Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7936

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
HAA 18/3967
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

B&w hebben aan de derde-partij een (legalisatie)omgevingsvergunning verleend voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan voor een blokhut in de achtertuin. Eisers zijn buren van derde-partij. De blokhut is geplaatst op 30 cm van erfgrens. Eisers hebben een (bedrijfs)pand op hun perceel tegen die erfgrens. In dat pand zijn op 1,90 tot 2,65 m hoogte kozijnen aangebracht. Eisers voeren aan dat zij door verjaring het recht hebben verworven die vensters/openingen daar te hebben. De strijd met het bestemmingsplan bestaat daar uit dat de punt van de (zijgevel) van de blokhut op die afstand van de erfgrens maximaal 3.14 m hoog mag zijn, maar daar 0,76 bovenuit steekt.

De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering van het recht van eisers om daar vensters/openingen te hebben, reeds omdat niet evident sprake is van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 5:50, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. De daarop gebaseerde beroepsgrond van eisers treft daarom geen doel. Het betoog van eisers dat de blokhut niet zou voldoen aan brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit, valt buiten de beoordeling omdat alleen verlening van een omgevingsvergunning in verband met strijd met het bestemmingsplan aan de orde is. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom ongegrond en de vergunning blijft in stand.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3967

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats 1] , eisers

gemachtigde: mr. L.T. van Eyck van Heslinga, advocaat te Alkmaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

gemachtigde: N. Boer, beleidsmedewerker bij de gemeente Den Helder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [woonplaats 2] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij naar aanleiding van zijn aanvraag van 13 januari 2018 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit met het bestemmingsplan strijdig gebruik ten behoeve van het oprichten van een blokhut in de tuin achter zijn woning op het perceel [adres 1] .

Eisers hebben tegen dat besluit op 13 april 2018 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De derde-partij heeft een reactie op het beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben nadien stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. De derde-partij heeft omstreeks april 2017 op zijn perceel achterin zijn tuin de blokhut gebouwd. De blokhut bestaat uit een bouwlaag op de begane grond met daarop een zadeldak. Bij de nok van het dak is de blokhut 3,90 meter hoog. Het laagste punt van het dak is circa 2,25 meter hoog. De derde-partij heeft de blokhut op een afstand van 0,30 meter van de erfgrens met het perceel van eisers geplaatst. Het perceel van eisers is gelegen aan de [adres 2] . Een van de lange zijkanten van het perceel van eisers grenst zijdelings aan het laatste deel van de (lange) zijde van het perceel van de derde-partij. Op het perceel van eisers staat onder meer ter hoogte van de plaats waar de derde-partij de blokhut heeft gebouwd tegen de erfgrens aan een bedrijfspand. De blokhut staat derhalve ook 0,30 meter vanaf het bedrijfspand. Het bedrijfspand, dat omstreeks 1955 is gebouwd, grenst ook aan een aantal andere tuinen van percelen aan de [straat] . In de buitenmuur van het bedrijfspand zijn raamkozijnen aangebracht op een hoogte van ca. 1.90 tot 2.65 meter vanaf de grond. De blokhut is met een van de puntgevels naar die erfgrens gekeerd. In het gedeelte van de buitenmuur van het bedrijfspand, dat aan het perceel van de derde-partij grenst, zijn vier raamkozijnen aangebracht. De blokhut staat voor twee van die raamkozijnen. Eisers hebben verweerder verzocht tegen de bouw van de blokhut handhavend op te treden. De derde-partij heeft, nadat verweerder de derde-partij op de strijdigheid van de blokhut met de ter zake geldende regels had gewezen, de aanvraag om omgevingsvergunning ingediend ter legalisatie van de blokhut.

2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Stadshart West 2016” (het bestemmingsplan) rust op het perceel van de derde-partij de bestemming “Wonen”. Niet in geschil is dat de blokhut in strijd met het bestemmingsplan is opgericht, omdat de bestemming “Wonen” het gebruik van de gronden voor een bijgebouw op 0,3 meter afstand van de erfgrens met een hoogte van 3,9 meter niet toestaat. Op grond van het bestemmingsplan mag de blokhut op die afstand van de erfgrens maximaal een hoogte hebben van 3,14 meter. Dat betekent dat het bovenste gedeelte van het zadeldak, te weten 0,76 meter, bij de erfgrens hoger is dan toegestaan. De derde-partij behoeft daarom voor de blokhut een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

3. Voorts is niet in geschil dat de derde-partij voor het bouwen van de blokhut geen omgevingsvergunning behoefde voor de activiteit bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo).

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit met het bestemmingsplan strijdig gebruik met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en ten 2e, Wabo. Niet is in geschil dat de blokhut valt onder de gevallen bedoeld in artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (in de volksmond bekend als de “kruimellijst”). De aangevraagde activiteit mag in dat geval niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder acht de aanvraag stedenbouwkundig aanvaardbaar, omdat de hoogteoverschrijding zich beperkt tot de kopse gevel ter plaatse van de nok en daarom, aldus verweerder, slechts beperkt in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan. De strijdigheid is gering ten opzichte van de belending waarbij de blokhut is gerealiseerd en is niet beperkend voor het gebruik van het belendende perceel of andere beperkingen zoals schaduwwerking. De hoogtebeperking zoals beschreven in het bestemmingsplan heeft als doel overlast voor aangrenzende percelen te minimaliseren. Doordat er in deze situatie op het perceel van de derde-partij tot maximaal 5 meter hoog mag worden gebouwd, is er, aldus verweerder, geen onevenredige beperking of overlast door het bouwen van een blokhut op het perceel. Het geldende bestemmingsplan laat immers, zo overweegt verweerder nog, reeds een bebouwing toe tot 3.14 meter hoogte, die bij realisering een vergelijkbare insluiting van de kozijnen in het bedrijfspand zou meebrengen.

Privaatrechtelijke belemmering

5. Op grond van artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) - voor zover hier van belang - is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van een erf vensters of muuropeningen te hebben voor zover deze op het naburig erf uitzicht geven. Op grond van het vierde lid van dat artikel is – voor zover hier van belang - echter de nabuur, wanneer hij als gevolg van verjaring geen wegneming van die opening of dat werk meer kan vorderen, verplicht binnen een afstand van twee meter van dat venster of die opening geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen.

6. Eisers betogen dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering en dat de omgevingsvergunning daarom niet mocht worden verleend. Zij stellen dat de raamkozijnen vensters zijn die hen uitzicht geven op het erf van de derde-partij en dat de derde-partij als gevolg van verjaring geen wegneming van die vensters meer kan vorderen. De blokhut is nagenoeg tegen de achtergevel van het pand van eisers geplaatst waardoor de vensters in hun bedrijfspand worden geblokkeerd. Dit is volgens eisers dan in strijd is met artikel 5:50, vierde lid, BW.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Hoewel verweerder in de besluitvormingsfase ervan uitging dat de derde-partij door verjaring geen wegneming van de kozijnen en daarmee van het uitzicht meer kon vorderen, heeft verweerder naar aanleiding van de behandeling ter zitting het standpunt ingenomen dat artikel 5:50, vierde lid, BW in onderhavig geval niet aan de orde is, omdat de ramen in het gebouw van eisers niet altijd doorzichtig zijn geweest waardoor geen voltooiing van verjaring heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat er op grond van het bestemmingsplan reeds een gebouw op de gevraagde afstand van de erfgrens van 3,14 meter hoogte kan worden gebouwd die ook voor deze ramen mag worden geplaatst en dus leidt tot een beperking van uitzicht en daglichttoetreding. De extra hoogte die door het verlenen van de vergunning mogelijk wordt gemaakt zorgt slechts voor een geringe extra beperking hiervan. Verweerder betwist voorts dat er door de blokhut sprake is van onredelijke hinder.

8. Voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan, bestaat slechts aanleiding wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De bestuursrechter kan in beroep tegen de omgevingsvergunning de rechtsverhouding tussen de buren niet bindend vaststellen. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om tussen de buren de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het aanbrengen van een gebouw of werk.

9. De rechtbank laat daarom in deze procedure het antwoord op de vraag in het midden of (steeds) sprake is geweest van uitzicht uit de raamkozijnen en zo ja of sprake is van verjaring van het recht van de derde-partij om wegneming van de raamkozijnen te vorderen. Ook in het geval de kozijnen altijd zicht zouden hebben gegeven op het erf van de derde-partij is nog geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Op grond van artikel 5:50, vierde lid, BW kunnen eisers zich in dat geval alleen tegen het plaatsen van de blokhut binnen twee meter van die kozijnen verzetten, indien door de blokhut onredelijke hinder ontstaat. Aangezien een onderzoek door de burgerlijk rechter is vereist naar de redelijkheid van de hinder die eisers ervaren door de realisatie van de blokhut is geen sprake zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De verwijzing door eisers ter zitting naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Raad van State) van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1329), kan hen niet baten. Die uitspraak ziet op een andere situatie. In dat geval was sprake van een situatie in strijd met artikel 5:52, eerste lid, van het BW dat ziet op afwatering op een buurperceel. Dat artikel bevat een absolute verplichting om afwatering op een ander perceel te voorkomen en biedt de rechter bij geschil in beginsel geen handvat om op basis van bijvoorbeeld een redelijkheidstoets tot een andere afweging te komen. Bovendien neemt de Raad van State in die uitspraak het standpunt in dat een privaatrechtelijke belemmering alleen evident is, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een bouwplan voorzien is op grond die in eigendom is van een ander en die ander niet in realisering ervan berust en er niet in hoeft te berusten. In dit geval heeft de derde-partij de blokhut echter niet op de grond van eisers gerealiseerd. Ook daarom kan de verwijzing naar deze uitspraak eisers niet baten. De beroepsgrond slaagt niet.

Brandveiligheid

10. Eisers betogen dat de blokhut niet voldoet aan artikel 2.84, eerste en derde lid, van het Bouwbesluit 2012.

11. Ook deze beroepsgrond kan eisers niet baten. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit met het bestemmingsplan strijdig gebruik. De vraag of de blokhut voldoet aan de vereisten opgenomen in het Bouwbesluit 2012 valt daarom buiten de omvang van dit geding.

Goede ruimtelijke ordening

12. Voor zover eisers hebben bedoeld te betogen dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, omdat zij door de plaatsing van de blokhut geen werkzaamheden aan hun pand kunnen verrichten en hun eigen pand daarom niet voldoet aan alle brandveiligheidseisen, overweegt de rechtbank nog als volgt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er meerdere mogelijkheden zijn om een pand brandveilig te maken. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat een tijdelijke noodzaak om een pand op te kunnen knappen niet af doet aan de beoordeling of het project voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de blokhut reeds op grond van het bestemmingsplan op een afstand van 0,30 meter van de erfgrens gerealiseerd kan worden en dat geen sprake is van (extra) onredelijke hinder voor de door eisers bedoelde door hen te verrichten werkzaamheden aan hun eigen pand door het enkele feit dat de blokhut 0,76 meter hoger is dan toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.