Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7537

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
15/860068-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer van de raadsman van verdachte m.b.t. het door de officier van justitie uitgevaardigde Europees Arrestatiebevel naar aanleiding van het op 27 mei 2019 door het Hof van Justitie gewezen arrest in de gevoegde zaken OG/PI (C 508/18, ECLI:EU:C:2019:456) en PF (C-509/18, ECLI:EU:C:2019:457). De rechtbank oordeelt Openbaar Ministerie ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/860068-15

Uitspraakdatum: 3 september 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.C.M. Wildemors en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 13 september 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres] te Amsterdam) ongeveer 142 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 13 september 2016 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 142 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

- heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) (een) gesprek(ken) gevoerd over en/of informatie verschaft en/of ingewonnen en/of uitgewisseld over en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt over en/of een schriftelijke berekening/administratie opgesteld en/of (beter leesbaar) overgeschreven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen over:

* wie welk(e) bedrag(en) heeft geïnvesteerd in en/of zou (gaan) investeren in en/of heeft betaald voor en/of moest betalen voor en/of zou (gaan) betalen voor (een deel of delen van) voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

* de verkoopprijs/verkoopprijzen en/of handelsprijs/handelsprijzen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) een of meer geldtelmachine('s) voorhanden gehad.

2 Voorvragen

2.1.

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman is bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De officier van justitie heeft op 28 maart 2018 een Europees Arrestatiebevel (hierna: EAB) aan de Spaanse autoriteiten uitgevaardigd, teneinde verdachte aan te houden en over te leveren aan Nederland. Door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) is echter bepaald dat een EAB dient te worden uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’, waar een officier van justitie niet toe behoort. Gelet daarop is het EAB dan ook onbevoegd uitgevaardigd. De officier van justitie heeft kennelijk gepoogd dit te repareren door de rechter-commissaris op een later moment alsnog te verzoeken een EAB uit te vaardigen voor onder meer dezelfde feiten. De Spaanse autoriteiten hebben hier tot op heden echter nog niet op beslist. Gelet hierop is er dan ook geen geldige rechtsgrond om verdachte te vervolgen en dient daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. In reactie op het betoog van de raadsman heeft de officier van justitie aangevoerd dat het EAB is uitgevaardigd vóór het betreffende arrest van het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook destijds een EAB uitgevaardigd op basis van de toen geldende Nederlandse wetgeving. Dat de wetgeving met betrekking tot het uitvaardigen van een EAB inmiddels is veranderd, maakt niet dat daardoor aan het EAB de rechtsgrond is komen te ontvallen. Dat er een aanvullend EAB door de rechter-commissaris aan de Spaanse autoriteiten is uitgevaardigd, doet daar ook niet aan af.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 27 mei 2019 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de gevoegde zaken OG/PI (C‑508/18, ECLI:EU:C:2019:456) en PF (C-509/18, ECLI:EU:C:2019:457) (hierna: het arrest). In het arrest heeft het Hof van Justitie prejudiciële vragen van het Supreme Court en het High Court van Ierland behandeld, kort gezegd inhoudende de vraag of de officier van justitie in Lübeck (Duitsland) en de officier van justitie van de Republiek Litouwen “rechterlijke autoriteiten” zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: het Kaderbesluit). Het Hof heeft deze vragen in ontkennende zin beantwoord.

Ten gevolge van deze uitspraak is een aantal bepalingen in de Nederlandse Overleveringswet gewijzigd, welke wijzigingen op 13 juli 2019 in werking zijn getreden.

In de thans geldende Overleveringswet is – kort gezegd – niet langer de officier van justitie de bevoegde uitvaardigende justitiële autoriteit, maar de rechter-commissaris.

De rechtbank stelt vast dat het EAB van 28 maart 2018 is uitgevaardigd door het Arrondissementsparket Noord-Holland, vertegenwoordigd door de officier van justitie. Indachtig het arrest van het Hof van Justitie en de daaropvolgende wijzigingen van de Overleveringswet, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat de officier van justitie daartoe niet de bevoegde autoriteit is geweest en dat het EAB, op basis waarvan de raadsheer-commissaris van het centraal kabinet in Madrid (Spanje) het verzoek op 25 augustus 2018 heeft geaccordeerd, dientengevolge onbevoegd is uitgevaardigd.

Dat de uitvaardiging van het EAB van 28 maart 2018 is gelegen vóór het genoemde arrest maakt dit niet anders, nu de uitleg die het Hof van Justitie aan een voorschrift van Unierecht geeft – hier het Kaderbesluit dat bij wet van 29 april 2004 in Nederland is geïmplementeerd door middel van de Overleveringswet – heeft te gelden als een precisering van het voorschrift zoals dat steeds heeft gegolden. In een arrest van het Hof van Justitie waarin werd overwogen dat het zich ertegen verzet dat een orgaan van de uitvoerende macht zoals het ministerie van Justitie van de Republiek Litouwen wordt aangeduid als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit”, overwoog het Hof van Justitie bovendien dat er geen aanleiding is om de werking daarvan in de tijd te beperken (HvJ EU 10 november 2016, C-477/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:816, Kovalkovas, punt 50-54).

Het aan het EAB geconstateerde gebrek kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer hersteld worden, bijvoorbeeld door middel van een eventueel accorderende beslissing van de Spaanse autoriteiten op het latere EAB van 16 juli 2019, dat is uitgevaardigd door de Nederlandse rechter-commissaris voor de thans voorliggende feiten alsook voor andere (thans niet voorliggende) feiten. Verdachte is immers op basis van het onbevoegd uitgevaardigde EAB door de Spaanse autoriteiten op 4 september 2018 aan Nederland overgeleverd en daarop aansluitend hier te lande in voorlopige hechtenis genomen. De rechtbank concludeert dan ook dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waarvan de rechtsgevolgen niet blijken uit de wet.

Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel kan de rechtbank een rechtsgevolg verbinden aan een vormverzuim. Bij de vraag of dit dient te gebeuren en zo ja, welk rechtsgevolg, dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De rechtbank stelt vast dat door de verdediging niet is aangevoerd in welk concreet persoonlijk belang verdachte is geschaad door het onbevoegd uitgevaardigde EAB. De rechtbank merkt daarbij op dat het aangemerkt worden als ‘verdachte’, ‘het overgeleverd worden als verdachte’ c.q. het ‘voorlopig gehecht zitten als verdachte’ op zichzelf niet als zodanig nadeel (‘een rechtens te respecteren belang’) kan worden aangemerkt.

Vaststaat dat verdachte voorafgaand aan de beslissing tot overlevering in het centraal kabinet van de rechter-commissaris te Madrid door een raadsheer-commissaris – in het bijzijn van een advocaat en met bijstand van een tolk is gehoord en dat verdachte heeft ingestemd met zijn overlevering aan Nederland. Uiteraard heeft verdachte – net als het Openbaar Ministerie, zijn toenmalige advocaat en de Spaanse autoriteiten – op dat moment niet kunnen weten dat blijkens het latere arrest zijn overlevering op basis van een onbevoegd uitgevaardigd EAB werd gevraagd.

Voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarnaast kan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie volgen indien er sprake is van een fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke strafvervolging, namelijk doordat is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijk voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter (Karman-arrest, Hoge Raad 1 juni 1999, NJ 1999, 567).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie ten tijde van de uitvaardiging van het EAB van 28 maart 2018 te goeder trouw gehandeld, evenals de Spaanse autoriteiten. Het Openbaar Ministerie had immers op basis van de toen geldende Nederlandse wetgeving geen andere mogelijkheid dan op eigen titel een EAB uit te vaardigen. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat door het genoemde vormverzuim het Openbaar Ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft tekortgedaan, reden waarom het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wordt verworpen.

Toetsend aan het Karman-criterium, zoals hiervoor is verwoord, is de rechtbank van oordeel dat het vormverzuim het wettelijk systeem wel degelijk in de kern heeft geraakt, nu immers een bevoegdheid die – thans ook volgens de Nederlandse wetgeving – is voorbehouden aan de rechter-commissaris door de officier van justitie is gebruikt. Gelet op alle omstandigheden van dit concrete geval, in het bijzonder dat toentertijd in de Nederlandse wetgeving die bevoegdheid – naar achteraf blijkt ten onrechte – wel degelijk bij de officier van justitie lag, acht de rechtbank deze inbreuk evenwel niet van een zodanig ernstige aard dat daaraan de uiterste consequentie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet worden verbonden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank volstaan met de constatering dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en hieraan geen rechtsgevolg verbinden.

De rechtbank heeft ook overigens geen redenen gezien die moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

2.3.

Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting – zoals verwoord in zijn pleitaantekeningen – bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. De raadsman heeft daartoe kort weergegeven naar voren gebracht dat het dossier niet het minimum bewijs voor een bewezenverklaring bevat, nu er in belastende zin uitsluitend een schriftelijk bescheid voorhanden is, namelijk een papier met aantekeningen van de hand van verdachte. Verdachte heeft betrokkenheid bij het tenlastegelegde ontkend en over voornoemd papier van meet af aan een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij het papier slechts heeft overgeschreven omdat het originele papier was vervaagd. Die verklaring vindt steun in het dossier, met name in de getuigenverklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Een verband tussen de aangetroffen partij drugs en voornoemd papier is er wat de raadsman betreft niet. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman nog aangevoerd dat, in geval een dergelijk verband wel zou worden aangenomen, het papier tekst bevat die duidt op de verleden tijd. Nu voorbereidingshandelingen achteraf niet strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet, dient ook om die reden vrijspraak voor feit 2 te volgen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en 2

Gebruik PGP-telefoon

De rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte in de periode van november 2015 tot en met april 2016 veelvuldig gebruik heeft gemaakt van een PGP-toestel met als adres [e-mailadres 1] (hierna: [e-mailadres 1] ). Blijkens de inhoud van die berichten volgt immers dat de gebruiker van dat adres zich ‘ [naam] ’ noemt, een ‘Surinaamse eettent in [plaats] ’ heeft en op ‘ [datum] een [naam] -feest’ geeft. Dit, en het genoemde adres [adres] , zijn concrete en verifieerbare persoonlijke linken die blijkens de bewijsmiddelen een verband met verdachte aantonen. Een dergelijk toestel maakt gebruik van een type versleuteling of encryptie dat maakt dat de inhoud van berichten niet onderschept kan worden door overheden, veiligheidsdiensten of de politie. Communicatie is alleen mogelijk met een ander PGP-toestel. Het enkele gebruik van een dergelijk toestel roept bij de rechtbank op zichzelf al vragen op over mogelijke betrokkenheid van verdachte bij strafrechtelijke activiteiten. Vervolgens is gebleken dat de berichten die verdachte hiermee heeft verzonden dan wel heeft ontvangen duiden op omvangrijke internationale handel in verdovende middelen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich in elk geval in genoemde periode daarmee heeft beziggehouden.

Auteur van het gele papier

Verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij een papier dat in het appartement van [medeverdachte 1] op tafel lag, letterlijk heeft overgeschreven op het gele papier, dus zonder daarbij wijzigingen aan te brengen. De reden daarvoor was dat het origineel vervaagd was. De rechtbank ziet in de inhoud van de bewijsmiddelen echter aanleiding hieromtrent anders te oordelen en overweegt daartoe het volgende.

Volgens [medeverdachte 1] heeft hij de witte papieren geschreven. Hij zou ook het originele papier hebben geschreven, waarvan verdachte zegt dat hij de tekst ervan op het gele papier heeft overgeschreven. Op basis van deze beide verklaringen zouden dus alle papieren één en dezelfde auteur moeten hebben, namelijk [medeverdachte 1] . De rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet kan kloppen, gelet op de inhoud van de witte papieren in vergelijking met de inhoud van het gele papier.

Het gele papier vermeldt namelijk bovenaan “145 [bijnaam 1] ”, terwijl de witte papieren “ [bijnaam 1] ”, zijnde [medeverdachte 1] , niet noemen. Daarnaast staat op het gele papier “ [bijnaam 1] aan mij” hetgeen erop duidt dat er sprake is van twee personen, namelijk “mij” en “ [bijnaam 1] ”, oftewel [medeverdachte 1] . Dus “mij” is niet [medeverdachte 1] . Verder valt op dat de verdeling van de 145 stuks op het gele papier grotendeels overeen komt met een op één van de witte papieren voorkomend staatje. Daarin is op het witte papier vermeld: “4 [bijnaam 6] / [letter] ”. Gelet op de context lijkt deze regel ook voor te komen op het gele papier maar dan als“4 [bijnaam 6] was k bij”. Het verschil in achtervoegsels past goed bij de veronderstelling dat [medeverdachte 1] (op het witte papier) heeft bedoeld dat [verdachte] daar bij was en dat verdachte (op het gele papier) bedoeld heeft dat hij (k) daar bij was. De rechtbank merkt op dat het dossier veel berichten van verdachte bevat waarin hij ‘k’ schrijft wanneer hij ‘ik’ lijkt te bedoelen.

Het voorgaande strookt niet met het scenario dat de aangetroffen (gele en witte) papieren één en dezelfde auteur hebben. Het past daarentegen wel bij de situatie dat [medeverdachte 1] de auteur van het witte papier is en “ [bijnaam 1] ” op het gele papier, en dat verdachte de auteur van, en de “mij” op het gele papier is.

Daar komt bij dat veel van de personen die onder hun bijnaam op het gele papier worden genoemd, bekenden of contacten van verdachte zijn. Meerdere personen die op het gele papier staan genoemd, te weten [bijnaam 5] , [bijnaam 6] , [bijnaam 3] , [bijnaam 4] en [bijnaam 1] , zijn ook terug te vinden in de drugsgerelateerde PGP-berichten die aan verdachte kunnen worden toegeschreven.

Het voorgaande betekent dat verdachte op verschillende manieren aan – de aantekeningen op – het gele papier kan worden gelinkt. Dit geldt namelijk voor de totstandkoming (ze zijn van zijn hand), de redactie ( [bijnaam 1] aan mij, 4 [bijnaam 6] / [letter] ), en de inhoud (de bijnamen) van de aantekeningen. Dat verdachte het gele papier slechts heeft overgeschreven acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Het ‘gele papier’ ziet op de aangetroffen partij cocaïne

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen voorts vast dat de inhoud van het ‘gele papier’ betrekking heeft op de aangetroffen partij cocaïne van in totaal 142 kilogram (kg). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De partij cocaïne is aangetroffen in het appartement waar [medeverdachte 2] / [bijnaam 2] verbleef. [medeverdachte 2] moest deze partij bewaren voor zijn stiefvader [medeverdachte 1] (tapgesprek van [persoon 9] en “145 [bijnaam 1] ”). Dit gele papier heeft verdachte geschreven in bijzijn van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , in het bovenste appartement van [medeverdachte 1] , boven dat waar [medeverdachte 2] de cocaïne bewaarde. [medeverdachte 1] heeft het papier vervolgens naar beneden gebracht. Daar is het, samen met de twee witte, door [medeverdachte 1] bijgehouden administratiebriefjes, aangetroffen in de afgesloten slaapkamer waar ook 133 kg cocaïne lag opgestapeld. De papieren lagen bij elkaar onder een grote stapel geld in een nachtkastje, waarop een geldtelmachine stond met de naam ‘ [bijnaam 7] ’. Uit deze laatste omstandigheden leidt de rechtbank af dat het gele papier daar niet toevallig lag maar bewust bij de cocaïne en het geld werd bewaard. Niet gebleken is dat daar, of elders in het appartement, andere papieren zijn aangetroffen die blijkens hun inhoud in verband kunnen worden gebracht met – een verdeling van – een partij cocaïne.

Gezien deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de verdeling op het gele papier ziet op de aangetroffen partij cocaïne. Daaraan doet onvoldoende af dat niet iedere aantekening op het gele papier verklaard kan worden. Zo kunnen er diverse verklaringen zijn voor het verschil tussen het op het gele papier vermelde getal 145 en de aangetroffen 142 stuks, bijvoorbeeld dat drie stuks niet zijn gevonden omdat deze al dan niet tijdelijk elders lagen. Duidelijk is evenwel dat het een relatief klein verschil in aantal is, van een grote partij die bedoeld was om verdeeld te worden en het een illegale drugsadministratie betreft en niet een door een professionele boekhouder opgesteld stuk.

Naar het oordeel van de rechtbank ondergraaft genoemd verschil van drie stuks niet het gevonden verband tussen het gele papier met de aangetroffen partij cocaïne.

Ditzelfde geldt voor de aantekening “4 [bijnaam 6] was k bij”. Nergens blijkt dat deze regel slaat op het moment van uitdeling van 4 stuks en niet bijvoorbeeld op het moment van intekenen/investeren. Dit geldt eveneens voor de aantekening “10 per [naam] aan [bijnaam 2] gegeven (en daaronder) 220000”. Deze aantekeningen zijn geplaatst op een plek onderaan het gele papier, voorzien van een nummer “2” waarboven een streep is gezet en lijkt aldus geen onderdeel uit te maken van de verdeling van 145 stuks boven die streep waarbij ook een “1” is gezet. In die aantekening, en de – uit het dossier blijkende en niet betwiste – toen gangbare handelsprijs voor een kilo cocaïne, ziet de rechtbank wel een aanwijzing dat de aantallen op het gele papier staan voor kiloverpakkingen, stuks, cocaïne en op de daarbij behorende waarde in geld.

Aan het voorgaande voegt de rechtbank nog toe dat voor zover verdachte meent, in weerwil van het bovenstaande, dat het gele papier ziet op een andere dan de aangetroffen partij cocaïne, het, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, aan hem was om dit concreet uit te leggen.

Voorhanden hebben en voorbereidings/bevorderingshandelingen in vereniging gepleegd

Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van verdovende middelen is vereist dat er, naast een meer of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van de verdovende middelen, een zekere beschikkingsmacht daarover heeft bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake.

In het voorgaande is vastgesteld dat verdachte de auteur is van het gele papier en dat dit ziet op de aangetroffen hoeveelheid cocaïne. Uit het voorgaande volgt ook dat verdachte de persoon is geweest die, mogelijk samen met [medeverdachte 1] die blijkens het gele papier de ontvanger/beheerder van de drugspartij is en blijkens zijn verklaring de auteur van de overige drugsadministratie is, de verdeling van de cocaïne en de daaruit voortvloeiende geldelijke opbrengsten heeft vastgesteld en vastgelegd. Daarbij komt dat verdachte zelf om en nabij een derde van de totale opbrengst uit de verkoop van de aangetroffen hoeveelheid cocaïne zou generen. Verdachte is daarom zodanig betrokken geweest bij de aangetroffen 142 kg cocaïne dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat verdachte, naast wetenschap, ook beschikkingsmacht heeft gehad over deze partij cocaïne en dat hij de verkoop daarvan heeft voorbereid en/of bevorderd. Dat de cocaïne feitelijk door [medeverdachte 2] werd bewaard doet daaraan niet af. Uit het voorgaande blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zodat bewezen kan worden dat verdachte beide ten laste gelegde feiten in vereniging heeft gepleegd.

Getuigenverklaringen

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu alle in deze zaak door de politie en de rechter-commissaris gehoorde getuigen ontlastend hebben verklaard over verdachte, dan wel dat zij hebben verklaard niets te weten over de (eventuele) betrokkenheid van verdachte bij de aangetroffen hoeveelheid cocaïne. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet en overweegt hiertoe het volgende.

In de door de raadsman bedoelde getuigenverklaringen met betrekking tot verdachtes betrokkenheid, is het steeds gebleven bij blote ontkenningen, in die zin dat de getuigen hun verklaringen op geen enkele wijze hebben geconcretiseerd, zij niet hebben willen verklaren over wie er dan wel betrokken is geweest bij de aangetroffen hoeveel cocaïne aan de [adres] in Amsterdam dan wel enige toelichting hebben gegeven op de reden van hun wetenschap. De rechtbank is daarom van oordeel dat de getuigenverklaringen onvoldoende afdoen aan de tot het bewijs gebezigde middelen. De getuigenverklaringen worden dan ook door de rechtbank terzijde geschoven.

Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak

De verdediging heeft, indien de rechtbank verdachte niet zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde, ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan de behandeling van de zaak aan te houden teneinde alle tapgesprekken met betrekking tot [persoon 8] gevoerd met de telefoon welke op naam stond van [persoon 9] , en de tapgesprekken van contacten van die telefoon over de periode van een jaar uit het onderzoek [naam] aan de verdediging ter hand te stellen. Uit die communicatie zou volgens de verdediging betrokkenheid van anderen bij de aangetroffen cocaïne kunnen blijken en de standpunten van verdachte daaromtrent kunnen ondersteunen. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de raadsman een deel van een proces-verbaal uit het onderzoek [naam] overgelegd.

Zoals uit de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene blijkt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte dat verdachte, mogelijk samen met [medeverdachte 1] , de verdeling van de opbrengst van de partij cocaïne heeft bepaald en vastgelegd en voorts dat hij tot ongeveer een derde zou meedelen in de opbrengst van die partij cocaïne. Bij haar overwegingen heeft de rechtbank ook acht geslagen op de door de raadsman ingebrachte informatie. Eventuele betrokkenheid van anderen doet aan het oordeel van de rechtbank niet af; uit het gele papier blijkt ook dat meer personen zijn betrokken bij deze partij cocaïne. Gelet daarop is het toevoegen van de tapgesprekken zoals verzocht, niet noodzakelijk voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in het kader van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank wijst derhalve het verzoek af.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 13 september 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan de [adres] te Amsterdam 142 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 2:

hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 13 september 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen

om feiten, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen van een hoeveelheid van 142 kilogram voor te bereiden en/of te bevorderen,

voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een schriftelijke berekening/administratie opgesteld en voorhanden gehad over:

* wie welke bedrag heeft geïnvesteerd in en/of zou (gaan) investeren in en/of heeft betaald voor en/of moest betalen voor en/of zou (gaan) betalen voor (een deel of delen van) voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

* de verkoopprijs/verkoopprijzen en/of handelsprijs/handelsprijzen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en heeft/hebben verdachte en zijn mededaders geldtelmachines voorhanden gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 2:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op zijn verzoek tot vrijspraak, geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door samen met zijn mededaders 142 kg cocaïne voorhanden te hebben. Daarnaast heeft verdachte ten behoeve van de verdeling en/of verkoop van deze partij, een administratie opgesteld. Hij heeft daartoe een lijst opgesteld waarop per persoon is bijgehouden tot welk aantal, stuks of bedrag, deze persoon was betrokken bij deze partij cocaïne. De voorhanden gehouden hoeveelheid cocaïne vertegenwoordigt een zeer aanzienlijke waarde en was bestemd voor verdere verspreiding en handel. Daartoe beschikte verdachte en zijn mededaders ook over twee geldtelmachines. Harddrugs zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande (ernstige) criminaliteit. De handel in en het bezit van harddrugs worden daarom krachtig bestreden. Het wordt verdachte zwaar aangerekend dat hij zich kennelijk heeft laten leiden door geldelijk gewin en zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder de gegeven omstandigheden geen andere straf dan een langdurige gevangenisstraf zoals hierna te noemen, passend worden geacht.

Persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie van [datum] . Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

Straf

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van forse duur passend en geboden. Gelet op de hoogte van de aan de medeverdachten opgelegde straffen komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; en

artikel 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. R.A. Otter en mr. R.P. Boon, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Witte,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2019.