Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:736

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
15/870138-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Eaton. Diamantroof Schiphol 2005.

Vrijspraak medeplegen gewapende overval en medeplegen poging gewapende overval.

Veroordeling gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870138-14 (P)

Uitspraakdatum: 28 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 november 2018, 22 november 2018, 30 november 2018, 11 december 2018 en 14 januari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. S.C.M. Wildemors en mr. M. van Oosten en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

primair

hij op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en/of een bedrijfswagen (Citroen) en/of een aktentas en/of een hoeveelheid vrachtbrieven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer personen ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op een of meer van voornoemde personen en/of (dreigend) de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?”, althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

subsidiair

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of een of meer andere personen op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen

een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en/of een bedrijfswagen (Citroen) en/of een aktentas en/of een hoeveelheid vrachtbrieven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer personen ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 3] en/of zijn mededader(s) vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op een of meer van voornoemde personen en/of (dreigend) de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?”, althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- op airside de procedures en/of de beveiliging en/of de feitelijke gang van zaken van de waardetransporten te bestuderen en/of daarover op andere wij ze informatie in te winnen en/of

- KLM-kleding, althans kleding van een bedrijf dat werkzaamheden op de luchthaven Schiphol verrichtte, voor voornoemde dader(s) te regelen en/of

- voornoemde dader(s) airside op te brengen of te laten brengen, althans hen/hem informatie en/of gelegenheid te geven airside op te komen en/of

- een KLM-auto weg te nemen en ter beschikking te stellen aan voornoemde dader(s), althans hen/hem informatie te geven hoe en waar een KLM-auto weggenomen kon worden en/of naar een plek te brengen waar voornoemde KLM-auto weggenomen kon worden en/of

- de verzamelde informatie aan voornoemde dader(s) door te geven of te laten geven;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met een of meer anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld of bedreiging met geweld in vereniging en/of afpersing met geweld of bedreiging met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en/of een vervoermiddel, te weten:

- een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten en/of

- een of meer (bivak)mutsen en/of

- een (weggenomen) KLM-auto (Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) en/of

- bedrijfskleding van de KLM, althans van een bedrijf dat werkzaamheden verrichtte op de luchthaven Schiphol,

kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 2:

primair

hij op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) , althans alleen, (gekleed in KLM kleding) op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) heeft weggenomen en/of (vervolgens) met dat KLM voertuig op airside naar het B platform is gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of een of meer andere personen op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of hun/zijn mededader(s) en/of verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, (gekleed in KLM kleding) op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) heeft weggenomen en/of (vervolgens) met dat KLM voertuig op airside naar het B platform is gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- op airside de procedures en/of de beveiliging en/of de feitelijke gang van zaken van de waardetransporten te bestuderen en/of daarover op andere wijze informatie in te winnen en/of

- KLM-kleding, althans kleding van een bedrijf dat werkzaamheden op de luchthaven Schiphol verrichtte, voor voornoemde dader(s) te regelen en/of

- voornoemde dader(s) airside op te brengen of te laten brengen, althans hen/hem informatie en/of gelegenheid te geven airside op te komen en/of

- een KLM-auto weg te nemen en ter beschikking te stellen aan voornoemde dader(s), althans hen/hem informatie te geven hoe en waar een KLM-auto weggenomen kon worden en/of naar een plek te brengen waar voornoemde KLM-auto weggenomen kon worden en/of

- de verzamelde informatie aan voornoemde dader(s) door te geven of te laten geven;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met een of meer anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld of bedreiging met geweld in vereniging en/of afpersing met geweld of bedreiging met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en/of een vervoermiddel, te weten:

- een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten en/of

- een of meer bivak)mutsen en/of

- een (weggenomen) KLM-auto (Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) en/of

- bedrijfskleding van de KLM, althans van een bedrijf dat werkzaamheden verrichtte op de luchthaven Schiphol, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 februari 2005 tot en met 20 januari 2017 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer E 124.000,-- verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer E 124.000,--, althans een geldbedrag, gebruik gemaakt,

immers is er in de periode van 25 februari 2005 tot en met 20 januari 2017 een of meermalen (onder meer)

- contant geld gestort op een of meer op zijn, verdachtes, naam en/of op naam van zijn partner [verdachte 11] staande bankrekeningen (in totaal ongeveer E 124.000,--) en/of geldbedragen van die rekening(en) overgeschreven en/of opgenomen,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

althans, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 25 februari 2005 vond er rond 10.00 uur op de luchthaven Schiphol, op het Bravo platform, gelegen op het afgesloten beveiligde gedeelte, een gewapende overval plaats, waarbij onder dreiging met geweld tegen personen een waardetransportauto werd weggenomen met daarin vrachtzendingen diamanten en sieraden ter waarde van bijna 73 miljoen USD. Naar aanleiding van deze overval is een opsporingsonderzoek ingesteld onder de naam “Rock”. Tijdens dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat er op 10 februari 2005 een poging en/of voorbereiding van een gewapende overval heeft plaatsgevonden waarbij een KLM-voertuig is weggenomen. In dit onderzoek kwamen de volgende verdachten in beeld: [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . Dit onderzoek heeft destijds niet geleid tot dagvaarding van deze verdachten ter zake van voormelde strafbare feiten. Verdachte maakte geen deel uit van deze groep verdachten.

Naar aanleiding van nieuwe onderzoeksbevindingen is op 25 november 2013 het opsporingsonderzoek “Eaton” gestart naar de op 25 februari 2005 gepleegde diamantroof op Schiphol en een poging/voorbereiding daartoe op 10 februari 2005. Uit TCI-informatie, tapgesprekken, observaties en door het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) zijn eerdergenoemde verdachten wederom in beeld gekomen alsmede [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte] , [verdachte 8] , [verdachte 9] en [verdachte 10] .

In de periode van 6 november 2014 tot en met 20 januari 2017 werd door opsporingsambtenaren van de Nationale Politie, als politieel informant werkzaam bij het team werken onder dekmantel (WOD), uitvoering gegeven aan verschillende bevelen tot stelselmatige inwinning van informatie ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Doelstelling van dit traject was het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte en/of andere verdachten bij de diamantroof op 25 februari 2005 en de poging tot diamantroof/voorbereiding op 10 februari 2005.

In mei 2017 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) het onderzoek Eaton afgerond. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is de officier van justitie tot vervolging van verdachten overgegaan.

De vraag die thans voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden alsmede de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting, voldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde, in 2005 op Schiphol, gepleegde misdrijven te komen. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of het onder feit 3 ten laste gelegde gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Op grond van de inhoud van het dossier kan volgens de officieren van justitie worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diamantroof op 25 februari 2005, het medeplegen van de poging diamantroof op 10 februari 2005 en het medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 25 februari 2005 tot en met 20 januari 2017. Zij hebben daartoe, samengevat, het volgende betoogd.

Ten aanzien van 1 primair en 2 primair:

In de eerste plaats zijn volgens het OM redengevend de uitlatingen van [verdachte 6] (toentertijd werkzaam bij de KLM en een collega van verdachte) tegenover de undercover-agenten, waarbij hij zijn betrokkenheid bij de diamantroof op 25 februari 2005 heeft bekend. Het OM gaat ervan uit dat [verdachte 6] aan [verdachte 1] concrete en relevante informatie heeft gegeven met betrekking tot de situatie op het beveiligde terrein van de luchthaven. Dit heeft hij conform zijn eigen bewoordingen niet alleen gedaan. De stelling van het OM is dat [verdachte 6] hulp heeft gehad van verdachte.

[verdachte 6] heeft verder tegenover de undercover-agenten verklaard dat hij was bedonderd door de zware gasten en dat hij daarin niet de enige was. Hij heeft gezegd dat enkele betrokkenen in de financiële problemen waren gekomen. Hen was veel geld toegezegd en zij hadden nadien schulden gemaakt die zij niet meer konden aflossen. Deze omschrijving past wat het OM betreft één op één op de situatie van het gezin van verdachte. Zij hebben met min of meer hetzelfde (legale) inkomen een armoedeval meegemaakt. In de periode 2005-2008 kwam er in totaal € 124.000,- aan contant geld binnen. In 2014, toen verdachte en zijn toenmalige partner [verdachte 11] een half jaar werden afgeluisterd, kwam een beeld naar voren van een gezin dat diep in de financiële problemen zat.

Hoewel verdachte tijdens het onderzoek minder zichtbaar in beeld is gekomen dan de overige verdachten blijkt zijn betrokkenheid volgens het OM uit het feit dat verdachte heel actief achter zijn geld aan gaat. Hij heeft contact met [verdachte 2] en hij heeft meerdere ontmoetingen met de andere hoofdrolspelers in het dossier. Nu achteraf is komen vast te staan dat het betalingsconflict ging over de diamantroof is hiermee een heel belangrijk bewijsmiddel gegeven. Daar komt bij dat er ook al contacten tussen verdachte en [verdachte 5] en tussen verdachte en [verdachte 4] waren in 2006. Als je geld hebt gekregen en ook nog geld tegoed hebt van de diamantroof, dan heb je daarin kennelijk iets gedaan wat een dergelijke beloning rechtvaardigt.

Voorts acht het OM de volgende feiten en omstandigheden redengevend:

  • -

    Het feit dat de pasregistraties van verdachte van 10 en 25 februari 2005 passen in het scenario dat hij die dagen de daders heeft geholpen om op airside te komen;

  • -

    Het feit dat op de etage waar verdachte en zijn partner sliepen een rapaport (een rapport met actuele diamantprijzen) uit 2007 is gevonden;

  • -

    Een gesprek tussen verdachte en zijn toenmalige partner [verdachte 11] (welk gesprek is verkregen via OVC van 12 juli 2014) waarin zij bespreken wat ze wel en niet met de kinderen kunnen bespreken en verdachte vervolgens zegt:” I probably was the most criminal”;

  • -

    Het feit dat verdachte behoorlijk geagiteerd reageert op het telefoontje op 17 januari 2017 van een undercover-agent die zich voordoet als een medewerker van een journalistiek onderzoeksbureau waarbij hij wordt gelinkt aan de diamantroof. Hij is niet verbaasd, maar heel kwaad dat iemand kennelijk gepraat heeft. Vervolgens wil hij op korte termijn met [verdachte 6] spreken.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 november 2018 verklaard dat hij in 2004 aan [verdachte 2] € 5.000,- heeft geleend en dat dit de verklaring is voor de vele gesprekken en pogingen om afspraken te maken met personen die tevens als verdachten in dit onderzoek naar voren zijn gekomen. Deze verklaring kan in de visie van het OM niet als een reëel alternatief scenario worden aangemerkt, nu deze verklaring op zichzelf al onwaarschijnlijk is maar daarnaast pas na twee jaar zwijgen en zes maanden detentie naar voren is gebracht, en verdachte bovendien desgevraagd niet heeft willen antwoorden op de vraag waarom er ook anderen bij dat betalingsconflict waren betrokken. Het OM stelt zich op het standpunt dat deze verklaring van verdachte als volstrekt ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.

Ten slotte heeft het OM aangevoerd dat de diamantroof niet had kunnen plaatsvinden zonder hulp van verdachte en [verdachte 6] ; zonder hen zouden de daders niet in staat zijn geweest om het beveiligde platform op Schiphol op te komen en de roof te plegen. Dat maakt in de visie van het OM hun bijdrage aan de roof van zoveel gewicht dat alleen de kwalificatie medeplegen op zijn plaats is.

Ten aanzien van feit 3 (gewoontewitwassen)

Het OM stelt met betrekking tot verdachte het volgende vast.

- Er heeft een roof plaatsgevonden waarbij voor een enorm bedrag aan diamanten is buit gemaakt;

- Volgens TCI-informatie heeft verdachte een groot geldbedrag ontvangen;

- In de jaren na de diamantroof zijn er grote, onverklaarbare stortingen van contant geld op de rekening geweest van in totaal ongeveer € 124.000,-. Dat geld staat nu niet meer op zijn rekening en wordt dus verondersteld te zijn uitgegeven;

- Verdachte heeft onbetaald verlof opgenomen;

- Verdachte heeft veel luxe reizen met zijn gezin gemaakt;

- Op het moment van onderzoek had verdachte geen geld meer terwijl hij nog steeds dezelfde baan had.

De combinatie van deze feiten en omstandigheden betekent volgens het OM dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Dan is het vervolgens aan verdachte om aan te geven waar het geld vandaan kwam in een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring. Op 22 mei 2018 heeft verdachte via zijn raadsman een verklaring gegeven. Het zou gaan om winst van gokken en door- (ver)koop van (merk)kleding over een langere periode, uitvoeren en helpen bij verschillende werkzaamheden bij kennissen. Daarnaast zou verdachte steeds geld hebben opgenomen van zijn doorlopend krediet, gebruik hebben gemaakt van diverse creditcards en geld hebben geleend van anderen. Nu verdachte zijn verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd en (voor zover mogelijk) nader onderzoek naar deze verklaring geen legale herkomst van genoemd geldbedrag heeft opgeleverd, kan witwassen in de vorm van het omzetten van goederen die van misdrijf afkomstig zijn wettig en overtuigend bewezen worden.

Overigens geldt dat er weliswaar sprake kan zijn van geld dat verdiend is uit eigen misdrijf, maar er is geen sprake van de kwalificatie-uitsluitingsgrond, want het gaat niet om de buit zelf, maar om het omzetten van ontvangen geld naar allerlei goederen en reizen. En deze omzettingsvariant valt uitdrukkelijk niet binnen het bereik van de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten. Tevens is vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

- WOD-traject [verdachte 6]

Ten aanzien van het WOD- traject met betrekking tot [verdachte 6] is primair verzocht de resultaten van dit traject niet te bezigen voor het bewijs. Hiertoe is in de eerste plaats aangevoerd dat de inzet van undercover-agenten zowel algemeen als in dit specifieke geval tot onvoldoende betrouwbare uitkomsten heeft geleid. De volgende feiten en omstandigheden zijn in dit verband van belang:

- [verdachte 6] was een gokker en om die reden financieel kwetsbaar;

- [verdachte 6] heeft verklaard onder invloed van alcohol, hetgeen de betrouwbaarheid van zijn verklaringen heeft beïnvloed;

- [verdachte 6] is uitgelokt strafbare handelingen te verrichten. Hierdoor werd hij kwetsbaar waardoor hij is aangezet te verklaren. [verdachte 6] heeft verklaard dat hij meende dat hij niet meer terug kon;

- Er zijn sterke aanwijzingen voor een mr. Big scenario; [verdachte 6] wilde meedoen, erbij horen en geld verdienen;

- Niet evident is komen vast te staan dat [verdachte 6] daderinformatie aan de undercover-agenten heeft verstrekt. De kennis die hij had, heeft hij naar eigen zeggen uit de media en het dossier. Bovendien heeft hij verklaard dat hij tegenover de undercover-agenten leugens heeft verteld om te kunnen meepraten en opscheppen;

- Er was sprake van een vooropgezet plan en er zijn scenario’s bedacht om [verdachte 6] over de diamantroof te laten verklaren.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verslaglegging niet aan het wettelijk stelsel voldoet:

- er is geen sprake van rechtstreekse waarneming die goed te controleren is (de gesprekken zijn niet opgenomen en er zijn geen aantekeningen gemaakt);

- er is sprake geweest van overvloedig alcoholgebruik, met name op cruciale momenten in Colombia. Het drankgebruik is niet te controleren en raakt zowel het geheugen als het verbaliseerniveau;

- niet staat vast dat de processen-verbaal direct, na de inzetten, zijn opgemaakt.

Geconcludeerd wordt dat de processen-verbaal inhoudende de verklaring van [verdachte 6] in het WOD-traject onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen gebruiken.

Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de ‘bekentenis’ van [verdachte 6] met ongelofelijk veel terughoudendheid te beoordelen.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de inzet van de undercover-agenten in het WOD-traject op [verdachte 6] heeft de verdediging - onder verwijzing naar een arrest van het EHRM,1 en gelet op de ernst van de schending van artikel 6 EVRM aangevoerd, dat de Schutznorm terzijde kan worden geschoven, nu de verdachte beschermd wordt tegen een zonder advocaat afgelegde verklaring van de medeverdachte.

Er is in de visie van de verdediging sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van de wet. Door de onrechtmatige bewijsvergaring zijn belangrijke voorschriften (126j Sv en 152 Sv) en rechtsbeginselen (inbreuk privacy en nemo tenetur) in aanzienlijke mate geschonden.

- WOD traject verdachte

Door een opsporingsambtenaar is op 17 januari 2017 telefonisch contact gezocht met [verdachte 11] , de toenmalige partner van verdachte en later met verdachte zelf. Hierbij is door de opsporingsambtenaar aangegeven dat hij voor een journalistiek onderzoeksbureau werkt en bezig is met een reportage over de diamantroof op Schiphol in 2005. De stelling van de verdediging is dat deze inzet onrechtmatig is geweest en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van de wet wegens aanzienlijke schending van een belangrijk rechtsbeginsel (misbruik van verschoningsrecht), hetgeen een ernstige inbreuk heeft gemaakt. De verdediging verzoekt de rechtbank om het mogelijke bewijs dat het resultaat is geweest van dit WOD-traject van het bewijs uit te sluiten.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat dit traject niets belastends in de richting van verdachte heeft opgeleverd; in het OVC- gesprek van 17 januari 2017 (tussen verdachte en [verdachte 11] ) zijn alleen de woorden "motherfucker" en het woord "godver", goed te horen. Bij het opnieuw uitluisteren hebben twee verbalisanten gehoord dat verdachte zou zeggen "can't believe somebody told of talked". Met heel veel moeite kan er gehoord worden dat verdachte zegt "can't believe", maar de rest is niet te verstaan. Overigens staat de verdediging hier niet alleen in; er zijn ook twee verbalisanten die deze woorden niet hebben gehoord. Verdachte is hierover om een reactie gevraagd. Hij gaf aan dat hij boos en gefrustreerd was omdat zijn naam door de journalist ten onrechte werd genoemd. Hij wilde weten wie dat over hem zou hebben gezegd.

Overige opmerkingen van de verdediging over het bewijs

Er is geen enkel bewijsmiddel waaruit volgt dat verdachte inlichtingen zou hebben verschaft over vliegtijden, procedures, waar de KLM- auto’s stonden of dat verdachte KLM-kleding zou hebben verschaft of daders naar airside zou hebben gebracht. Er is geen forensisch bewijs, er zijn geen beelden, er is geen deel van de buit bij verdachte aangetroffen en er is geen enkele getuige die de naam van verdachte noemt als betrokken bij de ten laste gelegde feiten.

Verdachte heeft zich na zijn aanhouding op zijn zwijgrecht beroepen. Uit de Murray- jurisprudentie van het EHRM volgt dat de rechter alleen consequenties kan verbinden aan het stilzwijgen indien sprake is van een "prima facie" case tegen de verdachte. In deze strafzaak is nimmer sprake geweest van zo’n prima facie case. Uit de Murray-jurisprudentie volgt voorts dat sprake is van zwijgen als niet in enig stadium van het geding een verklaring wordt afgelegd ten overstaan van een opsporingsambtenaar en/of een rechter. Verdachte heeft wel verklaard.

Verdachte heeft uitleg gegeven over zijn financiën, hij is ter terechtzitting ingegaan op verschillende vragen en heeft uitleg gegeven over de ontmoetingen met medeverdachten in 2015. Over deze ontmoetingen heeft hij onder meer verklaard dat hij lang daarvoor - toen hij meer te besteden had - een geldbedrag (€ 5.000,-) heeft geleend aan [verdachte 2] . Toen zijn financiële situatie nijpender werd, heeft hij aangedrongen op teruggave. Verdachte weet niet of wil niet verklaren welke (andere) problemen de andere verdachten hadden met [verdachte 2] .

Als al zou kunnen worden vastgesteld dat deze medeverdachten de roof hebben gepleegd, dan zeggen die contacten na zoveel jaar niet veel. De gesprekken gaan over geld, maar over de achtergrond komen we niet veel te weten.

De indirecte mogelijke aanwijzingen mogen niet gekwalificeerd worden als wettig en overtuigend bewijs. Verdachte was immers niet de enige Schipholmedewerker die op 10 en 25 februari 2005 werkzaam was en ook het feit dat verdachte na voorspoed in financiële problemen is geraakt, is niet uitzonderlijk te noemen. Bij verdachte zijn bij de doorzoeking van zijn woning Rapaportlijsten gevonden. Verdachte had deze (overigens makkelijk via internet te verkrijgen lijsten) geprint omdat hij zich had verdiept in de materie in verband met het feit dat hij een (verlovings)ring en oorbellen voor zijn vriendin wilde kopen. Uit het dossier volgt ook dat er een diamanten oorsieraad is gekocht.

Door de raadsman wordt geconcludeerd dat er geen bewijs is voor enige betrokkenheid van verdachte bij de diamantroof en de poging daartoe.

Ten aanzien van feit 3

Volgens het OM vormt de diamantroof de basis voor het vermoeden van witwassen.

De verdediging betwist enige betrokkenheid van verdachte bij deze diamantroof en verwijst daartoe naar hetgeen zij ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft aangevoerd. Indien de rechtbank van oordeel is dat het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden – is er in de visie van de verdediging geld verdiend uit eigen misdrijf, zodat sprake is van de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging, dan wel vrijspraak.

Maar ook als de betrokkenheid bij de roof niet kan worden vastgesteld, dient verdachte de onverklaarbare inkomsten van een enige omvang waarvoor geen legale bron bekend is geworden uit te leggen. Het OM heeft alle bedragen van verdachte en zijn partner bij elkaar opgeteld. Hierdoor ontstaat een hoog bedrag. Volgens de verdediging hadden verdachte en zijn partner ieder een eigen rekening en was er geen vermenging van vermogen. Om die reden kan er geen sprake zijn van medeplegen. In dat kader gaat het om de extra inkomsten van in totaal bijna € 60.000,- over een groot aantal jaren en het feit dat hij tijdens het onderzoek geen geld meer had. De combinatie van deze feiten en omstandigheden zou een vermoeden van witwassen opleveren. Gelet op de hoogte van het bedrag over een groot aantal jaren - ruim € 400,- per maand extra - is er in de visie van de verdediging geen vermoeden van witwassen. Reeds dit gegeven zou al tot vrijspraak moeten leiden. Subsidiair – indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van een vermoeden van witwassen – heeft de verdediging betoogd dat verdachte (gelet op het tijdsverloop) een afdoende verklaring2 heeft gegeven voor de legale herkomst van de gelden.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Verweer betrouwbaarheid WOD-traject en uitlatingen [verdachte 6]

Zoals hiervoor onder ‘standpunt van de verdediging’ is weergegeven heeft de verdediging - samengevat - bepleit dat de resultaten van het WOD- traject met betrekking tot [verdachte 6] niet dienen te worden gebezigd voor het bewijs nu zowel het WOD-traject als de uitlatingen van [verdachte 6] tijdens dat traject onvoldoende betrouwbaar zijn.

De rechtbank overweegt aangaande het verweer als volgt.

WOD-traject

De rechtbank stelt voorop dat het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere identiteit in de omgeving van een verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt, impliceert dat sprake is van misleiding. Teneinde contact te kunnen leggen en onderhouden met een verdachte is het in dat kader noodzakelijk een verhaal en een identiteit te verzinnen. Het feit dat in zoverre sprake is van sturing en misleiding maakt niet dat de uitkomsten van een dergelijk traject niet betrouwbaar zijn, nu dit verschillende grootheden betreft. De rechtbank ziet geen steun in het recht voor de stelling dat de inzet van undercover-agenten als bedoeld in artikel 126j Sv in het algemeen dan wel zonder meer tot onvoldoende betrouwbare uitkomsten leidt.

De rechtbank dient in het licht van alle relevante feiten en omstandigheden van dit geval te beoordelen hoe het WOD-traject is verlopen alvorens de vraag te kunnen beantwoorden of dit traject tot voldoende betrouwbare uitkomsten heeft geleid. Dit zal zij hierna doen waarbij de door de verdediging aangevoerde punten aan bod zullen komen.

De rechtbank stelt vast dat door het OM op enig moment is overgegaan tot stelselmatige informatie-inwinning in de zin van artikel 126j Sv. Blijkens het proces-verbaal bevindingen van 12 mei 2017 van de verbalisanten B-2238 en B-2237, werkzaam als begeleiders bij het WOD-team, was de doelstelling van dit traject het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van [verdachte 6] en/of andere verdachten bij de diamantroof op 25 februari 2005. Onder meer de opsporingsambtenaren (politiële informanten) A-3754 en A-3755 zijn daartoe ingezet. Het stelselmatig inwinnen van informatie via een WOD-traject op [verdachte 6] vond - met tussenpozen - plaats in de periode 6 november 2014 tot en met 14 januari 2017, waarbij er ook inzetten zijn geweest in Colombia en Praag. Deze opsporingsambtenaren hebben zich (undercover) voorgedaan als gewone burgers, waarbij de één zich voordeed als een investeerder en de ander als zijn chauffeur/begeleider. Zij hebben [verdachte 6] - eerst via zijn (toenmalige) Colombiaanse vriendin - benaderd en zij zijn deel gaan uitmaken van zijn leven. In de hiervoor genoemde periode dat het WOD-traject liep, heeft [verdachte 6] tegenover de undercover-agenten over zijn werkzaamheden voor KLM op Schiphol verteld. [verdachte 6] heeft zijn diensten aangeboden toen één van de undercover-agenten aangaf dat hij iemand nodig had om geld voorbij de douane te brengen. Hierbij heeft [verdachte 6] aangegeven dat ook grotere bedragen geen probleem voor hem zijn. Hij heeft bovendien het aanbod gedaan zelf geld naar Engeland te brengen, hetgeen hij daadwerkelijk een keer heeft gedaan. Voorts heeft [verdachte 6] in diverse contacten met de undercover-agenten aangegeven dat hij ook cocaïne naar Engeland zou kunnen smokkelen. Voor de door [verdachte 6] verrichte werkzaamheden zijn ten tijde van de contacten met de undercover-agenten afspraken gemaakt over zijn beloning en zijn ook daadwerkelijk betalingen aan [verdachte 6] gedaan. Tijdens de onderlinge gesprekken kwamen onderwerpen van sociale aard ter sprake en na verloop van tijd kwam het gesprek ook op diamanten. Eén van de undercover-agenten vertelde aan [verdachte 6] dat hij via [verdachte 6] ongeslepen diamanten van land- naar airside wilde krijgen om die vervolgens naar Engeland te brengen. Volgens [verdachte 6] was dit voor hem geen enkel probleem en was hij bereid dit te doen. Tijdens dit gesprek gaf [verdachte 6] er blijk van het een en ander van diamanten te weten. Hij kende iemand die diamanten kon slijpen, deze legaal kon maken en er een certificaat bij kon geven. Ook in latere contacten met de undercover-agenten spreekt [verdachte 6] over diamantgerelateerde zaken zoals rapaports en kleuren van diamanten.

Tijdens een ontmoeting tussen de twee undercover-agenten en [verdachte 6] op 29 juli 2016 in Colombia vertelt [verdachte 6] een rol te hebben gespeeld bij de diamantroof van 2005 op Schiphol. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij 10% van de opbrengst van de gestolen diamanten zou krijgen, maar dat ze hem bedonderd hebben en dat hij niet de enige is die bedonderd is. Hij vertelt ook dat er vuurwapens bij betrokken waren.

Tijdens een ontmoeting op 30 juli 2016 met de undercover-agenten, eveneens in Colombia, vertelt [verdachte 6] dat het de bedoeling was geweest om door de diamantroof een financieel zekere toekomst te hebben, maar dat het alleen maar ellende had opgeleverd.

Tijdens een gesprek met de undercover-agenten op 27 oktober 2016 vertelt [verdachte 6] onder meer dat het toen februari was geweest en dat hij twee uur met die jongens moest wachten omdat het vliegtuig later was. Ook vertelt hij dat ze niet alles hebben kunnen meenemen omdat de achterkant niet open ging. In de laatste ontmoeting, op 14 januari 2017, vertelt [verdachte 6] dat hij maandenlang observaties had uitgevoerd op Schiphol en dat de eerste keer een proef was geweest en dat dat gelukkig niet goed was gegaan omdat de buit dan minder was geweest.

Voorts stelt de rechtbank op basis van het procesdossier vast dat de begeleiders (B-2238 en B-2237) van de undercover-agenten steeds processen-verbaal van begeleiding hebben opgemaakt waarin door hen onder meer wordt aangegeven welke undercover-agent wordt ingezet en welke opdracht hij of zij krijgt. In deze processen-verbaal is vermeld op welk moment na de inzet de undercover-agent de begeleiders van zijn of haar bevindingen op de hoogte stelde en voorts dat de undercover-agent van zijn bevindingen afzonderlijk proces-verbaal opmaakt. Ook wordt verantwoording afgelegd over de wijze van opmaken, sluiten en ondertekenen van deze processen-verbaal. De ingezette undercover-agenten hebben blijkens het procesdossier eveneens processen-verbaal opgemaakt waarin zij verslag doen van hun bevindingen. Ook leggen zij daarin verantwoording af over de wijze van opmaken, sluiten en ondertekenen van deze processen-verbaal. Bij een aantal van deze processen-verbaal (met name die waarbij een inzet in het buitenland wordt gerelateerd) valt op dat er naast de plek waar ondertekend is, handgeschreven, nog een andere, latere, datum vermeld is. Voor zover de raadsman mede hierop doelt als hij wijst op onduidelijkheid in de verslaglegging, is de rechtbank van oordeel dat hierover voldoende duidelijkheid is verschaft in de verhoren van de begeleiders en undercover-agenten als getuige bij de rechter-commissaris. Verbalisant A-3754 heeft hierover in dat verhoor onder meer verklaard dat hij zijn processen-verbaal niet meteen ondertekende, maar dat dat pas aan het einde van het traject gebeurde. Die processen-verbaal waren al eerder opgemaakt. Verbalisant A-3755 heeft hierover ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij dat probeerde zo snel mogelijk te doen en dat in het proces-verbaal staat vermeld wanneer het is opgemaakt. Hij verklaart zich tevens te herinneren dat er op een later tijdstip is ondertekend, maar dat hij niet meer weet bij welk proces-verbaal dat was.

Verbalisant B-2238 heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat er door de undercover-agenten na de debriefing een proces-verbaal wordt opgemaakt en dat er door hen ook in Colombia processen-verbaal zijn opgemaakt. Deze processen-verbaal werden opgeslagen in een afgeschermd systeem en op enig moment werden ze uitgeprint en ondertekend. In Colombia hadden hij en de undercover-agenten niet de beschikking over een printer. Hij verklaart verder dat de processen-verbaal van de undercover-agenten eerder zijn opgemaakt en later zijn ondertekend en dat de datum die erop vermeld is, de datum is van het opmaken en sluiten in Colombia, en dat er nadien in Nederland is ondertekend. Over de handgeschreven, extra datum op een aantal van de processen-verbaal van de undercover-agenten die ontbreken op de processen-verbaal van de begeleiders, geeft hij aan dat men vergeten is de concrete dagtekening van de datum van uitprinten en ondertekenen op te nemen. Verbalisant B-2237 heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat de undercover-agenten zo spoedig mogelijk na de inzet en de debriefing processen-verbaal hebben opgemaakt en dat zij op hun eigen laptop hebben gewerkt. Zowel de undercover-agenten als de begeleiders hebben verklaard dat zij niet in andermans proces-verbaal hebben gewerkt, en de undercover-agenten verklaren dat de processen-verbaal zoals die later zijn gelezen ter voorbereiding op hun verhoor bij de rechter-commissaris, de processen-verbaal zijn zoals zij die hebben opgemaakt eerder in het traject.

Controle/ verslaglegging

De rechtbank is van oordeel dat er door de verdediging geen concrete aanwijzingen zijn aangevoerd voor het oordeel dat de processen-verbaal van de undercover-agenten in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Ook overigens zijn dergelijke aanwijzingen niet aannemelijk geworden. De undercover-agenten hebben in de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen gerelateerd welke informatie [verdachte 6] heeft verstrekt en welke informatie de undercover-agenten bij [verdachte 6] hebben ingewonnen. In zoverre is controle van hetgeen tussen de undercover-agenten en [verdachte 6] is besproken mogelijk.

Uit de processen-verbaal van de begeleiders van de undercover-agenten blijkt wie, wanneer, welke opdracht kreeg. De verdediging heeft daarnaast de gelegenheid gehad om, bij de rechter-commissaris, de undercover-agenten en hun begeleiders als getuige te horen over de bevindingen waarover zij hebben gerelateerd. Dat de verdediging daarbij naar haar oordeel niet altijd de gewenste ‘helderheid’ heeft gekregen over bepaalde zaken doet daaraan niet af en maakt niet dat sprake is van een gebrekkige controle die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het WOD-traject. Gelet hierop en mede gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel – anders dan de verdediging heeft betoogd - dat voormelde wijze van verslaglegging het ingezette traject in voldoende mate controleerbaar en inzichtelijk maakt. Het feit dat er tijdens het traject geen opnames zijn gemaakt – waartoe overigens geen verplichting bestond nu er geen sprake was van een verhoorsituatie of een equivalent daarvan – en ook de aantekeningen niet zijn verstrekt, maakt voormeld oordeel niet anders.

De rechtbank overweegt voorts betreffende het opmaken van de processen-verbaal in het WOD-traject het volgende. Uit de datering van een proces-verbaal kan doorgaans worden afgelezen of het gerelateerde de verbalisant vers in het geheugen lag, hetgeen van betekenis voor de betrouwbaarheid daarvan kan zijn. Een pas na geruime tijd vastgelegd relaas moet daarom met voorzichtigheid worden bezien. De rechtbank is, gelet op hetgeen de betrokken undercover-agenten en hun begeleiders hierover bij de rechter-commissaris hebben verklaard, echter van oordeel dat zij in dit geval de gebeurtenissen voldoende spoedig hebben vastgelegd in de processen-verbaal en niet pas na het verstrijken van geruime tijd uit hun geheugen hebben geput en toen hebben vastgelegd. Wel stelt de rechtbank vast dat eerst na het verstrijken van geruime tijd bedoelde processen-verbaal zijn ondertekend.

De rechtbank is van oordeel dat deze vaststelling de betrouwbaarheid van de verslaglegging niet aantast. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat er geen reden bestaat te vermoeden dat er in de tijd gelegen tussen het vastleggen van het relaas en de ondertekening daarvan wijzigingen zijn aangebracht.

Alcoholgebruik

Ten aanzien van het alcoholgebruik bij een inzet tijdens dit WOD-traject, zowel door de undercover-agenten als door [verdachte 6] , stelt de rechtbank vast dat de undercover-agenten daarover in hun op ambtseed opgemaakte processen-verbaal gerelateerd hebben en dat zij en hun begeleiders daarover in hun verhoor bij de rechter-commissaris vragen hebben beantwoord. Hieruit en ook anderszins kan niet met recht worden geconcludeerd dat de undercover-agenten tijdens hun inzet zodanig onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerden, dat zij niet in staat waren hun verslagen met betrekking tot hun contacten met [verdachte 6] naar waarheid op te maken. Het feit dat één van de undercover-agenten bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij aan het eind van de avond wat aangeschoten was, en de hoogte van de rekening van een restaurant waar [verdachte 6] met de undercover-agenten een avond heeft doorgebracht, rechtvaardigen die conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet. Het is niet aannemelijk geworden dat de undercover-agenten onder invloed van alcohol onjuist hebben geverbaliseerd. De rechtbank wijst erop dat [verdachte 6] tijdens zijn verhoren niet heeft verklaard ten aanzien van welke ontmoeting en waarom sprake zou zijn van een onjuiste weergave in de verslaglegging (zie ook hierna onder uitlatingen [verdachte 6] ); niet als gevolg van zijn alcoholgebruik dan wel door het alcoholgebruik van de undercover-agenten, en evenmin anderszins. Aan de eerst ter terechtzitting van 21 november 2018 door de raadsman van [verdachte 6] voorgelezen en overgelegde schriftelijke tekst van [verdachte 6] , die zeer laat in het proces is ingebracht, niet is onderbouwd en waarover [verdachte 6] uitdrukkelijk geen vragen heeft willen beantwoorden, hecht de rechtbank om die redenen geen waarde. Steun voor de stelling dat [verdachte 6] door alcoholgebruik onwaarheden heeft verklaard, is er ook overigens niet.

Vertrouwen/uitlokking/uithoren/dwang/druk

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de wijze waarop de contacten tussen de undercover-agenten en [verdachte 6] zijn verlopen. In het bijzonder heeft de rechtbank bezien of de undercover-agenten [verdachte 6] op ongepaste wijze hebben getracht uit te lokken dan wel uit te horen, en of er gedurende het WOD-traject op onbehoorlijke wijze misbruik is gemaakt van een tussen hen gegroeid vertrouwen, zodanig dat dit tot onvoldoende betrouwbare uitkomsten heeft geleid.

Daarbij overweegt de rechtbank allereerst dat de keuze van het onderzoeksteam om juist op [verdachte 6] bedoeld WOD-traject in te zetten niet zozeer lijkt te zijn ingegeven door zijn persoon als zodanig, maar veeleer op de ten opzichte van de medeverdachten sterkere kracht van de verdenking van betrokkenheid bij de diamantroof die reeds tegen hem was gerezen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking zijn functie op Schiphol, de observaties waarbij hij in beeld is en de tapgesprekken waaraan hij deelneemt. [verdachte 6] had destijds een reguliere baan met een meer dan gemiddeld inkomen, een goedkope huurwoning, ging om met zijn familie en had een relatie. Ook blijkt uit de stukken dat hij gokte. Van schulden, een gokverslaving of andere psychische problemen die maken dat [verdachte 6] als kwetsbaar persoon zou moeten worden aangemerkt, is niet gebleken.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de processen-verbaal en het verhoor van de undercover-agenten blijkt dat zij geruime tijd hebben besteed aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie met [verdachte 6] , waarbij zij tijdens de vele gesprekken met [verdachte 6] van sociale aard na verloop van tijd het vertrouwen van [verdachte 6] ook daadwerkelijk hebben gewonnen. Binnen die context van dat vertrouwen hebben de undercover-agenten hun plannen over een verzekeringsfraude met diamanten via Schiphol uitgelegd. Toen [verdachte 6] hierover hoorde, heeft hij uit zichzelf over de diamantroof verteld en aangegeven “Geraldo ik heb dit nog nooit tegen iemand gezegd, NOOIT, maar ik vertrouw jullie”.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte 6] de undercover-agenten na verloop van tijd als vrienden zag, hen vertrouwde en vanuit die context uit eigen beweging is gaan vertellen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat [verdachte 6] door de undercover-agenten onder objectieve druk is gezet om bepaalde zaken te vertellen. Sterker nog, uit de door de undercover-agenten opgemaakte processen-verbaal van hun contacten met [verdachte 6] blijkt eerder dat hij spontaan en zonder dat hem daarnaar wordt gevraagd, informatie verstrekt over onder meer zijn betrokkenheid bij de diamantroof en ook dat hij over bepaalde zaken niet wenst te vertellen. Daar komt bij dat [verdachte 6] gedurende de periode van de contacten met de undercover-agenten zijn reguliere leven bleef leiden, naar zijn werk ging en zijn familie en vriendin in Colombia bezocht. Ook heeft [verdachte 6] in zijn verhoren bij de KMar niet eenmaal verklaard over druk (psychisch dan wel anderszins) die op hem in dat verband zou zijn uitgeoefend. Aan hetgeen hij daarover in de door zijn raadsman ter zitting voorgelezen tekst aangeeft, hecht de rechtbank - zoals al overwogen - geen waarde. Uit deze tekst wordt het de rechtbank overigens nog steeds niet duidelijk waar die druk dan uit zou hebben bestaan en op welk(e) moment(en) die druk door wie zou zijn uitgeoefend. Niet aannemelijk is dan ook geworden dat op enig moment in het traject sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang of dat de undercover-agenten [verdachte 6] woorden in de mond hebben gelegd of anderszins zodanig sturend hebben gehandeld dat dit de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het traject aantast.

Uitlokking

Gelet op de processen-verbaal van de undercover-agenten, hun verklaringen bij de rechter-commissaris en gelet op hetgeen [verdachte 6] zelf over dit traject naar voren heeft gebracht in zijn verhoren, ziet de rechtbank in het bijzonder niet in dat [verdachte 6] gedurende het WOD-traject ontoelaatbaar is uitgelokt strafbare feiten te plegen waardoor hij kwetsbaar zou zijn geworden, aangezet is te verklaren en meende dat hij niet meer terug kon, zoals door de raadsman is betoogd. Uit de verslaglegging van de undercover-agenten, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat zij weliswaar sturend zijn geweest als het gaat om het aan de orde stellen van het smokkelen van geld van land- naar airside, maar tevens blijkt uit die verslaglegging dat [verdachte 6] degene is die direct aangeeft dat hij dat wel kan doen en dat het voor hem een leuke bijverdienste is. [verdachte 6] geeft blijkens die verslaglegging voorts aan de undercover-agent een uitleg over de werkwijze die gehanteerd moet worden, waarbij hij ook heeft aangegeven dat grotere bedragen voor hem geen probleem zijn en dat hij ook zelf beschikbaar is om het geld naar de overkant te brengen, hetgeen hij uiteindelijk in juni 2016 daadwerkelijk een keer doet. Uit de verslaglegging van A-3755 met betrekking tot de inzet op 18 april 2016 blijkt bovendien dat [verdachte 6] zelf het voorstel doet om drugs naar Engeland te smokkelen en dat het voor hem geen probleem is 2 à 3 kilo in een rugzakje, op dezelfde manier als het geld, Schiphol binnen te brengen. Op dit voorstel zijn de undercover-agenten overigens niet ingegaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 6] er op eigen initiatief voor heeft gekozen, wetende dat hij een baan had die hij daarmee op het spel zette terwijl hij niet verkeerde in een problematische financiële situatie, voor de undercover-agenten werkzaamheden te verrichten waarmee hij geld kon verdienen en waarbij hij veronderstelde dat deze handelingen strafbaar waren.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel, dat de tussen de undercover-agenten en [verdachte 6] gevoerde gesprekken in wezen gewone gesprekken zijn geweest in die zin dat geen sprake was van een zodanige machtsverhouding dat [verdachte 6] meende over de diamantroof te moeten gaan vertellen. Van een verhoorsituatie of een equivalent daarvan was geen sprake.

Uitlatingen [verdachte 6]

Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de uitlatingen die [verdachte 6] tijdens het WOD-traject deed “allemaal leugentjes en grootspraak” zijn, zoals door hem in één van zijn verhoren is verklaard. De rechtbank ziet op meerdere punten in het dossier steun voor het oordeel dat [verdachte 6] op belangrijke onderdelen naar waarheid heeft verklaard. Zo is uit het onderzoek gebleken dat overeenkomstig de in de verslaglegging vermelde uitlatingen van [verdachte 6] dat hij bij thuiskomst in Nederland direct zijn Amsterdamse gabber zou ontmoeten die dan weer contact zou hebben met de oude man, [verdachte 6] dit bij zijn terugkeer ook daadwerkelijk heeft gedaan (ontmoeting [verdachte 6] met [verdachte 8] op 23 augustus 2016) en dat er vervolgens door [verdachte 8] op diezelfde datum telefonisch contact is opgenomen met bedoelde, als oude man omschreven persoon, [verdachte 9] . Daarnaast heeft [verdachte 6] aan de undercover-agenten verteld dat hij destijds een handvol van de buit - diamanten - had meegenomen en via de oude man in Antwerpen had laten verkopen. Dit strookt met de vondst in de woning van [verdachte 6] in januari 2017 van een tas met aan de diamantroof van 2005 op Schiphol gerelateerde zaken waaronder een aantal certificaten van de Hoge Raad voor de Diamant te Antwerpen. Zowel de verklaringen van [verdachte 8] als die van [verdachte 9] bevestigen een deel van hetgeen [verdachte 6] heeft verteld aan de undercover-agenten, hetgeen de betrouwbaarheid van de uitlatingen van [verdachte 6] ten goede komt.

Door de verdediging is verder naar voren gebracht dat [verdachte 6] hetgeen hij aan de undercover-agenten heeft verteld niet uit eigen wetenschap had, maar dat hij bedoelde informatie had verkregen uit andere bronnen zoals kranten uit 2005, delen van het Rock-dossier, een exemplaar van het weekblad Panorama en het boek “ Handen omhoog! Dit is een overval”.

De berichtgeving uit de kranten – zoals die blijkt uit het dossier – bevat naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig concrete informatie als door [verdachte 6] verstrekt. Ten aanzien van de Panorama - te weten die van 7 december 2016 - en het boek dat [verdachte 6] voor het eerst inzag op 14 januari 2017 tijdens een afspraak met de undercover-agenten, wijst de rechtbank erop dat [verdachte 6] vóór die data al uitlatingen over de diamantroof had gedaan zodat deze media niet als bron voor zijn wetenschap kunnen gelden. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen over de ontmoeting van [verdachte 6] met de undercover-agenten op 14 januari 2017 dat hij, nadat hem het boek “Handen omhoog! Dit is een overval” is getoond, heeft aangegeven dat hij eerder in Medellín was en niets over het boek gelezen of gehoord had. Dan resteert het in de woning van [verdachte 6] aangetroffen deel van het Rock-dossier als bron van wetenschap voor [verdachte 6] .

Hierover staat in het verhoor van [verdachte 6] van 14 februari 2017 (map 21, p. 227) het volgende:

“V: Het is een beetje te kort door de bocht om te zeggen dat het een fabel of leugen is. Je hebt onderzoekstukken van Rock (1e onderzoek diamantenroof 2005) thuis liggen.

A: Ik heb niks.”

In de daaropvolgende verhoren beroept [verdachte 6] zich op zijn zwijgrecht als hem wordt gevraagd over het bij hem aangetroffen deel van het Rockdossier. Na confrontatie met de uitkomsten van het WOD-traject verklaart hij dat het “allemaal leugentjes en stoere praat” waren om ten slotte ter terechtzitting van 21 november 2018 een van hem afkomstige tekst te laten voorlezen en te overleggen waarin staat dat hij dit strafdossier “via allerlei omwegen uiteindelijk in bezit gekregen”. Zoals reeds meermalen overwogen hecht de rechtbank geen waarde aan deze tekst. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geenszins komen vast te staan dat [verdachte 6] uitsluitend uit andere bron dan uit eigen wetenschap kennis heeft over de diamantroof.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het WOD-traject op de wijze zoals dat op [verdachte 6] is toegepast, in onvoldoende mate betrouwbaar is en tot uitkomsten heeft geleid die niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. De uitlatingen van [verdachte 6] acht de rechtbank voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen worden gebezigd. Dit alles leidt ertoe dat het betrouwbaarheidsverweer integraal wordt verworpen.

4.3.2.

Verweer schending Schutznorm

Bij vonnis van heden in de zaak van [verdachte 6] heeft de rechtbank geconcludeerd dat in het voorbereidend onderzoek tegen [verdachte 6] geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Nu dit vast staat komt de rechtbank dan ook niet toe aan de bespreking van het terzijde stellen van de Schutznorm zoals door de raadsman in het onderhavige geval is betoogd, komt de rechtbank dan ook niet toe.

4.3.3.

Verweer rechtmatigheid WOD-traject met betrekking tot verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman gestelde onrechtmatigheid, indien en voor zover daarvan al sprake van is, reeds niet kan leiden tot het door hem beoogde rechtsgevolg van bewijsuitsluiting, nu het door de vormverzuimen veroorzaakte nadeel door de verdediging op geen enkele wijze is geconcretiseerd. Bij de beoordeling van het veroorzaakte nadeel is immers onder meer van belang of en in hoeverre een verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Door de verdediging is in dit verband volstaan met een algemene opmerking dat dit een ernstige inbreuk betreft. Dit verweer wordt reeds daarom verworpen.

4.3.4.

Vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 en 2

Onder de feiten 1 primair en 2 primair is aan verdachte respectievelijk ten laste gelegd het medeplegen van een diefstal onder dreiging met geweld (de diamantroof op Schiphol) op 25 februari 2005 en het medeplegen van een poging daartoe op 10 februari 2005.

In de visie van het OM is verdachte samen met [verdachte 6] (zijn toenmalige collega bij de KLM) betrokken geweest bij deze roof en poging tot roof. Verdachte zou de daders van de roof hebben voorzien van informatie over vluchttijden, beveiliging en auto’s, van KLM kleding en voorts de daders en wapens hebben binnengesmokkeld op het beveiligde binnenterrein van de luchthaven.

De rechtbank deelt deze visie niet en zal verdachte integraal vrijspreken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. In de kern wordt deze beslissing gebaseerd op het oordeel dat de draagkracht van het (indirecte) bewijsmateriaal onvoldoende is om uit af te leiden dat het verdachte was die de hiervoor door het OM gestelde rol feitelijk heeft vervuld en aldus rechtstreeks betrokken was bij de ten laste gelegde feiten als medepleger dan wel als medeplichtige.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Anders dan het OM acht de rechtbank de verklaring van [verdachte 6] tegenover de undercover-agenten daartoe niet redengevend voor een bewezenverklaring. [verdachte 6] noemt de naam van verdachte niet. Uit de verklaring van [verdachte 6]3 dat ‘die gasten’ uiteindelijk hebben gedaan ‘wat wij voorstelden’ is af te leiden dat [verdachte 6] zich heeft laten bijstaan door een ander, maar dat betekent niet zonder meer dat hij hiermee ook doelt op verdachte. Ook de opmerking van [verdachte 6] dat ze zijn ’bedonderd door de zware gasten’ en dat enkele betrokkenen in de financiële problemen waren gekomen past op de financiële situatie van verdachte toentertijd, maar bevat geen concrete, directe verwijzing naar verdachte en zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen op 10 en/of 25 februari 2005.

Verder biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank weliswaar feiten en omstandigheden die passen bij het door het OM geschetste scenario dat verdachte betrokken is geweest bij de (poging tot) diamantroof, maar leveren deze geen concreet bewijs op voor zijn bijdrage aan de ten laste gelegde feiten. Zo blijkt uit onderzoek naar het telefoongebruik dat verdachte op 10 februari 2005 telefonisch contact heeft gehad met [verdachte 6] . De inhoud van dit contact is niet bekend. Voorts blijkt uit onderzoek naar de toegangsregistratie dat met de Schipholpas van verdachte op zowel 10 als 25 februari 2005 rond 7.15 uur van airside bij hek 60 is uitgecheckt en na ruim twintig minuten aldaar is ingecheckt, terwijl ook uit het werkrooster blijkt dat verdachte op beide dagen moest werken. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat de Schipholpas door een ander dan verdachte werd gebruikt, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat verdachte die dagen ten tijde van de delicten aanwezig was op Schiphol. De vraag is welke betekenis aan de aanwezigheid van de verdachte toen en daar kan worden toegekend. Nu uit het dossier geen feiten en omstandigheden naar voren komen waaruit blijkt wát verdachte tijdens die aanwezigheid heeft gedaan, kan uit het feit dat verdachte toen en daar aanwezig was op zichzelf noch in samenhang met andere hier genoemde feiten en omstandigheden worden geconcludeerd dat verdachte een bijdrage aan de diamantroof en/of de poging daartoe heeft geleverd.

Ook het door het OM genoemde OVC-gesprek over zaken die de kinderen niet mogen horen, zijn boze reactie als hij door een undercover-agent die zich voordoet als een medewerker van een journalistiek onderzoeksbureau wordt benaderd over zijn eventuele rol bij de diamantroof en het aangetroffen rapaport in zijn woning bieden weliswaar aanwijzingen voor zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen op 10 en 25 februari 2005, maar geen direct bewijs voor een concrete bijdrage van verdachte aan de diamantroof en de eerdere poging daartoe.

Ten slotte komt uit het dossier naar voren dat verdachte (ruim 10 jaar na de roof) meermalen ontmoetingen heeft gehad en telefoongesprekken heeft gevoerd met meerdere personen die als verdachten in het onderzoek zijn aangemerkt, waarbij – gelet op de inhoud van verschillende telefoongesprekken – kennelijk sprake was van een betalingsconflict. Verdachte heeft zich gedurende het onderzoek steeds beroepen op zijn zwijgrecht en pas ter terechtzitting verklaard dat aan genoemde ontmoetingen een betalingsconflict met [verdachte 2] ten grondslag lag in verband met een (door verdachte) aan [verdachte 2] verstrekte lening in 2004. Met het OM acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig nu deze verklaring zeer laat in het proces is afgelegd, op geen enkele wijze is onderbouwd terwijl verdachte bovendien geen antwoord heeft willen geven op de vraag waarom zijn medeverdachten ook steeds bij dit conflict betrokken werden.

In dat verband overweegt de rechtbank nog dat de ongeloofwaardigheid van de verklaring van verdachte over het alternatieve scenario betreffende de geldlening aan [verdachte 2] en zijn herhaalde pogingen om het geleende geld van [verdachte 2] terug te krijgen, wegens het door de rechtbank reeds geconstateerde gebrek aan direct bewijs voor een concrete bijdrage van verdachte aan de gebeurtenissen op 10 en 25 februari 2005, niet de bewijssprong kan dichten door deze verklaring in het nadeel van verdachte uit te leggen.

Gelet op al het vorenstaande bestaan er naar het oordeel van de rechtbank meerdere aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, maar ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diamantroof en de poging daartoe. Dit laatste betekent dat er ook geen ruimte is voor een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste legde medeplichtigheid aan beide feiten en de meer subsidiair ten laste gelegde voorbereiding daarvan.

4.3.5.

Feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het OM aangedragen bewijs, feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het OM om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.4

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

In de belastingaangiften over de jaren 2005 tot en met 2016 heeft verdachte aangegeven dat hij samenwoonde met zijn toenmalige partner, [verdachte 11] , en ook over die jaren als fiscale partner van [verdachte 11] aangemerkt wilde worden.

Uit de gevorderde belastinggegevens en bankmutaties van verdachte en [verdachte 11] blijkt dat verdachte inkomsten had uit zijn werk bij KLM en dat [verdachte 11] van 1 mei 2005 tot en met 31 augustus 2005 salaris heeft ontvangen en vanaf september 2005 tot november 2008 geen inkomen heeft gehad. Op de rekening van [verdachte 11] is te zien dat het saldo mede gevoed wordt door de kinderbijslag welke per kwartaal ontvangen wordt over de periode 30 januari 2005 tot 31 januari 2016; in totaal werd een bedrag van € 35.348,76 bijgeschreven op de rekening. Verder zijn er in de belastingaangiften geen gegevens aangetroffen die duiden op contante tegoeden.

Uit de bankmutaties blijkt voorts dat op de privé betaalrekening van verdachte in de periode 1 februari 2005 tot en met 11 november 2016 en op de privé betaalrekening op naam van [verdachte 11] in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2016 een groot aantal contante geldstortingen plaatsvond, voor een totaalbedrag van € 123.807,66. Dit geld werd gebruikt voor onder andere de aflossing van de creditcards en diverse huishoudelijke uitgaven. Naast de contante stortingen vonden ook veelvuldig contante opnamen plaats, voor een totaalbedrag van € 99.877,52. Dit betroffen zowel contante opnamen van de bankrekeningen als contante opnamen door middel van de creditcards. Ten slotte is uit onderzoek van de bankgegevens gebleken dat verdachte en [verdachte 11] verschillende persoonlijke leningen en kredieten op naam hadden staan en dat zij deze leningen en kredieten op 26 januari 2005 in een flexibel krediet (op naam van zowel verdachte als [verdachte 11] ) hebben omgezet voor een bedrag van € 45.000,-.

Verbalisanten hebben naar aanleiding van voornoemde gegevens een kasopstelling gemaakt over de periode 2005 tot en met 2016 met daarin weergegeven het contante kassaldo tegenover de diverse contante stortingen en geldopnamen (waaronder creditcardopnamen). Uit het overzicht komt naar voren dat verdachte en [verdachte 11] onvoldoende legale contante middelen ter beschikking hadden om veelvuldig contante stortingen op hun bankrekeningen te verrichten.

In de tap- en/ of OVC gesprekken spreekt verdachte met [verdachte 11] over criminele dingen die kinderen niet mogen horen en over financiële problemen die zij hebben. Zo vindt onder meer overleg plaats over het betalen van de boodschappen, het schoolgeld, het voetballen en ballet, waarbij verdachte haar op een gegeven moment adviseert om ‘kaarten te nemen” waar nog iets op zou staan.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.

Het negatieve kassaldo en het gebrek aan contanten in onderling verband en samenhang bezien met de hoogte van voornoemde contante stortingen – die niet kunnen worden verklaard vanuit legale inkomsten – rechtvaardigen het vermoeden van een criminele herkomst van het aan verdachte ten laste gelegde geldbedrag. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen.

Verdachte heeft zich gedurende het onderzoek steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Op 22 mei 2018 heeft verdachte via zijn raadsman een schriftelijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen. Het zou gaan om winst van gokken en door- (ver)koop van (merk)kleding over een langere periode, uitvoeren en helpen bij verschillende werkzaamheden bij kennissen. Daarnaast zou hij steeds geld hebben opgenomen van zijn doorlopend krediet, gebruik hebben gemaakt van diverse creditcards en geld hebben geleend van anderen. Het OM heeft daarop onderzoek laten doen dat geresulteerd heeft in een proces-verbaal bevindingen van 19 juli 2018. Hierin hebben verbalisanten gerelateerd dat is gezocht op de diverse omschrijvingen zoals door verdachte naar voren gebracht binnen de reeds eerder gevorderde bankgegevens van verdachte en [verdachte 11] . Dit onderzoek heeft – op enkele kleine bedragen na – geen bijzonderheden opgeleverd, laat staan een concrete en verifieerbare verklaring voor het hiervoor genoemde totaal aan contante stortingen van € 123.807,66. Verdachte heeft desgevraagd geen namen kunnen noemen van de kennissen voor wie hij geklust zou hebben, zodat hier geen nader onderzoek naar heeft kunnen plaatsvinden. Voor het overige is de verklaring van verdachte evenmin met stukken onderbouwd. Het argument van de verdediging dat gelet op het tijdsverloop van verdachte niet gevergd kan worden dat hij zijn verklaring kan onderbouwen, is daartoe onvoldoende. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de stelling van de raadsman dat administratie maar vijf jaar bewaard hoeft te blijven geen wettelijke basis kent, maar een termijn is die door de Belastingdienst wordt geadviseerd. De eigen verantwoordelijkheid van verdachte voor het bijhouden van een deugdelijke administratie staat voorop.

De voor het eerst ter terechtzitting betrokken stelling dat verdachte en [verdachte 11] gedurende hun relatie ieder verantwoordelijk waren voor hun eigen financiën en verdachte financieel geheel onafhankelijk was van [verdachte 11] vindt reeds zijn weerlegging in de hiervoor genoemde aangiften inkomstenbelasting. Voorts acht de rechtbank redengevend dat verdachte en [verdachte 11] samenwoonden en de zorg hadden voor vier kinderen, een kredietovereenkomst hebben afgesloten (op naam van zowel verdachte als [verdachte 11] ) en de inhoud van genoemde tapgesprekken waaruit naar voren komt dat verdachte en [verdachte 11] overleg voerden over de gezamenlijke financiële huishouding. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte en [verdachte 11] een economische eenheid vormden in die zin dat zij in het verband van deze economische eenheid de in de tenlastelegging opgenomen contante stortingen en opnamen hebben gedaan.

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat – nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld – het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde contante geldbedragen (ten bedrage van in totaal ongeveer € 124.000,-) - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Verdachte moet hebben geweten dat de uitgaven (aan onder meer leefgeld en vakanties), niet van de legale inkomsten bekostigd konden worden. Verdachte heeft op generlei wijze aannemelijk gemaakt dat hij hier niet van op de hoogte was. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de economische eenheid, sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [verdachte 11] . Het medeplegen acht de rechtbank dan ook bewezen.

Gelet op de periode en het aantal contante stortingen (131) die verdachte en [verdachte 11] hebben verricht, is de rechtbank van oordeel dat zij van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3. ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 25 februari 2005 tot en met 20 januari 2017 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededader een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad,

immers is er in de periode van 25 februari 2005 tot en met 20 januari 2017 meermalen contant geld gestort op een of meer op verdachtes naam en op naam van zijn partner [verdachte 11] staande bankrekeningen (in totaal ongeveer € 124.000,-) en zijn er geldbedragen van die rekening opgenomen,

terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (subsidiair) ten aanzien van de strafmaat onder meer aangevoerd dat verdachte als een ‘first offender’ kan worden aangemerkt. Voorts heeft de raadsman ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden aangevoerd dat verdachte vader is van twee nog thuis wonende minderjarige kinderen, dat hij zijn werk bij de KLM als gevolg van deze zaak is kwijt geraakt (althans dat zijn dienstverband is geschorst), dat hij inmiddels ander werk heeft gevonden en dat hij schulden heeft.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen door samen met zijn (toenmalige partner) contante bedragen van in totaal ongeveer € 124.000,- op verschillende bankrekeningen te storten en deze bedragen vervolgens weer op te nemen en te gebruiken voor allerhande uitgaven, waaronder een aantal dure vakanties. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als verdachte en zijn toenmalige partner die criminele gelden een schijnbaar legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd

23 oktober 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van enig strafbaar feit onherroepelijk tot straf is veroordeeld.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het begaan van fraudedelicten zoals witwassen, en aansluiting gezocht bij de hoogte van het door de rechtbank bewezen geachte geldbedrag dat is witgewassen. Gelet hierop en gezien de door de rechtbanken en gerechtshoven gehanteerde oriëntatiepunten voor fraude acht de rechtbank in beginsel alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd gerechtvaardigd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Overschrijding redelijke termijn

Hoewel van de zijde van de verdediging te dien aanzien geen verweer is gevoerd, heeft de rechtbank zich ambtshalve gebogen over de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en zo ja, of deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Als aanvang van de redelijke termijn moet in deze zaak de aanhouding van verdachte worden aangemerkt op 20 januari 2017. Het eindvonnis wordt thans gewezen op 28 januari 2019. Nu echter sprake is van (voormelde) bijzondere omstandigheden, meer in het bijzonder de omvang van het opsporingsonderzoek en de gelijktijdige berechtiging van de strafzaken tegen verdachtes medeverdachten is de rechtbank van oordeel dat van overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen sprake is.

8 Vorderingen benadeelde partij

8.1.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8.2.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1. primair, subsidiair, meer subsidiair en

2. primair, subsidiair, meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3. ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot drie maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. R.A. Otter en mr. D.D.M. Hazeu, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A. de Graag en mr. S.C. Naeije,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 januari 2019.

1 GÜNER vs TURKEY 28338/07

2 Aanvulling 4 map 139, pagina 32 ev

3 Map 68, p. 222: “Op de vraag van A-3754, hoe die gasten nu bij hem terecht gekomen waren, hoorden wij dat [verdachte 6] vertelde dat dit via een oude schoolvriend van hem gebeurd was. "De Lange" had aan deze oude schoolvriend gevraagd of hij iemand kende die op Schiphol werkte en eventueel wat voor hen kon betekenen. Die oude schoolvriend had [verdachte 6] toen gevraagd en [verdachte 6] was in gesprek gegaan met "de Lange". Aanvankelijk had [verdachte 6] alleen maar geluisterd, maar omdat het plan dat "de Lange" voor ogen had, volgens [verdachte 6] absoluut niet kon, had [verdachte 6] een voorstel gedaan hoe het wel kon. [verdachte 6] voegde er aan toe: "Uiteindelijk hebben ze gedaan wat wij voorstelden.”

4 HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194.