Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:7200

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
C/15/264602 / HA ZA 17-692
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

kamer- en/of onderverhuur - geen dekking onder opstalverzekering voor brandschade - primaire dekkingsomschrijving - beroep op beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/264602 / HA ZA 17-692

Vonnis van 21 augustus 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.J.M. Smelt te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816

SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Oudkarspel, gemeente Langedijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S.D. Palper te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Noordhollandsche worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 september 2017 tevens houdende provisionele vordering ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met producties,

- de conclusie van antwoord in het incident met producties,

- het vonnis in incident van 31 januari 2018 waarbij de provisionele vordering van [eiser] is afgewezen,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties,

- het tussenvonnis van 28 november 2018 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 15 april 2019 en de daarin genoemde stukken,

- de faxbrief van mr. Palper van 26 april 2019 en die van mr. Smelt van 8 mei 2019 naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de eengezinswoning aan het [adres] (hierna: de woning).

2.2.

[huurder] is de woning vanaf 1 januari 2014 gaan huren na bemiddeling van [naam 1] is eigenaar van een pluimveebedrijf waar [huurder] werkte. In een tussen [eiser] en [huurder] opgemaakte huurovereenkomst staat dat [huurder] de woning met ingang van 1 januari 2014 huurt voor

€ 1.000 per maand. Verder is in de huurovereenkomst opgenomen, voor zover hier van belang:

1.2 Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte voor huurder t.w.: De heer [huurder] .

1.3

Het is de huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.2 (…)

Bijzondere bepalingen

(…)

20. Onderhuur / medegebruik al dan niet tegen vergoeding is niet toegestaan.”

2.3.

In de avond van 1 november 2016 is op zolder van de woning brand uitgebroken. Door de brand is schade aan de woning ontstaan.

2.4.

Op het moment van de brand was niemand in de woning aanwezig. Naast de brandweer zijn in ieder geval de door de brandweer opgeroepen salvage-coördinator [naam 2] de zoon van [eiser] (hierna: [zoon eiser] ) en [naam 1] ter plaatse gekomen.

2.5.

In het salvage-rapport van [naam 2] is het volgende vermeld:

Objectgegevens

(…)

Bestemming pand: Kamerverhuur

(…)

Belanghebbenden

Naam: NB

Hoedanigheid: Huurder

(…)

Naam: [eiser]

Hoedanigheid: Eigenaar

(…)

Nadere gegevens schade

(…)

Diverse (Poolse) arbeiders (onverzekerd) kunnen niet in de woning verblijven en zullen via hun werkgever/tussenpersoon elders worden ondergebracht.”

2.6.

[eiser] had op het moment van de brand een opstalverzekering bij Noordhollandsche afgesloten onder polisnummer [nummer] (hierna ook: de verzekeringsovereenkomst). Volgens de toen geldende polis had de woning de bestemming ‘woonhuis (verhuurd)’ en was de clausule ‘00125 Woonhuis verhuurd’ (hierna: de clausule) van toepassing. Deze clausule luidt:

“Het is de Maatschappij [lees: Noordhollandsche, rechtbank] bekend dat het onder deze polis verzekerde woonhuis is verhuurd voor particuliere bewoning. Uitdrukkelijk is overeengekomen dat geen rechten aan de polis kunnen worden ontleend indien sprake is van kamerverhuur, huisvesting van seizoenarbeiders of verhuur aan organisaties of personen die het woonhuis onderverhuren.”

2.7.

Op de opstalverzekering zijn de algemene voorwaarden van Noordhollandsche (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 11 algemene voorwaarden is het volgende opgenomen:

Artikel 11 Wat doen wij wanneer wij fraude constateren?

a. Onder fraude verstaan wij:

 situaties waarbij u of een andere verzekerde of belanghebbende niet eerlijk vertelt wat er is gebeurd of wat de omstandigheden waren;

b. Omdat alle klanten meebetalen aan de fraude van anderen werken wij aan fraudebestrijding. Bij fraude nemen wij de volgende maatregelen:

(…)

 wij beëindigen de lopende verzekeringen (…)”

2.8.

De schade is in opdracht van Noordhollandsche vastgesteld door KakesWaal B.V. (hierna: KakesWaal). Schade-expert [naam 3] van KakesWaal heeft de woning daartoe op 2 november 2016 geïnspecteerd.

2.9.

Noordhollandsche heeft Onderzoeksbureau I-Tek B.V. (hierna: I-Tek) ingeschakeld voor een technisch- en tactisch onderzoek naar de oorzaak en omstandigheden van de brand. Technisch onderzoeker [naam 4] van

I-Tek heeft de woning op 3 november 2016 geïnspecteerd. Het tactische gedeelte is onderzocht door [naam 5] van I-Tek. Volgens het door [naam 4] en [naam 5] opgestelde rapport van 16 december 2016 (hierna: het I-Tek rapport) is de oorzaak van de brand gelegen in een elektrisch defect en/of mankement op de printplaat van de combiketel op zolder. Verder is in dit rapport vermeld, voor zover hier van belang:

2 RISICOADRES EN AANGETROFFEN SITUATIE

(…)

2.3

Aantreffen genummerde en afsluitbare kamers

Tijdens het onderzoek ter plaatse constateerde ik, rapporteur [naam 4] , dat alle slaapkamerdeuren op de 1e verdieping genummerd waren (1 t/m 4).

Ook werd vastgesteld dat alle deuren aan overloopzijde afsluitbaar waren met een hangslot. (…) In de grote slaapkamer aan straatzijde (nr. 1) werden o.a. twee op elkaar gelegen bedden aangetroffen (foto 7).

Vastgesteld werd dat aan weerszijden in de kamer een bed had gestaan. Op deze kamer stond ook een aantal ingepakte reistassen en koffers.

In de grote slaapkamer aan tuinzijde (nr. 2) trof rapporteur o.a. op elkaar gestapelde matrassen aan, waarmee twee bedden waren gemaakt. (…)

Rapporteur constateerde dat de doorgang tussen voorzolder en zolderkamer afgesloten kon worden met een deur. Aan de zijde van de voorzolder trof rapporteur op het kozijn van die deur eveneens een hangslot aan.

De zolderkamer was eveneens ingericht als slaapkamer, waarbij op de vloer losse matrassen lagen waarmee, gelet op de aangetroffen situatie, twee bedden waren gemaakt (foto 11). Ook op de vloer van de voorzolder trof rapporteur een matras aan (…)

Aan de hand van de situatie zoals aangetroffen in de slaapkamers werd duidelijk, dat er na de brand de nodige goederen waren verplaatst en/of verwijderd uit de slaapkamers.

Gelet op de aangetroffen situatie lijkt er in ieder geval sprake te zijn geweest van 7 slaapplekken (…) Het kan niet worden uitgesloten dat er ook in de kleine kamer aan de straatzijde een slaapplek was ten tijde van de brand. In kamer 3 had, gelet op de aangetroffen aftekening op de wanden, ook een bed gestaan, waarmee het totaal aantal slaapplekken op 9 uit zou komen.

(…)

4 TACTISCH ONDERZOEK

(…)

4.5

Telefonisch contact met betrokkene [huurder]

Op 7 december 2016 werd met rapporteur [naam 5] telefonisch contact opgenomen door een persoon die opgaf te zijn genaamd:

[huurder]

geboren te Hongarije (…)

tot 1 november 2016 wonende [adres] .

Nadat aan betrokkene het doel van het gesprek was meegedeeld, verklaarde hij samengevat het volgende:

  • -

    Hij sprak een beetje Nederlands en was bereid om zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen.

  • -

    Hij had tot de brand op 1 november 2016 gewoond op het adres [adres] .

  • -

    Hij was hier terecht gekomen via een tussenpersoon van het pluimveebedrijf waar hij werkte.

  • -

    De woning (…) werd, samen met hem, bewoond door een man genaamd [naam 6] en een tweede man, van wie hij de naam niet wist;

  • -

    Hij hoefde zelf maar een deel van de huurkosten te betalen doordat er meerdere bewoners in het pand waren.

  • -

    Ook de andere twee mannen waren in de woning (…) terechtgekomen via de tussenpersoon van het pluimveebedrijf waar zij werkten. (…)

6 CONCLUSIE

Op grond van het hierboven omschreven onderzoek wordt het navolgende geconcludeerd:

  • -

    Ten tijde van de brand in de woning op de schadelocatie werd deze woning aan meerdere personen (onder)verhuurd, die allen een afzonderlijke slaap/leefruimte gebruikten.

  • -

    De woning op de schadelocatie was ingericht om als kamerverhuurlocatie te fungeren.

  • -

    Op de schadelocatie was, ten tijde van de brand, sprake van kamerverhuur aan diverse (buitenlandse)werknemers van een pluimveebedrijf.”

2.10.

Op 19 januari 2017 heeft Noordhollandsche dekking onder de opstalverzekering afgewezen omdat [eiser] de clausule zou hebben geschonden.

2.11.

Op verzoek van Noordhollandsche heeft op 18 april 2018 voor deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] als getuigen zijn gehoord.

[naam 2] heeft het volgende, voor zover hier van belang, verklaard:

“De brandweer heeft Salvage via de meldkamer opgeroepen. Vervolgens ben ik als coördinator gekomen. (…) Bij de woning werd ik opgevangen door officier van dienst van de brandweer. Er waren verder geen bewoners in de woning aanwezig. (…) Daarna ben ik dus door de woning gelopen. (…) In de woning had iedere kamer een eigen slot. Op zolder was een slaapkamer gemaakt. Er lagen op de eerste en tweede verdieping meerdere matrassen en mijn indruk was dat er meerdere personen in de woning verbleven. (…) mijn indruk werd later bevestigd tijdens een gesprek buiten. In de tussentijd was er namelijk een persoon verschenen die vertelde dat niet nodig was iets te regelen voor de mensen die in het pand woonden. Misschien heeft die persoon zijn naam genoemd maar dat weet ik niet meer. Hij zei dat de werknemers elders huisvesting zouden krijgen. Het was niet nodig een hotel of ander onderdak voor hen te regelen. De persoon in kwestie kwam van een bedrijf waarvan de naam mij niet bekend is.

(…) Het was zo dat de woning, zo heb ik het begrepen, werd verhuurd voor de werknemers.

(…) Mij viel op dat in één van de kamers een grote Poolse vlag hing. (…) Er lagen wel matrassen in drie slaapkamers. In die slaapkamers zag ik meerdere matrassen op de grond liggen. Ook stonden er bedden. Het kan zijn dat er meerdere matrassen op elkaar lagen, maar het waren niet hele stapels. Op de matrassen en bedden lag ook beddengoed. Ik weet nog dat er ook een deken lag. De kamers waren ingericht, maar ik weet niet van wie de spullen waren. Mij wordt gevraagd of de deuren genummerd waren. Niet dat ik weet. De deuren waren wel afsluitbaar, maar ik weet niet om wat voor slot het ging en of er hangsloten hingen. Ik kan mij dat niet meer herinneren. (…) Tussen de voorzolder en de rest van de zolder had een soort van scheiding gezeten. (…) Achter die scheiding zag (ik) in ieder geval één matras liggen. (…)

Tijdens het gesprek, dat ik buiten de woning voerde met de heren [eiser] , gaven zij aan dat zij niet wisten wie er allemaal in de woning verbleven. Zij vertelden zelf geen idee te hebben wie er allemaal woonden. De heren [eiser] vertelden mij dat de woning was verhuurd. Ik weet nu niet meer wat daar verder precies over is gezegd.

(…) De persoon die mij buiten vertelde dat de huisvesting van de bewoners geregeld zou worden, had mij laten weten dat die bewoners geen inboedelverzekering hadden.

(…) Ik kan nu echter niet goed terughalen of de persoon, die ik buiten heb gesproken, het nu had over bewoners of werknemers of dat hij beide begrippen heeft gebruikt. Ik ben daar dus niet zeker van.”

[naam 3] heeft het volgende, voor zover hier van belang, verklaard:

“Ik weet nog dat ik een bezoek heb gebracht aan de woning (…) Dat was een dag na de brand. (…) Bij de woning aangekomen heb ik even moeten wachten op de komst van de zoon van de gedupeerde heer [eiser] . (…) Nadat zij waren gearriveerd hebben we vervolgens gewacht op de man die over de voordeursleutel beschikte. Toen deze man kwam, vertelde hij dat hij [naam 1] heette. Hij heeft ons in de woning gelaten. (…) Als het ging om de vraag wie er precies in het pand woonde, werd er in mijn beleving afwijkend gereageerd. Als ik vragen hierover stelde aan [naam 1] kwam de heer [eiser] ertussen. [eiser] deed alsof hij niet wist wie er in de woning woonde. (…) Ik heb de sloten op de deuren en de verschillende matrassen op de kamers benoemd, evenals het feit dat ik op de verschillende kamers ook persoonlijke bezittingen zag liggen. De reactie van [zoon eiser] hierop was dat zijn vader de woning verhuurde en niet wist wie er in de woning verbleven.

(…)

Op de begane grond heb ik in het woonkamergedeelte een soort ligbed zien staan met een matras erop. (…) Op de eerste etage waren er twee slaapkamers, waarin ik matrassen heb gezien. In één van de kamers lagen twee matrassen apart op de grond, met een deken erop. In de andere kamer zag ik één matras. Op de zolder heb ik ook twee matrassen gezien. Ik heb geen bedden zien staan. Op de slaapkamer met de twee matrassen met dekens erop heb ik ook een bekertje zien staan met meerdere tandenborstels. Dat beeld heb ik nog voor me. Er waren nog wel meer persoonlijke spullen, zoals medicijnen. In de keuken heb ik ook een bekertje met een tandenborstel zien staan. (…)

[naam 4] heeft het volgende, voor zover hier van belang, verklaard:

“U houdt mij een aantal constateringen voor, die ik in mijn verslag heb opgetekend. Op bladzijde 7 staat vermeld dat in de grote slaapkamer aan de straatzijde twee op elkaar gelegen bedden zijn aangetroffen. Ik heb vastgesteld dat aan weerszijden in de kamer een bed had gestaan. Ik heb die conclusie gebaseerd op de afdrukken, achtergebleven op de muur en op roetsporen op de vloeren en wanden. Op basis van die sporen was mijn conclusie dat er twee bedden hadden gestaan. Ik kon het ook aan de vorm van de afdruk zien. Die vorm paste bij een bed. Ik zag ook een vettige afdruk op de wand, veroorzaakt doordat iemand met zijn hoofd tegen de muur heeft gelegen. Het bed is na de brand verplaatst.

In de grote slaapkamer aan de tuinzijde heb ik meerdere gestapelde matrassen zien liggen. Daarvan konden twee bedden worden gemaakt. Op de foto is dit niet echt duidelijk te zien. Het waren geen losliggende matrassen, want dan had ik dat zo omschreven. Ik weet niet meer of er ook dekbedden en kussens lagen. Voor mij was duidelijk dat op de zolderkamer ook twee slaapplaatsen waren. Op foto 11 in het rapport is te zien dat aan de linkerkant ook een slaapplaats was. De afdruk van het hoofdkussen is duidelijk op de muur te zien. Waar het kussen heeft gelegen zijn geen roetdeeltjes op de muur gekomen. Verder stonden er ook kastjes. Op pagina 8 van het rapport merk ik op dat ook in de kleine slaapkamer aan de tuinzijde een bed heeft gestaan. Ik baseer dat op een aftekening op de wand. Die aftekening is een beetje te zien op foto 9, links in het midden. Op die plek is een vlek op de wand te zien. Hier heeft iemand met zijn hoofd tegen de muur gelegen. De vettigheid van hoofd en haren geeft in de loop der tijd een dergelijke aftekening.

Bij alle deuren van de slaapkamers en de zolderkamer hingen hangsloten. (…)

Op de voorzolder heb ik nog een restant van een matras aangetroffen. (…) Ik heb ook koffers en reistassen gezien. (…) Of deze gevuld waren en zo ja, waarmee, weet ik niet. (…)

In de woning heb ik geen persoonlijke bezittingen aangetroffen, die ik kon herleiden tot meerdere personen.”

[naam 5] heeft het volgende, voor zover hier van belang, verklaard:

“Ik ben niet zelf in de woning (…) geweest. (…)

Na de brand heb ik medio november 2016 contact gehad met de zoon van dhr. [eiser] . Deze zoon noemde aanvankelijk [huurder] als huurder van het pand. Hij gaf aan dat hij niets van deze [huurder] wist en dat alles verliep via [naam 1] . Dat was de persoon die alle zaken regelde voor de werknemers van het Pluimveebedrijf. De zoon kwam zelf met dat bedrijf. Mij was op dat moment niets bekend van [naam 1] of een Pluimveebedrijf. (…) [zoon eiser] gaf mij het telefoonnummer van [naam 1] . Hij kon zelf de huurder [huurder] niet bereiken.

Uiteindelijk heb ik via [naam 1] toch contact gekregen met [huurder] . Hij belde mij op. In het rapport van 16 december 2016 heb ik ook beschreven hoe dat is gegaan. Ik heb een kort gesprek gehad met [huurder] . Hij sprak niet zo goed Nederlands. Het gesprek ging half in het Nederlands en half in het Duits of Engels. (…) [huurder] antwoordde op mijn vragen dat hij in de woning Newtonplein had gewoond tot 1 november 2016. Op de schadedatum woonde hij daar met twee andere mannen. Eén van hen heette Chaba en van de andere man wist hij de naam niet meer. [huurder] vertelde dat alles verliep via een tussenpersoon van het Pluimveebedrijf. De naam [naam 1] heeft hij niet genoemd. [huurder] vertelde dat de huur onder de mannen werd verdeeld. [huurder] hoefde de huur, een bedrag van

€ 1000,00 per maand, niet helemaal zelf betalen. De huurkosten werden onder de bewoners verdeeld. [huurder] heeft niet gezegd aan wie hij huur betaalde.”

2.12.

Het voorlopig tegenverhoor heeft op 3 oktober 2018 plaatsgevonden. [zoon eiser] en [naam 7] zijn toen als getuigen gehoord.

[zoon eiser] heeft het volgende, voor zover hier van belang, verklaard:

“Ik ben betrokken geweest bij de verhuur van de woning aan de heer [huurder] per 1 januari 2014. Ik werd benaderd door de heer [naam 1] . U vraagt mij of zijn achternaam ‘ [naam 1] is. Dat kan kloppen. [naam 1] vroeg mij of ik iets had voor de verhuur. [naam 1] had een bedrijf in pluimvee en zocht woonruimte voor een werknemer van dat bedrijf. Zo kwam ik in contact met [huurder] . Ik heb vervolgens een huurcontract laten opstellen dat door betrokken partijen is ondertekend. (…)

De huur bedroeg € 1.000,00 per maand en werd via de bank betaald. Het geld werd overgemaakt door de heer [huurder] . Dat is altijd netjes gebeurd. (…) Wat betreft de brand op 1 november 2016: ik werd gebeld door [naam 1] of de politie. Vervolgens ben ik naar de woning gegaan. (…) Een paar minuten later arriveerde [naam 1] . Door wie hij op de hoogte was gesteld van de brand, weet ik niet. Ik kan mij nog herinneren dat ik buiten heb gesproken met iemand van de stichting Salvage. Zijn naam zou ik niet meer kunnen noemen, maar ik hoor u zeggen dat het de heer [naam 2] is geweest. (…) Hij vroeg mij of er onderdak geregeld moest worden (…) Ik heb hem geantwoord dat ik zelf zal kijken of ik onderdak kon regelen voor de huurder, de heer [huurder] . Ik heb de heer [naam 2] gezegd dat de woning werd gehuurd door een Hongaarse meneer en dat voor deze man onderdak geregeld moest worden. Zoals gezegd zou ik dat laatste zelf doen. (…) U wijst mij erop dat de heer [naam 2] in zijn melding heeft opgenomen: “diverse (Poolse) arbeiders (onverzekerd) kunnen niet in de woning verblijven en zullen via hun werkgever/tussenpersoon elders worden ondergebracht.” Ik kan die opmerking niet plaatsen. Ik heb dit niet gezegd. Volgens mij heeft de heer [naam 2] ook alleen met mij gesproken over de opvang van de bewoner/huurder. Ik heb niet aan [naam 1] gevraagd of hij met de man van Salvage heeft gesproken. Na de brand heb ik nooit meer wat vernomen van [huurder] . Ik weet dat [naam 1] hem nog wel een keer heeft gezien. [naam 1] heeft [huurder] nog onderdak gegeven. Verder was het zo dat [huurder] zou weggaan en dat hij nog wat huur moest betalen. [naam 1] was degene die [huurder] daar op mijn verzoek op aanspraak. Hij kon vervolgens bij [huurder] aandringen op betaling of de huur inhouden op zijn loon. (…)

Het is wel voorgekomen dat het pluimveebedrijf de huur aan mijn vader betaalde in naam van [huurder] . (…) Het is ook wel een keer voorgekomen dat de huur contant werd betaald door meneer [huurder] . Dat gebeurde incidenteel.

Ik kan me nog herinneren dat ik kort na de brand door de woning ben gelopen met de heer [naam 3] . (…) [naam 1] was daar volgens mij niet bij. (…) U houdt mij een stukje voor uit de verklaring van de heer [naam 3] . Hij heeft op 18 april 2018 verklaard dat ik met iemand anders naar de woning kwam en dat wij buiten hebben gewacht op de man die over de voordeursleutel beschikte. Die man vertelde dat hij [naam 1] heette en zou ons in de woning hebben gelaten. Ik verbaas mij over deze verklaring. Zoals gezegd was [naam 1] er volgens mij helemaal niet bij. Overigens had ik zelf een reservesleutel bij me. Die sleutel was niet nodig, want we konden zo het pand inlopen. De voordeur was geforceerd. (…)

Ik heb nooit geconstateerd dat er meerdere mensen in de woning woonden.”

2.13.

[eiser] heeft de opstalverzekering nog steeds bij Noordhollandsche lopen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat de schadegebeurtenis valt onder de dekking van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst;

II. veroordeling van Noordhollandsche tot betaling aan [eiser] van de schade die het gevolg is van de schadegebeurtenis, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. veroordeling van Noordhollandsche in de proces- en nakosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag.

De schade die door de brand is geleden, is schade die door de opstalverzekering wordt gedekt. Noordhollandsche heeft dekking ten onrechte geweigerd. Van een met de clausule strijdig gebruik van de woning is namelijk geen sprake. Voor zover [eiser] de clausule wel heeft geschonden, heeft te gelden dat het beroep van Noordhollandsche op de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

in reconventie

3.3.

Noordhollandsche vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. toewijzing van de vorderingen van Noordhollandsche als gegrond en bewezen;

II. een verklaring voor recht dat de verzekeringsovereenkomst binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis wordt beëindigd;

III. veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten.

3.4.

Aan haar vordering legt Noordhollandsche ten grondslag dat de verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 11 algemene voorwaarden kan worden beëindigd omdat [eiser] heeft gefraudeerd.

in conventie en in reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer. Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Dekking - clausule geschonden?

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Noordhollandsche onder de opstalverzekering dekking moet verlenen voor de schade die door de brand is ontstaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Noordhollandsche terecht de uitkering van schade heeft geweigerd met een beroep op de clausule.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat dekking op grond van de clausule is uitgesloten als de woning wordt gebruikt voor kamerverhuur, seizoenarbeiders in de woning worden gehuisvest en/of als de woning wordt verhuurd aan organisaties of personen die de woning onderverhuren. Gelet op de wijze waarop de clausule is geformuleerd, is het aan Noordhollandsche om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een met de clausule strijdig gebruik van de woning.

4.3.

Noordhollandsche stelt dat de woning werd gebruikt voor kamer- en/of onderverhuur aan seizoenarbeiders. Dat dit zo is, blijkt volgens Noordhollandsche onder meer uit het salvage-rapport, het I-Tek rapport en de verklaringen die in het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd.

4.4.

[eiser] betwist dat die conclusie uit de rapporten en de getuigenverklaringen is te trekken. Daarbij beroept [eiser] zich op de met [huurder] gesloten huurovereenkomst, waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de woning aan [huurder] wordt verhuurd en onderverhuur niet is toegestaan. Dat [huurder] zich daaraan heeft gehouden blijkt volgens [eiser] uit de als productie 12 bij dagvaarding overgelegde verklaring, die - aldus [eiser] - door [huurder] is ondertekend. In deze verklaring is te lezen dat incidenteel een vriend bij [huurder] bleef slapen, maar dat van onderverhuur of kamerverhuur geen sprake is geweest. Verder staat in deze verklaring dat [huurder] de huur steeds volledig heeft betaald en de kamers in de woning niet afsluitbaar waren.

4.5.

De rechtbank is met Noordhollandsche van oordeel dat de huurovereenkomst die [eiser] met [huurder] heeft gesloten [eiser] niet kan baten. Bij de beoordeling van de vraag of een met de clausule strijdig gebruik van de woning heeft plaatsgevonden is namelijk de feitelijke situatie doorslaggevend en is de inhoud van de huurovereenkomst van ondergeschikt belang.

4.6.

Dat die feitelijke situatie ten tijde van de brand zo was dat de woning niet alleen door [huurder] maar ook door meerdere andere personen werd bewoond, is af te leiden uit de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

4.6.1.

[naam 2] , die als salvage-coördinator op de avond van de brand ter plaatse was, heeft immers verklaard dat hij in verschillende kamers bedden heeft zien staan en matrassen heeft zien liggen waarop beddengoed lag. Verschillende kamers waren volgens de verklaring van [naam 2] ingericht. In één van de kamers heeft [naam 2] een grote Poolse vlag zien hangen, terwijl niet in geschil is dat [huurder] van Hongaarse afkomst is. [naam 2] heeft verklaard dat zijn indruk dan ook was dat meerdere mensen in de woning verbleven.

4.6.2.

Ook [naam 3] heeft verklaard dat hij - een dag na de brand - meerdere matrassen in verschillende kamers van de woning heeft zien liggen. In de kamers lagen volgens [naam 3] bovendien persoonlijke spullen. Zo heeft [naam 3] in twee verschillende vertrekken een bekertje met tandenborstel(s) gezien.

4.6.3.

Uit de verklaring van [naam 4] is eveneens af te leiden dat - overeenkomstig zijn bevindingen zoals neergelegd in het I-Tek rapport - meerdere kamers in de woning als slaapkamer waren ingericht en gebruikt.

4.6.4.

[naam 5] , die niet in de woning is geweest, heeft verklaard dat hij na de brand via [naam 1] telefonisch contact met [huurder] heeft gehad. Volgens de verklaring van [naam 5] , die overeenkomt met wat daarover in het I-Tek rapport staat, heeft [huurder] hem verteld dat hij ten tijde van de brand samen met twee andere mannen in de woning woonde.

4.6.5.

Dat [zoon eiser] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat hij nooit heeft geconstateerd dat er meerdere mensen in de woning woonden, doet aan de hiervoor vermelde getuigenverklaringen niet af. [zoon eiser] is namelijk volgens zijn verklaring ter comparitie in de periode 1 januari 2014 tot 1 november 2016 maar drie of vier keer in de woning is geweest.

4.7.

[eiser] merkt terecht op dat bewoning door meerdere personen nog niet betekent dat de clausule is geschonden. Dat is namelijk pas het geval als de woning wordt gebruikt voor kamerverhuur, seizoenarbeiders in de woning worden gehuisvest en/of als de woning wordt verhuurd aan organisaties of personen die de woning onderverhuren. Bij de beoordeling hiervan is het volgende van belang.

4.7.1.

Uit de verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] is af te leiden dat verschillende kamers werden bewoond. Volgens deze verklaringen waren in meerdere kamers slaapplaatsen gemaakt die, gezien het aangetroffen beddengoed en de persoonlijke spullen, ook als zodanig werden gebruikt.

4.7.2.

Volgens de verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] konden de deuren van de kamers op slot. Op foto’s die door [naam 4] zijn gemaakt en zijn opgenomen in het I-Tek rapport is duidelijk te zien dat het gaat om hangsloten die aan de buitenkant van de deuren (in het deurkozijn) zijn bevestigd. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand dat slaapkamerdeuren van een woning waar één persoon woont op deze manier (alleen van de buitenkant en niet van binnen) op slot kunnen worden gedaan. Kamerdeuren die met hangsloten alleen vanaf de buitenkant kunnen worden afgesloten, passen veel meer bij kamerverhuur.

4.7.3.

[naam 5] heeft niet alleen verklaard dat [huurder] tijdens het telefoongesprek tegen hem heeft gezegd dat hij samen met twee andere mannen in de woning woonde, maar ook dat hij de huur van € 1.000 per maand niet helemaal zelf hoefde te betalen en dat de huur onder de bewoners werd verdeeld. Deze getuigenverklaring die net als de getuigenverklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] op grond van artikel 192 lid 1 Rv dezelfde bewijskracht heeft als wanneer zij in deze procedure zou zijn afgelegd, staat lijnrecht tegenover de schriftelijke verklaring die door [huurder] zou zijn ondertekend. In die schriftelijke verklaring staat namelijk dat [huurder] steeds de volledige huur heeft betaald en dat geen sprake is van onderverhuur of kamerverhuur (zie r.o. 4.4). De betrouwbaarheid van deze door de gemachtigde van [eiser] opgestelde verklaring moet echter in twijfel worden getrokken. Volgens deze verklaring heeft [huurder] namelijk ook verklaard dat slechts incidenteel een vriend bij hem bleef slapen en dat de kamers in de woning niet afsluitbaar waren. Dat dit niet waar is, blijkt uit wat hiervoor is overwogen. De rechtbank laat de getuigenverklaring van [naam 5] dan ook prevaleren boven de schriftelijke verklaring van [huurder] . Dat geldt ook voor de getuigenverklaring van [zoon eiser] waarin staat dat [huurder] de huur van € 1.000 per maand betaalde. De rechtbank kent daaraan weinig gewicht toe. [zoon eiser] is niet alleen naaste familie van partij [eiser] , maar zijn verklaring over de huurbetaling is niet onderbouwd met betalingsbewijzen en is bovendien niet eenduidig. [zoon eiser] heeft namelijk verklaard dat de huur van € 1.000 per maand altijd netjes door [huurder] via de bank werd betaald om vervolgens te verklaren dat het ook is voorgekomen dat de huur via het pluimveebedrijf van [naam 1] in naam van [huurder] werd betaald of incidenteel contant.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met Noordhollandsche van oordeel dat op grond van de getuigenverklaringen van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] in onderling verband en samenhang bezien alsmede op grond van het I-Tek rapport aangenomen moet worden dat de woning werd gebruikt voor kamerverhuur en/of werd onderverhuurd. Dit betekent dat [eiser] op grond van de clausule geen rechten aan de polis kan ontlenen.

Beroep op de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

4.9.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het beroep van Noordhollandsche op de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.10.

Het enige dat [eiser] daartoe stelt is dat de brand is ontstaan door een defect en/of mankement op de printplaat van de combi-ketel op zolder en dat deze brandoorzaak niets te maken heeft met de in de clausule verboden kamerverhuur.

4.11.

[eiser] heeft de stelling van Noordhollandsche dat de clausule een primaire dekkingsomschrijving betreft - terecht - niet betwist. Noordhollandsche wordt gevolgd in haar verweer dat een beroep op deze primaire dekkingsomschrijving niet met succes kan worden afgeweerd met de stelling dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is met als argument dat de redenen waarom de verzekeraar dit soort evenementen niet wil verzekeren zich in het concrete geval niet voordoen (vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435). Met de clausule heeft Noordhollandsche de grenzen omschreven waarbinnen zij bereid is dekking te verlenen. Dat stond haar vrij. Het beroep van [eiser] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt dus.

Slotsom conventie, proces- en nakosten

4.12.

De slotsom is dat Noordhollandsche zich kan beroepen op de clausule en niet verplicht is dekking te verlenen voor de schade die door de brand is ontstaan. De vorderingen onder 3.1.I en 3.1.II zullen dus worden afgewezen. Daarmee hoeven de overige verweren van Noordhollandsche niet meer te worden besproken.

4.13.

Omdat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen, zal hij in conventie in de proceskosten - die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen - worden veroordeeld. De kosten aan de kant van Noordhollandsche tot op vandaag worden begroot op € 4.169,92. Dat bedrag bestaat uit een bedrag van € 73,92 aan verschotten, griffierecht van € 1.924 en een bedrag van € 2.172 (4 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

4.14.

De nakosten en de over de proceskosten onweersproken gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

in reconventie

4.15.

Niet in geschil is dat de verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 11 sub b algemene voorwaarden kan worden beëindigd als wordt gefraudeerd. Volgens artikel 11 sub a algemene voorwaarden is sprake van fraude als de verzekerde of belanghebbende niet eerlijk vertelt wat er is gebeurd of wat de omstandigheden waren. Omdat de woning is gebruikt voor kamerverhuur en [eiser] dan wel [zoon eiser] niet eerlijk heeft verteld wie er in de woning woonden, is volgens Noordhollandsche sprake van fraude.

4.16.

[eiser] voert aan dat hij - en dat geldt ook voor zijn zoon - niet wist dat sprake is van kamer- en of onderverhuur en betwist dan ook te hebben gefraudeerd.

4.17.

Dat [eiser] heeft gefraudeerd, heeft Noordhollandsche naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd gesteld. Hoewel de woning is gebruikt voor kamer- en/of onderverhuur, blijkt nergens uit dat Noordhollandsche hierover (namens) [eiser] willens en wetens onjuist is geïnformeerd. Noordhollandsche licht dit ook niet concreet toe.

Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat het feit dat Noordhollandsche op goede gronden dekking heeft geweigerd niet zonder meer betekent dat [eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan fraude. De gevorderde beëindiging van de verzekeringsovereenkomst zal daarom worden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering onder 3.3.I, die zelfstandige betekenis mist.

Proceskosten

4.18.

Omdat de vorderingen van Noordhollandsche zullen worden afgewezen, zal zij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de kant van [eiser] tot op vandaag worden begroot op € 543 (2 punten x tarief II x factor 0,5) aan salaris advocaat.

4.19.

De over de proceskosten onweersproken gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van Noordhollandsche tot op vandaag bergroot op € 4.169,92, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de kant van Noordhollandsche begroot op € 157 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

in reconventie

5.4.

wijst het gevorderde af,

5.5.

veroordeelt Noordhollandsche in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot op vandaag begroot op € 543, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op

21 augustus 2019.

type: NMB

coll: