Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7267

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18_422
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft overeenkomstig de door eiser ingediende aangifte inkomstenbelasting 2012 het inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 1.070.968. Bij nader inzien komt eiser terug op zijn aangifte opgenomen overdrachtsprijs en verkrijgingsprijs van de vervreemde aandelen. De rechtbank ontleend aan de door eiser in zijn aangifte opgenomen overdrachtsprijs voorshands het vermoeden dat dit juist is. Eiser heeft dit vermoeden niet weten te ontzenuwen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met een andere verkrijgingsprijs rekening had moeten houden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-08-2019
V-N Vandaag 2019/1944
FutD 2019-2254
NLF 2019/2066 met annotatie van Joep Verbaarschot
V-N 2019/49.27.4
NTFR 2019/2198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/422

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: drs. N. Domburg)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.933, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.070.968 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.947.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door drs. N. Domburg en mr. [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C.G. Aarts.

Overwegingen

Feiten

1. Op 28 december 2006 heeft eiser (in de overeenkomst aangeduid als ‘Käufer’) een ‘Kaufvertrag’ gesloten met [A BEDRIJF] Holding B.V. (in de overeenkomst aangeduid als ‘Verkäufer’). In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Der Käufer ist Inhaber von Kaufoptionen für insgesamt 80 % derjenigen Geschäftsanteile an der [B BEDRIJF] , LLC in Atlanta, USA, die zum Zeitpunkt der Ausübung der Option von der [C BEDRIJF] Holdings, LLC (…) gehalten werden, wobei sich diese Kaufoptionen auch auf 80 % der von der [C BEDRIJF] Holdings, LLC (…) gehaltenen Geschäftsanteile an der [B BEDRIJF] Exports, Inc. erstrecken. Gemäß Darlehensverschaffungs- und Treuhandoptionsvereinbarung vom 22.02.2005 hat der Verkäufer das Recht, durch einseitige Erklärung gegenüber dem Käufer ein Treuhandverhältnis dahingehend zu begründen (“Treuhandoption”), dass ab dem Zeitpunkt der Ausübung der Treuhandoption die Kaufoptionen vom Käufer im Verhältnis 60:20 treuhänderisch für den Verkäufer (60) und persönlich für sich selbst (20) gehalten werden.

Dies vorausgeschickt, wird folgendes vereinbart:

§ 1

Hiermit verkäuft der Verkäufer seine sämtlichen Rechte, die ihm gemäß der Darlehensverschaffungs- und Treuhandoptionsvereinbarung vom 22.02.2005 in Bezug auf Geschäftsanteile an der [B BEDRIJF] , LLC, (und damit auch in Bezug auf Geschäftsanteile an der [B BEDRIJF] Exports, Inc.) zustehen, an den dies annehmenden Käufer und überträgt sie auf ihn.

§ 2

(1) Als Kaufpreis erhält der Verkäufer alle auf die Geschäftsanteile, die Gegenstand der gemäß § 1 verkauften Rechte sind, entfallenden Gewinnausschüttungen und sonstigen Zahlungen, gleich aus welchem Rechtsgrund, die dem Käufer nach Abzug persönlicher Steuern zufließen. Der Käufer ist berechtigt, zur Ablösung dieser Kaufpreisverbindlichkeit eine einmalige Summe an der Verkäufer zu zahlen, deren Höhe die Parteien noch einvernehmlich festlegen werden. Umgekehrt ist auch der Verkäufer berechtigt, anstelle der ratierlichen Zahlung die einmalige Ablösungssumme zu verlangen, deren Höhe noch einvernehmlich festzulegen ist.

(…)”

2. Met ingang van 31 december 2009 heeft eiser een ‘Earnout Agreement’ gesloten met [B BEDRIJF] LLC (in de overeenkomst aangeduid als ‘the Company’) en [B BEDRIJF] Exports Inc. (in de overeenkomst aangeduid als ‘the Corporation’) alsmede de overige houders van lidmaatschapsrechten respectievelijk aandelen in deze entiteiten. In de preambule daarvan wordt het volgende opgemerkt over de voorgeschiedenis en doelstelling van de overeenkomst:

“On December 31, 2006, [D BEDRIJF] and [C BEDRIJF] were the only members of the Company, a limited liability company organized under the laws of the State of Georgia, in regard to which 320 membership units were allotted to [D BEDRIJF] (the “ [D BEDRIJF] Membership Units”) and 680 membership units to [C BEDRIJF] (the “ [C BEDRIJF] Membership Units”);

On December 31, 2006, [D BEDRIJF] and [C BEDRIJF] were the only shareholders of the Corporation, a corporation organized under the laws of the State of Georgia, in regard to which 800 shares of common stock were allotted to [D BEDRIJF] (the “ [D BEDRIJF] Stock”) and 1,700 shares of common stock to [C BEDRIJF] (the “ [C BEDRIJF] Stock”);

Effective as of January 1, 2007, [C BEDRIJF] assigned (i) 544 of the [C BEDRIJF] Membership Units to [eiser]; (ii) 136 of the [C BEDRIJF] Membership Units to [B] ; (iii) 1,360 shares of the [C BEDRIJF] Stock to [eiser]; and (iv) 340 shares of the [C BEDRIJF] Stock to [B] (the “2007 Assignments”).

With effect as at 1 January 2007, [eiser] assigned 48 membership units in the Company and [B] 12 of his membership units in the Company to [D BEDRIJF] , and [eiser] assigned 120 and [B] 30 of the shares of stock in the Corporation to [D BEDRIJF] .

With effect as at 1 January 2008, [eiser] assigned 48 membership units in the Company and [B] 12 of his membership units in the Company to [D BEDRIJF] , and [eiser] assigned 120 and [B] 30 of the shares of stock in the Corporation to [D BEDRIJF] .

[D BEDRIJF] desires to acquire the remaining membership units in the Company currently belonging to [eiser] and [B] . As a first step, [D BEDRIJF] shall acquire 49 membership units in the Company from [eiser] and 12 membership units in the Company from [B] , as well as 123 shares of stock in the Corporation from [eiser] and 30 shares of stock in the Corporation from [B] , so that [D BEDRIJF] will have an interest totalling 50.1 % in the Company and in the Corporation; and, as a second step, [D BEDRIJF] shall have the right to acquire the remaining membership units in the Company as soon as the following conditions have been met: (1) the equity capital of the Company to which [eiser] and [B] are entitled, currently amounting to a total of US$ 4,286,951.55, shall be repaid to them in full; and (2) in accordance with this agreement, Distributable Cash (as defined below) amounting to at least US$ 10 million and a maximum of US$ 13 million have been paid to [eiser] and [B] , all as more specifically set forth herein. For purposes of this Agreement “Distributable Cash” shall mean all cash, revenues and funds received by the Company’s operations, less the sum of the following to the extent paid or set aside by the Company: (i) all principal and interest payments on indebtedness of the Company and all other sums paid to lenders; (ii) all cash expenditures incurred incident to the normal operation of the Company’s business; and (iii) such Reserves (as defined in the Operating Agreement) as the Members (as defined in the Operating Agreement) reasonably deem necessary to the proper operation of the Company’s business.”

Met betrekking tot lidmaatschapsrechten en aandelen is in de ‘Earnout Agreement’ - voor zover hier van belang - het volgende overeengekomen:

“1. Simultaneously with the execution of this agreement, the Parties will execute Assignment of Interests in the form attached at Tabs A and B effecting the following transfers: (i) [eiser] will transfer 49 membership units in the Company to [D BEDRIJF] and [B] will transfer 12 membership units in the Company to [D BEDRIJF] ; and (ii) [eiser] will transfer 123 shares of stock in the Corporation to [D BEDRIJF] at a purchase price of $1,027.85 per membership unit and $1.00 per share of stock. (…)

2. During the calendar years 2009, 2010, 2011 and 2012 [eiser] and [B] will receive Distributable Cash from the Company due to them in proportion to their membership units in the Company (i.e., collectively, 49.9%). These distributions will be calculated and disbursed in the ordinary course of business consistent with past practice applying the same principles as in the previous years and, as in the past, all available liquid assets are to be distributed.

(…)

Once [eiser] and [B] have together received Distributable Cash pursuant to Section 2 of this Agreement amounting to US$ 13 million plus the return of their share of the equity capital of the Company in the amount of US$ 4,286,951.55, [D BEDRIJF] shall be entitled to acquire the remaining membership units in the Company and Stock in the Corporation at purchase price of $1,127.24 per membership unit and $1.00 per share of stock (the “Purchase Option”).

Should [eiser] and [B] together receive a total of less than US$ 13 million in Distributable Cash for the fiscal years 2009 through 2012, [D BEDRIJF] ’s right to exercise the Purchase Option shall be suspended until such time after December 31, 2012 as [eiser] and [B] have together received (during fiscal years 2009 and thereafter) at least US$ 10 million in Distributable Cash plus the return of their shares of the equity capital of the Company in the amount of US$ 4,286,951.55”

3. Op 23 juli 2014 stuurde [E] , de controller van [E BEDRIJF] B.V., een
e-mail aan onder meer [F] , de advocaat van eiser, waarin het volgende te lezen staat:

“Medio 2012 hebben [B] , [C] en ondergetekende een bezoek gebracht aan (de accountant van) [B BEDRIJF] om enerzijds vast te stellen dat [B BEDRIJF] aan hun verplichtingen naar JPB [naar de rechtbank begrijpt: eiser, [B] en [D]] hebben voldaan en anderzijds om vast te stellen dat [X] heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting richting [D] . Hierbij is [C] ingehuurd door de Duitsers om duidelijkheid te scheppen in de hele casus. [C] en ondergetekende hebben in samenspraak en in goed overleg de eindafrekeningen/overzichten opgesteld.

(…)

Tijdens ons bezoek in Atlanta zijn we tot de conclusie gekomen dat [B BEDRIJF] aan haar verplichtingen heeft voldaan. Deze earn-out deal is afgewikkeld medio december 2012. De laatste gelden waar de heren JPB recht op hadden is op 6 december 2012 door [X] ontvangen. Dit betreft de verkoop van unit/shares ad $ 450.765 alsmede de laatste distributie-ontvangst van $ 61.898 (80%).

(…)

Zoals hierboven vermeld was het tweede doel van ons bezoek om vast te stellen dat [eiser] aan zijn betalingsverplichting aan [D] heeft voldaan. De Duitsers hadden al enige tijd (jaren) twijfels/argwaan dat [eiser] “geld achterhield”.

Dit onderzoek heeft geleid tot een overzicht met daarin opgenomen alle ontvangsten en betalingen vanuit [B BEDRIJF] naar [eiser] en vanuit [eiser] naar [D] / [A BEDRIJF] (zie bijlage).

Uit dit overzicht kun je aflezen dat [eiser] zich aan de betalingsverplichting naar [D] / [A BEDRIJF] heeft gehouden. Met andere woorden [eiser] heeft alle gelden waar [D] / [A BEDRIJF] recht op hadden betaald.”

4. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 heeft eiser inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven ter zake van de vervreemding van de aandelen en lidmaatschapsrechten. Hij heeft daarbij een overdrachtsprijs van € 1.553.881 en een verkrijgingsprijs van € 1.276.884 aangegeven. Voorts heeft eiser reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang ter hoogte van € 793.971 aangegeven. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de aangifte op dit punt gevolgd.

Geschil
5. Eiser en verweerder hebben de volgende geschilpunten aan de rechtbank voorgelegd:

  1. Heeft eiser voldaan aan de informatieverplichtingen die op hem rustten?

  2. Heeft verweerder de belasting over het inkomen uit aanmerkelijk belang van eiser in de onderhavige aanslag op het juiste bedrag vastgesteld?

  3. Heeft verweerder gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

6. Eiser is van mening dat hij alles eraan heeft gedaan om verweerder ruimschoots van informatie te voorzien. De bankafschriften die verweerder van hem vraagt, zijn naar zijn mening niet van belang voor de belastingheffing te zijnen aanzien als bedoeld in

artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Verder vraagt verweerder om informatie die eiser niet heeft of waarover hij redelijkerwijs niet kan beschikken, aldus eiser. Hij betoogt verder dat de overdrachtsprijs van de vervreemde aanmerkelijkbelangaandelen en -lidmaatschapsrechten op nihil moet worden gesteld. De verkrijgingsprijs bedraagt volgens zijn berekening € 4.327.188. Tot deze verkrijgingsprijs behoren onder meer de dividenden die hij moest afstaan op grond van het hiervoor in onderdeel 1 aangehaalde Kaufvertrag. Dat deze dividenden voor de heffing van inkomstenbelasting gedeeltelijk zijn toegerekend aan zijn fiscaal partner, die gebruikmaakte van de 30%-regeling en daarbij voor het inkomen uit aanmerkelijk belang opteerde voor behandeling als buitenlands belastingplichtige, waardoor de dividenden in Nederland niet werden belast, doet daaraan naar de mening van eiser niet af. Eiser meent voorts dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om bij de voorbereiding van de uitspraak op bezwaar actief kennis te vergaren inzake de relevante feiten en de af te wegen belangen. Ook berust de uitspraak op bezwaar volgens eiser niet op de door artikel 3:46 Awb vereiste deugdelijke motivering.

7. Verweerder betoogt dat op eiser de last rust de hoogte van de verkrijgingsprijs aannemelijk te maken. Naar zijn mening heeft eiser met de stukken die hij heeft overgelegd, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder bij de vaststelling van het inkomen uit aanmerkelijk belang is uitgegaan van een te lage verkrijgingsprijs. Subsidiair heeft hij de stelling betrokken dat de doorbetaling van dividenden aan [A BEDRIJF] Holding B.V. niet kan leiden tot een verhoging van de verkrijgingsprijs, omdat deze dividenden op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 zijn toegerekend aan de fiscaal partner van eiser. Het is bij die toerekening niet mogelijk een splitsing te maken tussen de opbrengsten (de dividenden) en de lasten (de doorbetaling die leidt tot een verhoging van de verkrijgingsprijs), aldus verweerder. Meer subsidiair neemt hij het standpunt in dat de dividenden de verkrijgingsprijs niet verhogen, omdat zij noch door eiser noch door zijn fiscaal partner zijn aangegeven. Verweerder betwist dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Informatieverplichtingen

9. De rechtbank gaat voorbij aan de eerste vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of eiser heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge artikel 47 AWR. Nu verweerder met betrekking tot de door hem in de bezwaarfase gestelde vragen geen informatiebeschikking heeft genomen, zou een ontkennende beantwoording van die vraag immers zonder gevolgen blijven. Dat neemt uiteraard niet weg dat, voor zover eiser in dit geschil de bewijslast draagt, het ontbreken van toereikende bewijsmiddelen voor zijn rekening komt.

Inkomen uit aanmerkelijk belang

10. Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de vervreemdingsvoordelen ter zake van een aanmerkelijk belang in [B BEDRIJF] LLC en [B BEDRIJF] Export Inc. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ter zake van de lidmaatschapsrechten respectievelijk aandelen in deze entiteiten in 2012 vervreemdingsvoordelen heeft behaald. Op grond van artikel 4.19, eerste lid, Wet IB 2001 worden deze voordelen gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. Het geschil heeft betrekking op beide componenten van de vervreemdingsvoordelen.

11. Eiser heeft de overdrachtsprijs in zijn aangifte op € 1.553.881 gesteld. Verweerder is bij de vaststelling van de aanslag van deze overdrachtsprijs uitgegaan. In beroep stelt eiser dat hij uiteindelijk tot een schikking is gekomen die inhoudt dat, zodra een afgesproken totaalbedrag (cumulatief) naar de Nederlandse aandeelhouders, waaronder eiser, zou zijn gevloeid, de in hun bezit zijnde aandelen om niet aan de Amerikaanse aandeelhouders zouden worden overgedragen. Eiser stelt dat deze overdracht om niet in 2012 heeft plaatsgevonden.

12. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door eiser, in beginsel op de weg van verweerder ligt om de hoogte van de overdrachtsprijs die hij aan de aanslag ten grondslag heeft gelegd aannemelijk te maken. De overdrachtsprijs verhoogt immers het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Aan de omstandigheid dat eiser een overdrachtsprijs van € 1.553.881 heeft aangegeven, ontleent de rechtbank echter voorshands het vermoeden dat deze overdrachtsprijs juist is (vgl. HR 16 maart 1921, B. 2737, HR 7 maart 1923, B. 3220, HR 10 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0574, BNB 1960/81 en HR 11 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7205, BNB 1965/25). Het ligt op de weg van eiser dit vermoeden te ontzenuwen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De hiervoor in onderdeel 2 aangehaalde ‘Earnout Agreement’ wijst veeleer erop dat – anders dan eiser stelt – wel degelijk een overdrachtsprijs is overeengekomen. Hetzelfde geldt voor de hiervoor in onderdeel 3 aangehaalde e-mail, waaruit volgens eiser een door hem gestelde schikking zou blijken. Nu de tegenprestatie voor de overdracht van de aandelen en lidmaatschapsrechten blijkens de ‘Earnout Agreement’ in meerdere delen, op verschillende momenten en onder uiteenlopende juridische titels geleverd zou worden, noopt dat stuk redelijkerwijs niet tot twijfel aan de door eiser in de aangifte IB/PVV aangegeven overdrachtsprijs. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet heeft kunnen verklaren hoe de aangegeven overdrachtsprijs zich verhoudt tot de door hem in bezwaar en beroep gestelde overdrachtsprijs.

13. Het tweede geschilpunt omvat voorts de hoogte van de verkrijgingsprijs. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder uitgegaan van de verkrijgingsprijs die was opgenomen in de aangifte, te weten € 1.276.884. Eiser stelt in bezwaar en beroep echter dat de verkrijgingsprijs in werkelijkheid € 4.327.188 bedroeg. Nu de verkrijgingsprijs op grond van artikel 4.19, eerste lid, Wet IB 2001 in mindering komt op de vervreemdingsvoordelen en zo het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verlaagt, rust – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder – naar het oordeel van de rechtbank op eiser de last aannemelijk te maken of en, zo ja, in hoeverre de verkrijgingsprijs uitstijgt boven het door verweerder erkende bedrag.

14. Eiser stelt dat de verkrijgingsprijs van zijn aanmerkelijk belang uit drie componenten is opgebouwd: a) de ‘oorspronkelijke verkrijgingsprijs’ van € 1.569.533; b) de ‘verkrijgingsprijs koopopties’ van € 5.059.843; c) het saldo van kapitaalterugbetalingen en
-stortingen van -/- € 2.302.187. Met het onder b) genoemde bedrag is kennelijk gedoeld op betalingen door eiser uit hoofde van de hiervoor in onderdeel 1 aangehaalde ‘Kaufvertrag’.

15. Eiser heeft de hoogte van deze componenten onderbouwd aan de hand van een spreadsheet. Hij heeft echter geen akten, dividendnota’s of andere juridische bewijsstukken overgelegd die de verschillende bestanddelen waaruit die posten volgens hem bestaan nader kunnen onderbouwen. Evenmin kunnen de gestelde betalingen worden gereconstrueerd op basis van de beschikbare bancaire stukken. Voor zover eiser stelt dat de verkrijgingsprijs is voldaan door verrekening, faalt die stelling reeds omdat gesteld noch gebleken is dat een voor verrekening vatbare tegenvordering van [A BEDRIJF] Holding B.V. op eiser bestond. De rechtbank stelt voorts vast dat de spreadsheet niet voorziet in correcties van de verkrijgingsprijs wegens vervreemdingen van aandelen en lidmaatschapsrechten vóór 2012. Gelet op het feit dat eiser zijn aanmerkelijk belang kennelijk in meerdere tranches en gedeeltelijk reeds vóór 2012 heeft vervreemd, wekt dit bij de rechtbank twijfel over de betrouwbaarheid van de spreadsheet. Op grond van de hiervoor genoemde argumenten acht de rechtbank eiser niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat de verkrijgingsprijs uitstijgt boven het door verweerder erkende bedrag.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

16. Naar het oordeel van de rechtbank valt op basis van hetgeen eiser heeft gesteld niet in te zien dat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden. Blijkens de uitvoerige correspondentie heeft verweerder zich in de bezwaarfase terdege ingezet om de gang van zaken omtrent de vervreemding van de aandelen en lidmaatschapsrechten te achterhalen. Anders dan eiser betoogt, reikt het zorgvuldigheidsbeginsel niet zo ver dat op verweerder de verplichting rustte om in dit verband deskundigen te raadplegen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de motivering van de uitspraak op bezwaar meer dan voldoende inzicht verschaft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, zodat van een inbreuk op het motiveringsbeginsel niet gesproken kan worden.

Slotsom

17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Aangezien het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en

mr. C. Maas, leden, in aanwezigheid van mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.