Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:698

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3370
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges. Verweerder mocht uitgaan van de door eiseres opgegeven aannemingssom. Rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of normblad op juiste wijze bekend is gemaakt. Publicatie van NEN-normen hoeft niet in alle gevallen plaats te vinden. Publicatie van UAV 1989 en UAV 2012 zijn op een voldoende toegankelijke en kenbare wijze gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/3370 en HAA 17/3371

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2019 in de zaken tussen

[X] , gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.F. van der Muur RT),

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

HAA 17/3370

Verweerder heeft met dagtekening 9 januari 2013 aan eiseres een aanslag (nummer [# 1] ) leges (hierna: aanslag I) opgelegd ten bedrage van € 65.760 voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van 20 appartementen en 5 grondgebonden woningen aan [a] .

Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2016 (de rechtbank begrijpt: 2017) (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

HAA 17/3371

Verweerder heeft met dagtekening 1 november 2012 aan eiseres een aanslag (nummer [# 2] ) leges (hierna: aanslag II) opgelegd ten bedrage van € 28.401,39 voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het plaatsen van 14 dakopbouwen aan de [b] .

Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2016 (de rechtbank begrijpt: 2017) (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

HAA 17/3370 en HAA 17/3371

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld.

Verweerder heeft in elk van de zaken een afzonderlijk verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019 te Haarlem. De zaken met bovengenoemde rolnummers zijn gelijktijdig behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde vergezeld van [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Hendriks.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 27 juli 2011 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van 20 appartementen en 5 grondgebonden woningen aan [a] . Eiseres heeft hierbij een bedrag van € 2.100.000 aan bouwkosten opgegeven.

2. Verweerder heeft aan eiseres aanslag I opgelegd voor het in behandeling nemen van de hiervoor onder 1 genoemde aanvraag.

3. Eiseres heeft op 16 maart 2012 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van 14 dakopbouwen aan de [b] . Eiseres heeft hierbij een bedrag van € 1.494.783 aan bouwkosten opgegeven.

4. Verweerder heeft aan eiseres aanslag II opgelegd voor het in behandeling nemen van de hiervoor onder 3 genoemde aanvraag. Aanslag II is verzonden aan eiseres op 9 januari 2013.

5. Op grond van artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van Leges 2011 voor de gemeente Oostzaan (hierna: de verordening 2011) worden onder de naam “leges” rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Op grond van artikel 3 van de verordening 2011 is belastingplichtig de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

Op grond van artikel 4 van de verordening 2011 worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Op grond van artikel 2, onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2012 voor de gemeente Oostzaan (hierna: de verordening 2012) worden onder de naam “leges” rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten een en ander genoemd in de verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Op grond van artikel 3 van de verordening 2012 is belastingplichtig de aanvrager van de dienst of van de Nederlandse identiteitskaart, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of handelingen zijn verricht

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de verordening 2012 worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Op grond van onderdeel 6.1.2 van zowel de tarieventabel, behorende bij de verordening 2011 als 2012 zijn bouwkosten:

“de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan en derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;”

6. Eiseres heeft bij brief van 4 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen.

Geschil

7. In geschil is of de aanslagen I en II terecht zijn opgelegd.

8. Eiseres stelt het volgende. Het tijdstip van de beëindiging van de heffing is noch in de verordening 2011 noch in de verordening 2012 vermeld waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 217 van de Gemeentewet. De verordeningen zijn derhalve in hun geheel onverbindend. De bij de verordeningen behorende bijlage “Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989” (hierna: UAV 1989) dan wel “Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en technische installatiewerken 2012 (hierna: UAV 2012) zijn gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669) niet op de in de artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dit heeft ook te gelden voor het normblad NEN 2631. De heffingsmaatstaf is derhalve niet overeenkomstig artikel 217 van de Gemeentewet in de verordeningen vermeld. De gemeentelijke regelingen op grond waarvan de bouwkosten kunnen worden bepaald zijn derhalve onverbindend.

Eiseres verzoekt ten slotte, indien de rechtbank niet zelfstandig tot het oordeel komt dat sprake is van strijd met voornoemde artikelen van de Gemeentewet, de door haar gestelde strijd met de artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet voor te leggen aan de Hoge Raad in de vorm van een prejudiciële vraag. Ter zitting heeft eiseres ten slotte gewezen op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 december 2018 met kenmerk 16/00105, in het bijzonder rechtsoverweging 5.4 van die uitspraak. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden besluiten en de aanslagen I en II.

9. Verweerder voert het volgende aan. Voor de berekening van de legesbedragen voor het plaatsen van de 14 dakopbouwen respectievelijk de bouw van 20 appartementen en 5 grondgebonden woningen is aangeknoopt bij de door eiseres opgegeven bouwkosten van € 1.494.783 respectievelijk € 2.100.000. Voor het plaatsen van de 14 dakopbouwen kwamen de bouwkosten overeen met de daadwerkelijke aanneemsom terwijl de daadwerkelijke aanneemsom voor de bouw van 20 appartementen en 5 grondgebonden woningen uiteindelijk € 2.147.500 heeft bedragen. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 juni 2015 geoordeeld dat wanneer de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar NEN-normen, aan de vereisten omtrent publicatie is voldaan indien de gemeente die normen bekendmaakt door terinzagelegging op de wijze die in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet is voorzien voor bijlagen, en desgevraagd papieren afschriften van die normen verstrekt tegen betaling van bedragen die niet hoger zijn dan de tarieven die de gemeente hanteert voor het verstrekken van papieren afschriften van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Of aan deze voorwaarden is voldaan is volgens de Hoge Raad niet relevant wanneer wordt aangesloten bij de hoogte van de aannemingssom. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 2 van zowel de verordening 2011 als 2012 volgt dat de legesheffing een zogenoemde tijdstipheffing is. Dit houdt in dat voor de belastingplicht uitsluitend van belang is het tijdstip waarop een aanvraag voor een door het gemeentebestuur te verstrekken dienst of te verrichten handeling is ingediend en in behandeling is genomen. Bij tijdstipheffingen als de onderhavige is derhalve, anders dan bij een tijdvakheffing, niet noodzakelijk dat in de belastingverordening het tijdstip van beëindiging van de heffing is vermeld. Het rechtszekerheidsbeginsel noopt niet tot een dergelijke overgangsregeling. Deze grief van eiseres treft derhalve geen doel.

12. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat de bij de legesverordening 2011 en 2012 behorende bijlage UAV 1989 respectievelijk UAV 2012, alsmede het normblad NEN 2631 niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, overweegt de rechtbank dat de artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet eisen stellen aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven. In een geval waarin de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar NEN-normen, is aan voormelde eisen voldaan indien de gemeente die normen bekend maakt op de wijze die in artikel 139 van de Gemeentewet is voorzien, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669).

In elk van de tarieventabellen, behorende bij de verordening 2011 en 2012 (hierna: de tarieventabel) worden de tarieven weergegeven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Uit de tarieventabel blijkt verder dat het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de bouwkosten voor het uit te voeren werk. Uit de omschrijving van het begrip bouwkosten in de tarieventabel, zoals hierboven onder punt 5 opgenomen, leidt de rechtbank af dat hiermee is beoogd voor de bepaling van de heffingsmaatstaf zo veel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen omtrent de aannemingssom is komen vast te staan. De uitzonderingsbepaling omtrent de raming van de bouwkosten moet derhalve beperkt worden toegepast. De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015, waarin in overweging 2.3.4. het volgende is overwogen:

Met deze regeling is klaarblijkelijk beoogd voor de bepaling van de heffingsmaatstaf zo veel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen omtrent de aannemingssom is komen vast te staan. De uitzonderingsbepaling omtrent de raming van de bouwkosten moet derhalve beperkt worden toegepast. Bij de beslissing over de hoogte van de verschuldigde leges dient in het licht daarvan te worden uitgegaan van de werkelijke aanneemsom, ook indien deze eerst is vastgesteld nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan.”

13. De rechtbank zal derhalve eerst de vraag beantwoorden of de bouwkosten in het onderhavige geval zijn vastgesteld op de aannemingssom, zoals door verweerder bepleit, of aan de hand van een raming van de bouwkosten. Uit de gedingstukken blijkt dat eiseres aanvankelijk een bedrag van € 2.100.000 heeft opgegeven bouwkosten voor de bouw van de 20 appartementen en de 5 grondgebonden woningen. De uiteindelijke bouwsom voor dit bouwplan hebben € 2.147.500 bedragen. Voor het plaatsen van de 14 dakopbouwen heeft eiseres een bedrag van € 1.494.783 aan bouwkosten opgegeven. Verweerder heeft de hoogte van deze door eiseres zelf opgegeven kosten niet bestreden en heeft deze bij het opleggen van de aanslagen gevolgd, met dien verstande dat verweerder bij het opleggen van aanslag I is uitgegaan van € 2.100.000 aan bouwkosten, hetgeen niet in het nadeel is geweest van eiseres.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de bepaling van de heffingsmaatstaf overeenkomstig de tarieventabel mocht uitgaan van de door eiseres opgegeven aannemingssom. Er is geen sprake van een raming van de bouwkosten omdat een aannemingssom ontbreekt, aangezien eiseres de laatste kennelijk bij de aanvraag zelf heeft opgegeven. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan de beoordeling of normblad NEN 2631, op een juiste wijze bekend zijn gemaakt.

Anders dan eiseres, leest de rechtbank in bovengenoemd arrest van de Hoge Raad van

19 juni 2015 niet dat de bekendmaking van de NEN-normen, wanneer daarnaar in de verordeningen in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf wordt verwezen, te allen tijde en dus ook in situaties waarin deze normen de belastingheffing feitelijk niet raken, moet worden getoetst, immers de Hoge Raad heeft in voornoemd arrest geoordeeld dat in het midden kan blijven of ten aanzien van de NEN-norm 2631 aan de voorwaarden van artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet was voldaan. Als de bekendmaking van de NEN-norm 2631 daadwerkelijk, zoals eiseres heeft betoogd, te allen tijde zou moeten worden getoetst, had de Hoge Raad dat naar het oordeel van de rechtbank namelijk ook in die zaak gedaan en de verordening voor zover het de toepassing van deze NEN-norm betreft – zo nodig – onverbindend verklaard.

15. Ten aanzien van de UAV 1989 stelt de rechtbank vast dat deze zijn gepubliceerd in de Staatscourant: https://www.bouwendnederland.nl/download.php?itemID=29003 .

Ten aanzien van de UAV 2012 stelt de rechtbank vast dat deze in de Staatscourant jaargang 2012, nr. 1567, bekend zijn gemaakt. Op internet zijn de UAV 2012 te vinden op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1567.html en op: http://wetten.overheid.nl/BWBR0031190/2012-03-01#SlotformulierEnOndertekening .
Gelet hierop zijn de toegankelijkheid en kenbaarheid van zowel de UAV 1989 als de UAV 2012 naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd. Het is dan ook niet vereist dat de gemeente een op voormelde wijze algemeen toegankelijk en beschikbaar document nogmaals (digitaal) publiceert. Een belastingplichtige kan aan de hand van de verordening, de UAV 1989 en de UAV 2012 de maatstaf van heffing bepalen, zodat van onverbindendheid van de verordening 2011 noch 2012 op dit punt sprake is.

16. Nu sprake is geweest van het in behandeling nemen van een tweetal aanvragen om een omgevingsvergunning van eiseres, hebben zich de belastbare feiten zoals bedoeld in de verordeningen 2011 en 2012 voorgedaan zodat verweerder bevoegd was leges van eiseres te heffen. Eiseres heeft tegen de (hoogte van de) leges verder geen bezwaren aangevoerd. De rechtbank oordeelt dat verweerder de van eiseres geheven leges bij de bestreden besluiten I en II terecht heeft gehandhaafd. De aanslag I en II zijn derhalve eveneens terecht aan eiseres opgelegd.

Verzoek om prejudiciële vraag

17. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen af.

18. Op grond van bovenstaande overwegingen zijn de beroepen ongegrond.


Proceskosten.

19. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, en mr. F. Kleefmann en mr. T.N. van Rijn, leden, in aanwezigheid van R. van der Vecht, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.