 10 juli 2019), staat inmiddels op de rolzitting van 18 september 2019 voor “beraad” en in het op 25 april 2019 verzochte voorlopig getuigenverhoor (zaaknr. 7718168 EJ VERZ 19‑108) worden op 30 september 2019 (zeven) getuigen gehoord.

3.4.

Bij de beoordeling van het verzoek van Bowling Hoorn geldt het volgende wettelijke kader. Op grond van artikel 202 Rv kan op verzoek van een belanghebbende (lid 1) of een partij (lid 2) een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging worden bevolen. In het verzoekschrift moeten de aard en het beloop van de vordering worden vermeld, de zaak die in ogenschouw moet worden genomen en de naam en de woonplaats van de wederpartij.

Verder is van belang dat een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging er naar haar aard toe strekt, evenals dat het geval is bij een voorlopig deskundigenbericht of een voorlopig getuigenverhoor, de verzoekende partij de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen en bewijs te verschaffen omtrent de – haar wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden, zulks teneinde haar in staat te stellen haar positie beter te beoordelen en aldus beter te kunnen inschatten of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten.

Met die strekking verdraagt zich niet dat aan de rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijke plaatsopneming en bezichtiging te gelasten, een discretionaire bevoegdheid toekomt. De voorlopige plaatsopneming en bezichtiging moet daarom in beginsel gelast worden, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten en omstandigheden betreft die met de voorlopige plaatsopneming en bezichtiging verduidelijkt en/of bewezen kunnen worden. Hierbij kan echter wel worden meegewogen de omstandigheid of het verlangde bewijs beter of enkel nog op een andere wijze verkregen kan worden, zoals bijvoorbeeld door een (voorlopig) getuigenverhoor of (voorlopig) deskundigenonderzoek. Indien niet aan (een van) vorenstaande wettelijke vereisten is voldaan, moet het verzoek als niet steunend op de wet worden afgewezen. Pas nadat daaraan wel is voldaan, komt de rechter - desgevraagd - toe aan de in de jurisprudentie ontwikkelde afwijzingsgronden, te weten strijdigheid met de goede procesorde, misbruik van recht of de aanwezigheid van een ander door de rechter aanwezig geacht zwaarwichtig bezwaar.

3.5.

De kantonrechter is van oordeel dat uit het verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering voldoende blijkt.

3.6.

Vervolgens ligt ter beantwoording voor de vraag of de door Bowling Hoorn gestelde feiten met een plaatsopneming en bezichtiging bewezen kunnen worden en of dit bewijs op andere wijze kan worden verkregen. In haar verzoek – daarbij verwijzend naar door haar overgelegde producties – noemt Bowling Hoorn als feiten die moeten worden bewezen:

a. a) de door Plat Edam verzwegen onveiligheid van machines in het bowlingscentrum en

b) vochtschade ten gevolge van wateroverlast.

3.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de gestelde verzwijging van onveiligheid van machines niet tijdens een voorlopige bezichtiging te constateren, omdat het gaat om de beoordeling van de vraag of aan de zijde van Plat Edam sprake is geweest van bedrog, dwaling of misbruik van omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst. Een dergelijke beoordeling heeft niet met een feitelijke constatering te maken. Het reeds bevolen voorlopig getuigenverhoor is hiertoe het meer geëigende middel. Het verzoek voldoet op dit punt niet aan de wettelijke eisen.

3.8.

De gestelde vochtschade ten gevolge van wateroverlast is reeds in de diverse overgelegde rapporten uitgebreid weergegeven en van foto’s voorzien. Niet valt in te zien welk belang is gediend om in deze fase van de procedure door de kantonrechter de situatie op te nemen. Dit klemt temeer nu Bowling Hoorn desgevraagd ter zitting heeft meegedeeld, dat het verzoek met name is ingediend, omdat een bezichtiging voorafgaand aan het voorlopig getuigenverhoor nuttig kan zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit geen rechtens te respecteren belang voor toewijzing van het verzoek. Voorts deelde Bowling Hoorn ter zitting mee, dat het verzoek tevens is ingediend om de procedure te bespoedigen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit ook een onvoldoende belang voor toewijzing van het verzoek, mede omdat de bodemzaak de zaak reeds voor “beraad” staat en op 30 september 2019 zeven getuigen zullen worden gehoord in het kader van een voorlopig getuigenverhoor.

3.9.

Gelet op het vorenstaande, dient het verzoek van Bowling Hoorn te worden afgewezen omdat het niet aan de wettelijke eisen voldoet en bovendien een belang in de zin van artikel 3:303 BW ontbreekt.

3.10.

Bowling Hoorn zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze verzoekschriftprocedure worden veroordeeld. De kantonrechter acht geen gronden aanwezig voor een volledige proceskostenvergoeding, zoals door Plat Edam verzocht, nu niet is gebleken dat sprake is van misbruik van recht aan de zijde van Bowling Hoorn, althans hiertoe is onvoldoende gesteld.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst het verzoek af;

4.2.

veroordeelt Bowling Hoorn in de kosten van deze verzoekschriftprocedure, die aan de zijde van Plat Edam worden vastgesteld op € 480,-- aan salaris gemachtigde;

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Liefting-Voogd, kantonrechter, bijgestaan door J.A.J. Kreijger, griffier en op 23 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter