Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7568

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
7407131 CV FORM 18-11215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim (EPGV). Stroomstoring Schiphol. Beroep op buitengewone omstandigheden verworpen. Naar het oordeel van de kantonrechter staat onvoldoende vast dat de annulering van de onderhavige vlucht veroorzaakt is door de stroomstoring en de daarop volgende capaciteitsbeperkingen van de luchtverkeersleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2019, afl. 6, p. 306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7407131 \ CV FORM 18-11215

Uitspraakdatum: 28 augustus 2019

Beschikking in de zaak van:

1 [passagier sub 1] ,

2. [passagier sub 2] ,

3. [passagier sub 3] ,

4. [passagier sub 4] ,

5. [passagier sub 5] ,

6. [passagier sub 6] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

verder te noemen: de passagiers,

gemachtigde: mr. R.A. Bos

tegen

de buitenlandse rechtspersoon,

Société Air France,

gevestigd te Parijs (Frankrijk),

verwerende partij,

verder te noemen: Air France

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 7 december 2018;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 22 maart 2019;

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Air France de passagiers op 29 april 2018 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol naar Marseille (Frankrijk) met vlucht AF 1807, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht is geannuleerd.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van Air France gevorderd in verband met voornoemde annulering.

2.4.

Air France heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken Air France te veroordelen tot betaling van:

- € 2.252,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- buitengerechtelijke incassokosten begroot op nihil;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren de vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat Air France vanwege de annulering van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door Air France van additionele kosten ter hoogte van € 752,40 en de wettelijke rente.

3.4.

Air France betwist de verschuldigdheid van de hoofdsom en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat Air France zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c sub i, ii, of iii van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor Air France. Dit is anders indien Air France kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. In het voorkomende geval moet de luchtvaartmaatschappij bovendien aantonen dat zij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden - behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht - dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd, tot annulering van de vlucht leidden.

4.3.

Air France voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van een stroomstoring op de luchthaven van Schiphol die in de vroege ochtend van 29 april 2018 heeft plaatsgevonden. Zij stelt dat door het probleem met de stroomvoorziening het onder andere voor passagiers niet mogelijk was om in te checken op de luchthaven, daarnaast heeft Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) de Europese luchtverkeersleiding (Eurocontrol) gevraagd tijdelijk geen luchtverkeer naar Schiphol te laten vertrekken. De storing was om 6:30 uur lokale tijd verholpen en de luchthaven was om 7:15 uur lokale tijd weer bereikbaar, aldus Air France. Als gevolg van de storing heeft LVNL het luchtverkeer tussen 6:20 uur lokale tijd en 17:00 uur lokale tijd beperkt. Ter onderbouwing wordt door Air France een verklaring van LVNL en een “capacity forecast” van LVNL overgelegd, waaruit volgt dat het luchtverkeer tussen 7:00 uur UTC en 9:00 uur UTC beperkt was tot 10 vluchten per uur en in de periode van 9:00 uur UTC tot 11:00 uur UTC tot 38 vluchten per uur. Vanaf 11:00 uur UTC (12:00 uur lokale tijd) werden 50 vluchten per uur toegestaan, in vergelijking tot een maximale capaciteit van 68 vluchten per uur. Air France licht toe dat vanwege de beperkingen op Schiphol de direct voorafgaande vlucht vanuit Marseille niet op Schiphol kon landen en dat de passagiers Schiphol evenmin tijdig konden bereiken en worden ingecheckt, zodat Air France genoodzaakt was de onderhavige vlucht te annuleren.

4.4.

Beoordeeld dient te worden of de stroomstoring en de daarop volgende beperkingen van de LVNL aangemerkt kunnen worden als een buitengewone omstandigheid die de annulering van de vlucht tot gevolg had en die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen kon worden.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat Air France voldoende heeft aangetoond dat er in de ochtend van 29 april 2018 een stroomstoring was op luchthaven Schiphol. Echter niet gebleken is dat de stroomstoring de directe aanleiding is van de annulering van de vlucht. Air France heeft een zeer algemene verklaring en “capacity forecast” van LVNL overgelegd, waaruit volgt dat vanwege de stroomstoring het luchtverkeer op Schiphol een groot deel van de dag was beperkt. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de luchtverkeersleiding restricties opgelegd heeft voor het specifieke toestel dat de vlucht zou uitvoeren. Aldus staat onvoldoende vast dat de annulering van de vlucht veroorzaakt is door de stroomstoring en de daarop volgende capaciteitsbeperkingen van de luchtverkeersleiding en is geen sprake is van buitengewone omstandigheden, zodat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling van eventuele de redelijke maatregelen.

4.6.

Nu Air France voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de compensatie worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.7.

Ten aanzien van de verzochte additionele kosten oordeelt de kantonrechter als volgt. Artikel 5 lid 1 onder b van de Verordening bepaalt dat passagiers in geval van annulering recht hebben op bijstand als bedoeld in artikel 9, lid 1 onder a en artikel 9, lid 2 van de Verordening. Daarbij hebben passagiers in het geval van een andere vlucht die naar redelijke verwachting een dag na de geplande vertrektijd van de geannuleerde vlucht vertrekt ook recht op een hotelovernachting en vervoer tussen de luchthaven en de accommodatie.

4.8.

De kantonrechter maakt op uit de overgelegde rekeningen dat de passagiers vergoeding vorderen van de treinkosten naar Brussel, avondeten en een hotelovernachting in Brussel. Air France heeft aangevoerd dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de passagiers van de overeengekomen reisroute (Amsterdam – Marseille) hebben afgezien. De passagiers zouden na aankomst in Marseille aan boord gaan van een cruiseschip. Echter door de annulering van de vlucht waren de passagiers niet tijdig in Marseille en hebben zij er voor gekozen in Barcelona aan boord te gaan. Air France heeft de passagiers omgeboekt naar een vliegreis van Brussel, via Frankfurt naar Barcelona voor 30 april 2018.

4.9.

Aldus staat vast dat de passagiers zijn omgeboekt naar een andere vlucht die een dag later dan oorspronkelijk gepland is vertrokken, Air France is derhalve verplicht bijstand als bedoeld in artikel 9 van de Verordening te bieden. De omstandigheid dat de passagiers ermee hebben ingestemd hen naar een andere bestemming te vervoeren maakt dit niet anders. De kantonrechter zal daarom de kosten voor de hotelovernachting € 312,00 toewijzen. Ook de kosten van het avondeten worden toegewezen. De kosten voor de treinreis naar Brussel zullen worden afgewezen, omdat deze op grond van artikel 9 van de Verordening niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.10.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Air France heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Omdat de vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.11.

De proceskosten komen voor rekening van Air France omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. De gevorderde rente over de toe te wijzen proceskosten is niet toewijsbaar met ingang van 29 april 2018, omdat Air France ten aanzien van deze kosten dan nog niet in verzuim is, zodat aan de eisen van art. 6:119 BW niet is voldaan. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.12.

Op verzoek van de passagier zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Air France tot betaling aan de passagiers van € 1.962,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 april 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Air France tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 180,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening.

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. W Aardenburg, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter