Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7944

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
7865211 AO VERZ 19-62
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontbinding. De arbeidsovereenkomst wordt op verzoek van de werkgever ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Er is geen grond voor het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./repnr.: 7865211 \ AO VERZ 19-62

Uitspraakdatum: 6 september 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de stichting Stichting Texels Museum

gevestigd te De Koog, gemeente Texel

verzoekende partij

verder te noemen: STM

gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. G.B.M. Zuidgeest

1 Het procesverloop

1.1.

STM heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 2 augustus 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Daar is de zaak behandeld, samen met een kort geding van [verweerster] tegen STM (zaaknummer 7868976 KG EXPL 19-81). Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. STM en [verweerster] hebben ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting hebben STM en [verweerster] bij brieven en faxberichten van 26 juli 2019 en 1 augustus 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

STM bestaat uit Ecomare, Vuurtoren Texel, Museum Kaap Skil en de Oudheidkamer op Texel.

2.2.

STM heeft een Raad van Toezicht (hierna: RvT), die bestaat uit [naam 1] als voorzitter, en [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] als leden (hierna: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] ).

2.3.

[verweerster] , geboren [geboortedag] 1967, is sinds 1 april 2015 in dienst bij STM. De functie van [verweerster] is directeur/bestuurder, met een salaris van € 6.749,00 bruto per maand.

2.4.

In een e-mail van 16 december 2015 van [naam 1] aan [verweerster] staat onder meer het volgende:

“Met verbazing hebben we kennis genomen van jouw mail van dinsdag 15 december. Niet alleen is het een andere weergave van de werkelijkheid, hij is strijdig met gistermorgen gemaakte afspraken en heeft een toon die ons niet erg aangenaam treft. De wijze waarop je ons op het laatste moment min of meer sommeert vandaag om 10.00 uur aan te schuiven of eventueel voor 11.00 uur maar aan te geven wat ons niet zint, getuigt niet erg van een besef van verhoudingen en niet erg van besef van urgentie of belang van een aantal zaken.

Wij dragen als RvT verantwoordelijkheid voor de toekomstbestendigheid van STM. De strategische visie is de weergave van de wijze waarop wij, zowel directeur als RvT die toekomst zien en inhoud willen geven. Zo lang die strategische visie nog niet voldoet aan onze kwaliteitsnormen, dragen wij die visie niet en stemmen wij er simpelweg niet mee in.”

2.5.

In een verslag van een evaluatiegesprek van 29 januari 2016 staat onder meer het volgende:

Samenwerking/houding en gedrag

(....) Groot verantwoordelijkheidsgevoel

Grote betrokkenheid

Behoefte en wens om het samen te doen

(aandachtspunten)

Lange tenen

Voortdurend de strijd aangaan over zeggenschap en wie is de baas

Achterdocht (...)”.

2.6.

In een verslag van een evaluatie- en functioneringsgesprek van 7 april 2017 wordt door de RvT onder andere opgemerkt:

Organisatie

We vragen ons af of ontwikkelingen binnen de organisatie voldoende gerelateerd worden aan strategische visie, ontwikkelen facilitair bedrijf etc.

We zien [verweerster] nog te veel en te vaak als locatiemanager van Ecomare opereren en te weinig als directeur van de STM. De vraag is hoe [verweerster] daar verandering kan en gaat aanbrengen.”

2.7.

Op 8 maart 2018 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden tussen de RvT en [verweerster] . In een verslag daarvan staat onder meer:

Wat missen we/wat kan beter

  • -

    Strategisch inzicht, koppeling van organisatieontwikkeling aan strategische doelen, acteren vanuit lange termijn doelen, operationaliseren strategie, werkelijke verandering in museum-beleving

  • -

    Sturen op resultaten, sturen op concrete doelen, kwaliteit rapportages, verbetering bereikbaarheid, beschikbaar stellen middelen, orde in de chaos, verhogen productiviteit, concrete resultaten facilitair bedrijf

  • -

    Scheiden hoofd- en bijzaken, gestructureerd en niet ad-hoc-handelen, consistentie, vertalen wensen en behoeften RvT, doorpakken/doorontwikkelen van nieuwe zaken.”

2.8.

De RvT heeft in het evaluatiegesprek van 8 maart 2018 aan [verweerster] voorgesteld om een tweede persoon naast haar als directeur te benoemen, die zich concentreert op de interne organisatie.

2.9.

Op 22 maart 2018 heeft [verweerster] zich ziekgemeld. Zij is tot 18 december 2018 arbeidsongeschikt geweest. In de tussenliggende periode heeft [verweerster] haar werkzaamheden deels weer hervat en zijn haar werkzaamheden deels waargenomen door twee leden van het managementteam (hierna: MT), te weten [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en [naam 6] (hierna: [naam 6] ).

2.10.

In een e-mail van 8 april 2018 heeft [verweerster] gereageerd op het verslag van het evaluatiegesprek van 8 maart 2018. Daarin geeft [verweerster] onder andere aan dat zij het op verschillende onderdelen niet eens is met de kritische kanttekeningen in het verslag op haar functioneren. Daarbij heeft zij er ook op gewezen dat zij veel taken en werkzaamheden heeft, dat STM veel onrust heeft gekend en dat bij haar aantreden als directeur sprake was van achterstallig onderhoud. Wat betreft een naast haar te benoemen tweede persoon heeft [verweerster] opgemerkt dat zij denkt aan een “zakelijk-adjunct” of locatiemanager.

2.11.

Op 6 juni 2018 heeft [naam 1] een gesprek gehad met vier STM-hoofden. In een e-mail daarover aan de RvT staat onder meer het volgende:

“Het beeld is vrij duidelijk.

1) De organisatie mist structuur (...) De organisatie is ziek en heeft medicijnen en een arts nodig.

2) De sfeer is krampachtig en gespannen. Er zit veel stress in het bedrijf. (...)

Er lijkt weinig tot geen vertrouwen in de gedachte dat [verweerster] het tij zou kunnen keren.”

2.12.

In een verslag van een overleg tussen de OR en [naam 1] op 14 juni 2018 wordt opgemerkt dat de RvT en de OR niet zijn gekend in het feit dat [verweerster] eind 2017 namens STM een contract is aangegaan met Shoreline Productions (hierna: Shoreline) voor het werven van fondsen ten behoeve van STM.

2.13.

Op 6 en 17 augustus 2018 heeft de RvT met [verweerster] , [naam 5] en [naam 6] een bestuursmodel besproken waarin [verweerster] , [naam 5] en [naam 6] het bestuur van STM zouden gaan vormen. Op 23 augustus 2018 heeft daarover een vervolggesprek plaatsgevonden. In een e-mail van de RvT van 23 augustus 2018 zijn de gesprekken bevestigd, waarbij door de RvT een driehoofdig directiemodel is voorgesteld en waarbij onder meer is opgemerkt:

“(...) Motivatie achter die besprekingen zijn bekend: we vinden dat er onvoldoende voortgang in ontwikkeling is, dat er onvoldoende focus is op de gewenste resultaten en dat [verweerster] als directeur onvoldoende in staat is hierop adequaat te sturen. (...)

- ondersteuning door een interimmer (adjunct of projectleider) is in het voorjaar als optie besproken maar wat ons betreft van tafel o.a. ivm een tijdelijk en onrustig karakter van de oplossing. (...)

- het model dat we voor ogen hebben is niet onderhandelbaar, uiteraard kunnen in de uitwerking nog zaken goed overlegd en ingevuld. (...)

- de 3-hoofdige directie is gelijkwaardig en besluit bij meerderheid van stemmen (...)”.

2.14.

In een e-mail van [verweerster] van 31 augustus 2018 merkt zij op dat zij om meerdere redenen moeite heeft met de opmerking van de RvT dat een driehoofdig directiemodel niet onderhandelbaar is. Daarbij heeft zij er ook op gewezen dat de RvT niet eigenmachtig de structuur binnen STM kan wijzigen, dat de OR daarover eerst om advies moet worden gevraagd en dat de RvT niet de bevoegdheid heeft de organisatie te wijzigen.

2.15.

In een e-mail van de RvT van 19 september 2018, gericht aan [verweerster] , [naam 5] en [naam 6] , staat onder meer:

“De Raad van Toezicht is niet tevreden over het tempo waarmee de STM zich ontwikkelt. Daarom is al begin van dit jaar met de directie gesproken over de aanstelling van een interim directeur, die zich met name op de professionalisering en de ontwikkeling van het facilitair bedrijf zou moeten richten.

Door de ziekte van [verweerster] is in dit in ijskast gezet. (...)

We willen verder, en moeten het probleem intern oplossen. Daarom hebben we het volgende plan ontwikkeld:

We benoemen een directieteam van drie personen. Dit driemanschap vormt het bestuur van de STM. (...)”.

2.16.

In een e-mail van [naam 1] van 21 september 2018, naar aanleiding van een gesprek van die datum van de RvT met [verweerster] , [naam 5] en [naam 6] , staat:

“We hebben afgesproken dat we met enthousiasme doorgaan op de voorgestelde weg, en jullie gaan gedrieën een plan uitwerken voor de implementatie (...)

De afspraak is: het bestuur van STM wordt gevormd door een directieteam van drie gelijkwaardige personen, met drie clusters van taken:

- Stakeholders & Communicatie

- Organisatie & Control

- Innovatie & Implementatie (...)

- we proberen het OR traject te starten met een informele meeting, waarin we als bestuur én RvT onze plannen voorleggen en toelichten, en we met hen willen bespreken hoe we het formele traject zullen gaan aanpakken (...).”

2.17.

Een vervolgoverleg van de drie beoogd directieleden met de RvT op 12 oktober 2018 is door die beoogd leden afgezegd. Medio november 2018 is [verweerster] volledig uitgevallen wegens ziekte.

2.18.

In een e-mail van [verweerster] van 13 november 2018 stuurt zij aan [naam 5] en [naam 6] een opzet voor een opdracht aan een adviesbureau, waarin als opdracht wordt benoemd:

“De opdracht is dus tweeledig: We willen graag advies over de meest slagvaardige organisatiestructuur waarbij een driekoppige, collegiale directie bij de RvT de voorkeur heeft.”

2.19.

Op 6 december 2018 hebben de RvT en de drie beoogd directieleden gesproken over het driehoofdig directiemodel. In een verslag daarvan staat dat de beoogd directieleden gezamenlijk gaan werken aan een verdere uitwerking van de taakverdeling per 1 januari 2019, en dat er afspraken moeten worden gemaakt over het “voorbereiden” van een adviesaanvraag aan de OR over het driehoofdig directiemodel.

2.20.

[verweerster] heeft in een e-mail van 6 december 2018 gereageerd op het verslag van het overleg van 6 december 2018, waarin onder andere staat:

“We hebben besproken dat de uitdrukkelijke wens van de RvT is om naar een driekoppige directie te gaan. Zoals bekend kunnen we daar nu niet definitief over beslissen, al was het maar vanwege de medezeggenschap. Het voornemen om middels een nog nader af te spreken taakverdeling een driekoppige directieteam te onderzoeken en als uitgangspunt te nemen deel ik. Wel zal nog goed in beeld moeten worden gebracht wat dat voor de rest van de organisatie betekent. Dat ga ik met [naam 5] en [naam 6] goed samen uitzoeken en aan jullie rapporteren. De directie leidt de organisatie; de RvT is toezichthouder (geen bestuur).”

2.21.

In een reactie op de e-mail van [verweerster] van 6 december 2018 heeft de RvT in een e-mail van diezelfde datum gesteld:

“Ook nu zien we in je reactie een soort van terugtrekkende bewegingen (....).

De RvT benoemt, schorst of ontslaat het bestuur. En de RvT bepaalt de meest wenselijke bestuursvorm.

Het adviesrecht van een OR geldt een voorgenomen besluit. En ook een advies van een OR kunnen we naast ons neerleggen, indien we zover zouden willen gaan. We zijn er echter van overtuigd dat de OR het nut, de noodzaak en de meerwaarde van het beoogde directieteam op waarde kan schatten. (...).”

2.22.

In een e-mail van 7 december 2018 aan de RvT stelt [verweerster] aan de orde dat formalisering van een benoeming van [naam 5] en [naam 6] tot (mede)directeur pas mogelijk is na advies van de OR. In reactie daarop merkt de RvT onder meer het volgende op:

“Wat ons betreft werken jullie vanaf heden als een (interim) directieteam van 3 leden, waarbij zij aangetekend dat A/A [kantonrechter: [naam 5] en [naam 6] ] in charge zijn tot je volledig bent hersteld, nl 1-1-2019. Vanaf 1-1-2019 werken jullie als zijnde een (interim) directieteam waarin ieder van jullie gelijkwaardig is. De formalisering van deze situatie doen we uiteraard na advies OR en definitief besluit RvT. Dat kan m.i. met terugwerkende kracht, maar dat is niet beslist noodzakelijk.”

2.23.

In notulen van een overleg van de OR van 20 december 2018, bij welk overleg [verweerster] aanwezig was, staat:

“Voorlopig gaat het driemanschap zoals het nu functioneert verder. Aangezien [verweerster] weer voor 100% actief is, is zij vanaf nu ook weer de verantwoordelijk directeur en bestuurder en zijn [naam 5] en [naam 6] [kantonrechter: [naam 5] en [naam 6] ] ondersteunend.”

2.24.

In een e-mail van [verweerster] van 10 januari 2019 aan het MT staat:

“Zoals aangekondigd blijven [naam 6] en [naam 5] mij nog een tijd versterken als a. i.-directie. (...) Tot die tijd werken we conform bovenstaande taakverdeling maar blijft ondergetekende directeur-bestuurder.”

2.25.

Op 8 januari 2019 is door [verweerster] een adviesaanvraag ingediend bij de OR. Naar aanleiding daarvan heeft de OR in een e-mail van 11 januari 2019 aan [naam 1] meegedeeld dat de directie van STM een adviesaanvraag had gedaan bij de OR over het inhuren van een adviesbureau en dat de adviesaanvraag niet (in kopie) aan de RvT was gestuurd. Blijkens de bij de e-mail van 11 januari 2019 gevoegde adviesaanvraag aan de OR luidt de vraagstelling van [verweerster] aan de OR in het kader van de adviesaanvraag als volgt:

“Vraag aan het onderzoeksbureau: Biedt een driekoppig, collegiaal directiemodel een definitieve oplossing of geniet een ander model de voorkeur?

2.26.

[verweerster] heeft de adviesaanvraag aan de OR van 8 januari 2019 niet vooraf besproken met de RvT en de adviesaanvraag ingediend zonder overleg met de RvT, en zonder toezending van een kopie daarvan aan de RvT.

2.27.

In een e-mail van de RvT van 13 januari 2019 staat onder meer:

“Die adviesaanvraag over de organisatie-ontwikkeling, in bijzonder het bestuursmodel bij de STM is zonder medeweten van en kennis van de inhoud bij de RvT gedaan. En dat is op zijn minst bijzonder te noemen omdat wij met elkaar hierover juist in gesprek waren. De adviesaanvraag is derhalve op zijn minst voorbarig te noemen, is potentieel schadelijk voor (de verhoudingen binnen) de STM en past niet in de koers die we als RvT voor ogen hebben. De RvT staat op het standpunt dat eerst overleg over ontstane situatie tussen directie (en plaatsvervangers) en RvT dient plaats te vinden en dat er tot dat moment geen enkele stap in het traject meer genomen kan worden.”

2.28.

In een e-mail aan de RvT van 16 januari 2019 van [verweerster] , [naam 5] en [naam 6] erkennen zij dat “mogelijk vormfouten” zijn gemaakt doordat de adviesaanvraag aan de OR van 8 januari 2019 zonder overleg met de RvT is opgesteld en ingediend. Zij maken daarvoor excuses aan de RvT.

2.29.

Op 18 januari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de RvT en [verweerster] , [naam 5] en [naam 6] , over de gang van zaken rondom de adviesaanvraag bij de OR. In een e-mail van 20 januari 2019 is door de RvT verwoord dat de RvT in dat gesprek grote verbazing en ongenoegen heeft geuit over die gang van zaken en is opgemerkt dat inhoudelijk en procedureel volkomen tegen alle afspraken is ingegaan. Verder is gesteld:

“We constateren dat onervarenheid en onvolledige kennis hier inderdaad een rol hebben gespeeld. Opmerkelijk daarbij is dat de ervaren bestuurder [verweerster] , op geen enkele manier hierin adequaat heeft geacteerd, met alle gevolgen van dien. In de gesprekken is ons opgevallen dat de twee beoogd directieleden blijk geven van zelfreflectie en een grote bereidheid tonen om als team te opereren en elkaar daarin te steunen.”

2.30.

[verweerster] , [naam 5] en [naam 6] hebben in een gezamenlijke e-mail van 22 januari 2019 onder andere het volgende opgemerkt:

“Wij menen dat we met de stappen die we hebben gedaan, het draagvlak bij de OR juist vergroten. (...) Wij willen gedrieën met volle inzet de kar blijven trekken (...).”

2.31.

Op 24 januari 2019 heeft de RvT in een gesprek met [verweerster] het vertrouwen in haar opgezegd en haar vrijgesteld van werk. In een e-mail van 25 januari 2019 van de RvT is dat bevestigd.

2.32.

Op 5 februari 2019 heeft [verweerster] zonder voorafgaande aankondiging haar werk hervat.

2.33.

In een brief van 6 februari 2019 heeft de RvT aan [verweerster] meegedeeld dat zij voor een periode van twee maanden is geschorst.

2.34.

Vanaf 26 februari 2019 heeft een mediationtraject plaatsgevonden. [verweerster] heeft geen werkzaamheden verricht tijdens dit traject. In het kader van de mediation hebben drie gesprekken plaatsgevonden tussen [naam 1] en [verweerster] , drie gesprekken tussen [naam 2] en [verweerster] , één gesprek met [naam 5] en [naam 6] , en één gesprek in aanwezigheid van de advocaten van partijen.

2.35.

In een vonnis in kort geding van 19 maart 2019 van de rechtbank Noord-Holland is STM veroordeeld om [verweerster] toe te laten tot haar werkzaamheden als statutair bestuurder in een voorlopig driehoofdige gelijkwaardige directie. In het vonnis is ook het volgende overwogen:

“Gelet op de ontstane vertrouwenscrisis hebben partijen afgesproken dat zij alsnog middels mediation met elkaar in gesprek zullen gaan. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [verweerster] haar werkzaamheden niet zal hervatten totdat het mediationtraject is afgerond. Het is in ieders belang dat partijen hun medewerking aan dit traject verlenen en dat dit vonnis in ieder geval niet voor 5 april 2019 ten uitvoer zal worden gelegd, zoals door partijen ter zitting overeengekomen, of zoveel langer als noodzakelijk in het kader van genoemde mediation.”

2.36.

In een e-mail van 9 april 2019 hebben zeven leidinggevenden/STM-hoofden verklaard dat zij het er unaniem over eens zijn dat het in het bedrijfsbelang van STM is dat [verweerster] niet terugkeert bij STM.

2.37.

Het eerdergenoemde mediationtraject is voortgezet tot 24 mei 2019 en nadien geëindigd zonder resultaat. STM heeft [verweerster] daarna opnieuw geschorst.

2.38.

In een e-mail van [verweerster] van 5 juni 2019 aan [naam 5] en [naam 6] heeft [verweerster] meegedeeld dat zij er naar neigt om de OR de mogelijkheid te geven gebruik te maken van het recht om bij de Ondernemingskamer een onderzoek te doen naar wanbeleid bij STM. In reactie daarop hebben [naam 5] en [naam 6] in een e-mail van 7 juni 2019 aan [verweerster] laten weten dat zij en het voltallige MT een vruchtbare samenwerking met [verweerster] als bestuurder niet meer zien zitten.

3 Het verzoek

3.1.

STM verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden vanwege – kort gezegd – omstandigheden die zodanig zijn dat van STM redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Als ontbinding op die grond niet wordt toegewezen, wordt verzocht om ontbinding wegens disfunctioneren of een verstoorde arbeidsverhouding. STM heeft daarbij het volgende naar voren gebracht.

3.2.

STM wijst erop dat [verweerster] als bestuurder is ontslagen en dat tussen de RvT en [verweerster] sprake is van een fundamenteel verschil van inzicht over de strategie en het bestuursmodel van STM. Daarbij stelt STM ook dat [verweerster] de RvT steeds heeft tegengewerkt bij het invoeren van een nieuw geschikt bestuursmodel, dat zij ondanks een duidelijke beslissing van de RvT ten aanzien van het door RvT gewenste driehoofdige directiemodel ‘achter de schermen’ is blijven aansturen op een breed onderzoek naar meerdere bestuursmodellen, en dat [verweerster] in augustus 2018 al door haar advocaat heeft laten onderzoeken hoe zij de RvT kon dwingen tot aftreden.

3.3.

Verder meent STM dat [verweerster] ongeschikt is voor haar werk, omdat is gebleken dat zij moeite heeft met visievorming, zaken niet afmaakt, de werksfeer en communicatie niet kan verbeteren, geen ‘verbinding’ in de organisatie kan bewerkstelligen, ernstig tekort is geschoten bij de behandeling van het contract met Shoreline, en handelt vanuit strijd en tegenstellingen, wat tot veel verwarring en onrust in de organisatie leidt. Mede gelet op het voorgaande is volgens STM ook sprake van een verstoorde arbeidsrelatie, omdat [verweerster] niet met de RvT kan samenwerken en voortdurend de strijd aangaat, en de koers en de besluiten van de RvT ondermijnt, waardoor de RvT ieder vertrouwen in [verweerster] is verloren.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd.

4.2.

[verweerster] betwist dat er omstandigheden zijn die zodanig zijn dat van STM redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens [verweerster] is geen sprake is van een verschil van inzicht met de RvT over het driehoofdig directiemodel, omdat zij na aanvankelijke kritische opmerkingen en aarzelingen daarover alsnog heeft ingestemd met dat model.

4.3.

Verder meent [verweerster] dat van disfunctioneren geen sprake is en dat de verschillende verwijten die STM haar maakt pas voor het eerst in het verzoekschrift naar voren worden gebracht. Volgens [verweerster] is het gestelde disfunctioneren ook niet onderbouwd en heeft de RvT in een e-mail van 29 november 2018 nog aangegeven dat de RvT [verweerster] graag zag terugkeren als één van de drie leden van het directieteam. Daarbij wijst [verweerster] erop dat STM heeft erkend dat geen verbetertraject heeft plaatsgevonden en dat zij in de periode van 22 maart 2018 tot 18 december 2018 arbeidsongeschikt is geweest, terwijl zij nadien door STM niet meer inhoudelijk op haar functioneren is aangesproken.

4.4.

[verweerster] stelt dat de verstoring van de arbeidsverhouding die de RvT ervaart er niet toe behoort te leiden dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, omdat die verstoring doelbewust door de RvT is veroorzaakt, en omdat de RvT ten onrechte en veel te snel het vertrouwen in [verweerster] op 24 januari 2019 heeft opgezegd en daarin heeft volhard. Wat betreft het MT en de waarnemend directie, [naam 5] en [naam 6] , is [verweerster] van mening dat de verhoudingen niet zodanig zijn verstoord dat dit – zonder nader mediationtraject – tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou behoren te leiden.

4.5.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van een billijke vergoeding van € 95.904,24 bruto. Daarbij stelt [verweerster] dat een eventuele ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van STM, omdat STM steevast heeft ingezet op een beëindiging van de samenwerking en een verstoring van de arbeidsverhouding, en geen reële poging heeft gedaan om [verweerster] te laten terugkeren naar haar functie. Verder wordt verzocht om STM te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 11.304,00 bruto en € 15.000,00 aan kosten voor rechtsbijstand.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

5.3.

Onder een redelijke grond voor ontbinding wordt onder andere verstaan een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit is de zogenoemde g-grond (artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW). Dat een verstoring van de arbeidsverhouding (grotendeels) aan de werkgever is te wijten, hoeft niet in de weg te staan aan ontbinding (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow Nederland)).

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam en onherstelbaar is verstoord. In de functie van [verweerster] als directeur is het noodzakelijk dat zij in voldoende mate het vertrouwen heeft van de RvT, haar mede-directeuren, het MT en de STM-hoofden, en dat zij met de betrokken leden daarvan in voldoende mate kan samenwerken. Zonder dat vertrouwen kan [verweerster] als directeur niet (meer) functioneren en is sprake van een verstoring van de arbeidsverhouding. [verweerster] moet immers in samenwerking met de RvT, haar mede-directeuren, het MT en de STM-hoofden leiding, richting en sturing geven aan de organisatie van STM. Vast staat dat de gehele RvT, het volledige MT, haar beide mede-directeuren en de STM-hoofden het vertrouwen in [verweerster] als directeur hebben verloren en opgezegd. Dat blijkt uit de e-mail van de RvT van 25 januari 2019, de e-mail van 9 april 2019 van zeven STM-hoofden, de e-mail van 7 juni 2019 van [naam 5] en [naam 6] , en uit het ontbindingsverzoek. Ook staat vast dat het niet gelukt is om dit vertrouwen te herstellen, ondanks een mediationtraject in de periode van 26 februari 2019 tot 24 mei 2019. In tegendeel, na afloop van het mediationtraject is het gebrek aan vertrouwen alleen maar toegenomen, nu [naam 5] , [naam 6] en het MT een extra aanleiding hebben gezien om het vertrouwen in [verweerster] op te zeggen nadat [verweerster] in een e-mail van 5 juni 2019 had meegedeeld dat zij ertoe neigde de OR de mogelijkheid te geven voor een onderzoek naar wanbeleid bij STM. Ook op de zitting heeft de kantonrechter kunnen constateren dat iedere basis voor een verdere vruchtbare samenwerking tussen de RvT en [verweerster] is uitgesloten. Onder die omstandigheden is de verstoring van de arbeidsverhouding ook zodanig dat van STM in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.5.

De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van [verweerster] niet meer mogelijk is, gelet op de aard en achtergrond van de verstoorde arbeidsverhouding. Overigens heeft [verweerster] ook zelf te kennen gegeven dat zij geen andere functie binnen STM wil vervullen.

5.6.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van STM zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 november 2019. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW).

5.7.

Gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, hoeft niet meer te worden beoordeeld of ontbinding gerechtvaardigd is vanwege andere omstandigheden of disfunctioneren. De kantonrechter onderkent dat STM primair ontbinding heeft gevraagd vanwege andere omstandigheden en disfunctioneren, maar in dit geval zou een ontbinding op één van die gronden niet tot andere conclusies of rechtsgevolgen leiden.

5.8.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen. Daarbij neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking.

5.9.

Een billijke vergoeding kan alleen worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 8 BW). Dat zal zich uitsluitend voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt of een valse grond voor ontslag aanvoert en daardoor een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten.

5.10.

Anders dan [verweerster] , ziet de kantonrechter geen reden om te oordelen dat STM ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat doelbewust is aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding en STM niets heeft gedaan om die te herstellen.

5.11.

Uit de stukken blijkt dat er al vanaf 2015 tussen de RvT en [verweerster] is gesproken over het functioneren van [verweerster] , en met name over de strategische visie en de zeggenschap binnen STM, en over het vertalen door [verweerster] van de wensen en behoeften van de RvT. Dat komt ook terug in de hiervoor genoemde evaluatie- en functioneringsgesprekken in 2016, 2017 en 2018. In een gesprek van 8 maart 2018 heeft de RvT vervolgens voorgesteld dat naast [verweerster] een tweede persoon als directeur wordt benoemd, die zich concentreert op de interne organisatie. In een e-mail van de RvT van 23 augustus 2018 is aangegeven dat de RvT een driehoofdige directie wenst en dat dit bestuursmodel “niet onderhandelbaar” is. De afspraken over een driehoofdig bestuur zijn nadien vastgelegd in een e-mail van de RvT van 19 september 2019 en een e-mail van [naam 1] van 21 september 2019. In e-mails aan [verweerster] van 6 december 2018 en 7 december 2018 heeft de RvT nog eens herhaald dat zij de bestuursvorm bepaalt en de directieleden benoemd, en dat de RvT een driehoofdig bestuur wenst. In de e-mails van 6 december 2018 en 7 december 2018 is ook aan de orde gesteld dat [verweerster] een adviesaanvraag aan de OR gaat “voorbereiden” en dat [naam 5] en [naam 6] met ingang van 1 januari 2019 tot mededirecteur worden benoemd.

5.12.

Gelet op het voorgaande staat vast dat de RvT in 2018 luid en duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij een driehoofdige directie als bestuursmodel wenste en geen andere bestuursvorm, en dat dit ook voor [verweerster] duidelijk was of duidelijk behoorde te zijn.

5.13.

Hoewel [verweerster] daar blijkens haar e-mails van 31 augustus 2018 en 6 december 2018 kennelijk aan twijfelde, staat ook vast dat de RvT de bevoegdheid heeft om de bestuursvorm vast te stellen en directieleden te benoemen. Dit volgt uit de artikelen 5, 7, 8 en 12 van de statuten van STM.

5.14.

Ondanks de duidelijke wensen en besluiten van de RvT, heeft [verweerster] zich in haar adviesaanvraag aan de OR van 8 januari 2019 niet beperkt tot het vragen van advies over een driehoofdig directiemodel, maar is ook gevraagd of een ander bestuursmodel de voorkeur verdient, en of daarover advies moet worden gevraagd aan een organisatieadviesbureau. Bovendien heeft [verweerster] niet volstaan met het voorbereiden van deze adviesaanvraag, maar is deze aanvraag bij de OR ingediend zonder deze vooraf te bespreken met de RvT en zonder deze aan de RvT toe te sturen.

5.15.

De kantonrechter kan de RvT volgen in het standpunt dat [verweerster] door het indienen van de adviesaanvraag aan de OR onder bovengenoemde omstandigheden het vertrouwen van de RvT in [verweerster] heeft geschaad. [verweerster] is immers zowel inhoudelijk als qua procedure voorbijgegaan aan de afspraken daarover met de RvT, en heeft de duidelijke wensen en besluiten van de RvT genegeerd. Dat [verweerster] niet zou hebben begrepen dat zij de adviesaanvraag aan de OR eerst voor goedkeuring aan de RvT zou moeten voorleggen, is in het licht van de gesprekken met de RvT en de hiervoor genoemde e-mails van 6 en 7 december 2018, waarin onder meer is neergelegd dat [verweerster] een adviesaanvraag gaat “voorbereiden”, niet aannemelijk. Verder is niet gebleken dat [naam 1] in een telefonisch contact met [naam 5] of [naam 6] toestemming zou hebben gegeven voor een nader onderzoek naar een ander bestuursmodel, zoals [verweerster] stelt, en dit valt ook niet te rijmen met het consistente standpunt van [naam 1] en de RvT over het door hen gewenste driehoofdige directiemodel. Er is temeer reden om de RvT te volgen in het standpunt dat het vertrouwen in [verweerster] door deze gang van zaken is geschaad, omdat al vanaf 2015 de zeggenschap binnen de onderneming en het vertalen van de wensen van de RvT onderwerp van gesprek was tussen de RvT en [verweerster] . [verweerster] kon en moest zich er dus bewust van zijn dat voortdurende discussie daarover en het negeren van de afspraken en wensen van de RvT de verhoudingen ernstig zou kunnen schaden. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de RvT doelbewust heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding, maar is sprake van omstandigheden op grond waarvan de RvT op goede gronden het standpunt heeft kunnen innemen dat [verweerster] het vertrouwen heeft geschaad.

5.16.

Dat de RvT niet doelbewust heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding, maar een reële aanleiding had voor het verlies van vertrouwen in [verweerster] , volgt ook uit het feit dat [verweerster] in een overleg met de OR van 20 december 2018 heeft aangegeven dat zij weer als verantwoordelijk directeur en bestuurder verder zou gaan en dat [naam 5] en [naam 6] ondersteunend zouden zijn, terwijl de RvT op dat moment al anders had besloten en [verweerster] dat ook wist. Hetzelfde geldt voor de e-mail van [verweerster] van 10 januari 2019 aan het MT waarin zij meldt dat zij alleen directeur-bestuurder blijft. Hiermee geeft [verweerster] er blijk van dat zij de besluiten en wensen van de RvT kennelijk niet daadwerkelijk accepteert, althans in ieder geval uitdraagt dat zij een eigen koers blijft volgen. Het beeld dat [verweerster] de besluitvorming door het RvT niet accepteert en bij gelegenheid heeft ondergraven, wordt versterkt doordat is gebleken dat op verzoek van [verweerster] rond augustus 2018 door haar advocaat een memo is opgesteld, waarin wordt opgemerkt dat de verhoudingen tussen [verweerster] en de RvT niet goed zijn en waarin wordt besproken op welke manier de RvT eventueel gedwongen kan worden haar werkzaamheden te beëindigen. Deze handelingen van [verweerster] dragen niet bij aan het in stand houden en verbeteren van de verhouding met de RvT. Een verdere aantasting van het vertrouwen is gelegen in het ondersteunen door [verweerster] van een onderzoek door de OR naar vermeend wanbeleid. Ook dat is geen doelbewust handelen van de RvT gericht op een verstoring van de arbeidsverhouding, maar een gedraging van [verweerster] .

5.17.

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat STM en de RvT niets hebben gedaan om de verstoorde arbeidsverhouding weer te herstellen. Uit de stukken blijkt dat de RvT vanaf 2015 regelmatig in gesprek is geweest en gebleven met [verweerster] , en uit de verslagen van de verschillende gesprekken volgt dat de RvT heeft geprobeerd de verhoudingen werkbaar te houden. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden in de stukken dat de RvT bewust uit was op een verstoring van de arbeidsverhouding, zoals ook hiervoor al is overwogen. Na het opzeggen van het vertrouwen op 24 januari 2019 heeft een mediationtraject plaatsgevonden in de periode van 26 februari 2019 tot 24 mei 2019, waarin meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden met de direct betrokkenen. Er zijn geen aanwijzingen dat daarbij niet serieus is getracht om tot een oplossing van het conflict te komen.

5.18.

Dat STM [verweerster] na het vonnis in kort geding van 19 maart 2019 niet direct heeft toegelaten tot haar werkzaamheden als directeur, levert geen ernstig verwijtbaar gedrag op van STM. In het vonnis is immers ook overwogen dat partijen hebben afgesproken dat zij vanwege de ontstane vertrouwenscrisis middels mediation met elkaar in gesprek zouden gaan, en dat ervan uit werd gegaan dat [verweerster] haar werkzaamheden niet zou hervatten totdat het mediationtraject was afgerond. Na afloop van het mediationtraject heeft STM [verweerster] opnieuw geschorst.

5.19.

Mogelijk had de RvT op bepaalde momenten anders of beter kunnen handelen dan zij heeft gedaan, bijvoorbeeld door [verweerster] in het kader van het besluit tot schorsing eerder en uitgebreider de gelegenheid te bieden om haar visie te geven, zoals ook in het vonnis in kort geding is overwogen. Waar het hier echter om gaat is de vraag of de ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van STM en de RvT. Dat is niet het geval, zoals hiervoor al is overwogen, gelet ook op de ‘hoge lat’ die geldt voor het aannemen van een dergelijke ernstige verwijtbaarheid en de omstandigheid dat [verweerster] zelf een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de vertrouwensbreuk en de verstoring van de arbeidsverhouding.

5.20.

Omdat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft STM geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.21.

STM heeft verzocht om de beschikking waarbij de ontbinding wordt uitgesproken, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat verzoek wordt afgewezen, omdat STM daarbij geen belang heeft. Op grond van de wet schorst hoger beroep tegen een beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet de tenuitvoerlegging van die beschikking (artikel 7:683 lid 1 BW). Het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die beschikking is dus niet nodig.

5.22.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

tegenverzoek

5.23.

[verweerster] heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om STM te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 11.304,00 bruto en € 15.000,00 aan kosten voor rechtsbijstand.

5.24.

STM heeft erkend dat [verweerster] aanspraak heeft op een transitievergoeding. STM heeft gesteld dat die vergoeding een lager bedrag is dan door [verweerster] is gesteld, maar STM heeft op de zitting ook erkend dat zij bij de berekening daarvan is uitgegaan van een eerdere datum van ontbinding. De stelling van STM kan daarom niet worden gevolgd. STM zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 11.304,00 bruto.

5.25.

Naar de kantonrechter begrijpt, verzoekt [verweerster] om vergoeding van de werkelijke en volledige proceskosten. Echter, voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, zoals hiervoor onder 5.21 al is overwogen, en dat geldt ook voor het tegenverzoek.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2019;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

het tegenverzoek

6.3.

veroordeelt STM tot betaling aan [verweerster] van een transitievergoeding van

€ 11.304,00 bruto;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

6.5.

verklaart de veroordeling onder 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter