Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7700

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
HAA 19/1826
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan eisers hebben betoogd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er ten tijde van het bestreden besluit voldoende concreet zicht was op legalisatie. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juli 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY4229) dient verweerder de vraag of legalisatie mogelijk is zelfstandig te beantwoorden, ook als nog geen concrete daarop gerichte bouwaanvraag is ingediend. Wanneer legalisatie van de situatie tot de mogelijkheden behoort, kan niettemin concreet uitzicht daarop ontbreken, bijvoorbeeld indien de overtreder weigerachtig is een bouwaanvraag ter legalisatie in te dienen. De rechtbank stelt vast dat verweerder bereid is de bouw van de schutting alsmede het gebruik van de grond als tuin te legaliseren. Ten tijde van de besluitvorming waren er geen aanwijzingen dat de familie Buijs weigerachtig was om een aanvraag in te dienen. Integendeel; ter zitting is namens verweerder aangegeven dat de familie Buijs reeds eerder een aanvraag heeft ingediend welke later is ingetrokken omdat zij wilden wachten op de procedure inzake de onttrekking van het stuk grond aan de openbaarheid (besluit van 18 maart 2019). Hangende beroep heeft verweerder een door de familie Buijs nieuw ingediende aanvraag overgelegd ter legalisatie van de schutting en het gebruik van de grond als tuin. Inmiddels is er derhalve ook een begin gemaakt met de daarvoor vereiste procedure. Dat dat nog niet zo was ten tijde van de besluitvorming acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om geen concreet zicht op legalisatie aan te nemen. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:594)

kan eisers derhalve niet baten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1826

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2019 in de zaak tussen

[eisers] ,

allen te [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. Blom en M.A. de Langen).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om handhavend op te treden.

[eiser 1] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit op bezwaar van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en -zakelijk weergegeven- geweigerd een schadevergoeding toe te kennen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 15 mei 2019 heeft de rechtbank [naam 1] e.a. als belanghebbenden aangemerkt bij deze beroepsprocedure.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts zijn verschenen [naam 1] en [naam 3] . De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met het beroep (HAA 19/1825) en het verzoek om een voorlopige voorziening (HAA 19/1827) van eisers alsmede het beroep van [naam 4] . Met (HAA 19/1840) gericht tegen het besluit van 18 maart 2019 waarbij verweerder twee delen van het trottoir van de Boeijerstraat kadastraal bekend gemeente De Rijp, sectie C, nr. 2184 heeft onttrokken aan het openbaar verkeer.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep van [eiser 1] ongegrond;

-verklaart het beroep van [eiser 2] en [eiser 3] niet ontvankelijk;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht ad 174,-- aan eisers te vergoeden.

Overwegingen

1. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2019-07-21) naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

2. De rechtbank stelt vast dat [eiser 2] en [eiser 3] geen bezwaar hebben gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat [eiser 2] en [eiser 3] niet redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar hebben gemaakt. Hun beroep is derhalve gelet op het bepaalde in artikel 6:13 voornoemd niet ontvankelijk.

3. Het geschil ziet op de weigering van verweerder om handhavend op te treden tegen de (door de familie [naam 1] wonende aan de [adres] ) geplaatste schutting alsmede het gebruik door de familie [naam 1] van een stuk grond als tuin. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de familie [naam 3] in deze procedure aan te merken als derde partij.

4. Verweerder heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de schutting en tegen het gebruik van de grond als tuin omdat er sprake is van concreet zicht op legalisatie.

5. Eisers zijn daarentegen van mening dat er geen concreet zicht is op legalisatie en dat verweerder handhavend dient op te treden tegen de schutting en tegen het gebruik van de grond als tuin.

6. Niet in geschil is dat zowel de geplaatste schutting als het gebruik van de grond als tuin in strijd is met de bestemming ‘Verkeer-verblijf’ van het vigerende bestemmingsplan.

7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

8. Anders dan eisers hebben betoogd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er ten tijde van het bestreden besluit voldoende concreet zicht was op legalisatie. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juli 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY4229) dient verweerder de vraag of legalisatie mogelijk is zelfstandig te beantwoorden, ook als nog geen concrete daarop gerichte bouwaanvraag is ingediend. Wanneer legalisatie van de situatie tot de mogelijkheden behoort, kan niettemin concreet uitzicht daarop ontbreken, bijvoorbeeld indien de overtreder weigerachtig is een bouwaanvraag ter legalisatie in te dienen. De rechtbank stelt vast dat verweerder bereid is de bouw van de schutting alsmede het gebruik van de grond als tuin te legaliseren. Ten tijde van de besluitvorming waren er geen aanwijzingen dat de familie [naam 1] weigerachtig was om een aanvraag in te dienen. Integendeel; ter zitting is namens verweerder aangegeven dat de familie [naam 1] reeds eerder een aanvraag heeft ingediend welke later is ingetrokken omdat zij wilden wachten op de procedure inzake de onttrekking van het stuk grond aan de openbaarheid (besluit van 18 maart 2019). Hangende beroep heeft verweerder een door de familie [naam 1] nieuw ingediende aanvraag overgelegd ter legalisatie van de schutting en het gebruik van de grond als tuin. Inmiddels is er derhalve ook een begin gemaakt met de daarvoor vereiste procedure. Dat dat nog niet zo was ten tijde van de besluitvorming acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om geen concreet zicht op legalisatie aan te nemen. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:594)

kan eisers derhalve niet baten.

9. Wel ziet de rechtbank aanleiding verweerder te gelasten het griffierecht aan eisers te vergoeden vanwege de toezegging daarvan ter zitting door verweerder en -zoals ook namens verweerder ter zitting is erkend- het ‘rommelig’ verloop van de procedure.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.