Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6932

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
C/15/283401 / HA ZA 19-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen beroepsfout advocaat. De advocaat had het Hof niet hoeven wijzen op de Europese Overeenkomst betreffende het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, op grond waarvan het Hof aan het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie een verzoek om informatie met betrekking tot de inhoud van het Russische recht had kunnen richten. Het Hof had namelijk de vrijheid de keuze maken het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te verzoeken om advies over het Russisch recht. Aan de advocaat kan evenmin de eis gesteld worden diepgaand onderzoek te verrichten naar de juistheid van de bevindingen en conclusies van het IJI. Slechts als een rapport van het IJI evidente misslagen of inconsistenties zou bevatten, mag van een advocaat worden verlangd dat hij die onder de aandacht van de rechter brengt. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/283401 / HA ZA 19-26

Vonnis van 14 augustus 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse,

tegen

[gedaagde] ,

domicilie hebbende te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. V.J.N. van Oijen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 december 2018 met producties 1 t/m 14;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 19;

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2019;

  • -

    de brief van 24 mei 2019 met bijlage van mr. Heijmeriks;

  • -

    de brief van 11 juni 2019 met bijlagen van mr. Heijmeriks;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2019 en de daarin genoemde comparitie-aantekeningen mr. Heijmeriks en mr. Van Oijen;

  • -

    de brief van 26 juni 2019 van mr. Heijmeriks betreffende het proces-verbaal,

  • -

    de brief van 27 juni 2019 van mr. Van Oijen betreffende het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 1 november 1999 gehuwd met de heer [naam] [eiseres] had tijdens het huwelijk van partijen een appartement in eigendom te Moskou, gelegen aan [adres] (hierna: het appartement).

2.2.

[eiseres] heeft op 2 november 2013 een koopovereenkomst getekend waarbij zij het appartement verkocht heeft aan een vriendin van haar, [naam vriendin] voor een koopsom van 600.000 roebel (destijds circa € 13.756,00). In deze koopovereenkomst is (vertaald uit het Russisch) – voor zover relevant – opgenomen:

“(…)

9. De KOPER verkrijgt de eigendomsrechten op het appartement vanaf het moment van registratie van deze overeenkomst en de registratie van overdracht van de eigendomsrechten bij het Departement van de Federale rijksregistratie dienst, alsmede bij het Kadaster en de Cartografische dienst van Moskou.

(…)”

2.3.

De akte van levering van het appartement dateert van 3 november 2013.

2.4.

Op 13 mei 2014 heeft [eiseres] een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is op 16 september 2015 de echtscheiding uitgesproken tussen [eiseres] en [naam] . De rechtbank heeft in deze beschikking – voor zover relevant – het volgende overwogen:

“(…)

3.26 (…)

De rechtbank is dan ook met de man van oordeel dat de vrouw het appartement in Moskou thans nog haar eigendom is en dat het appartement deel uitmaakt van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van goederen van partijen.

3.27 (…)

De vrouw heeft gesteld dat de waarde van het appartement de waarde is waarvoor zij het verkocht heeft. De man stelt dat de waarde € 135.000 bedraagt. De rechtbank volgt het standpunt van de man. Uit zowel de stellingen van de man als die van de vrouw leidt de rechtbank af dat de verkoop van het appartement in 2013 niet reëel is of dat dat die ooit tot daadwerkelijke levering aan de koper zal leiden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verkoop van het appartement ten overstaan van de notaris heeft plaatsgevonden op 2 november 2013 en dat de overdracht tot op heden niet heeft plaatsgevonden. De vrouw heeft bovendien op geen enkele wijze inzicht gegeven in het antwoord op de vraag of en wanneer het appartement overgedragen gaat worden. Daar komt bij dat de vrouw ter zitting heeft erkend dat de koper van het appartement een goede vriendin van de vrouw is. Tenslotte weegt mee dat is komen vast te staan dat de verkoopprijs van het appartement, 600.000 roebel (destijds circa € 13.756,-), geen reële marktprijs voor het appartement is. De vrouw stelt weliswaar dat het appartement is getaxeerd voor een bedrag 228.117 roebel 73 kopeken, maar de vrouw heeft zelf ter zitting erkend dat dit een minimumbedrag is waarvoor het appartement verkocht moet worden. Verkoop onder dat bedrag is niet toegestaan. Verkoop daarboven wel. De rechtbank gaat voor de bij de verdeling te hanteren waarde van het appartement daarom uit van de (huidige) marktwaarde van het appartement. Nu de vrouw de waarde van de man van € 135.000 verder niet weersproken heeft, zal de rechtbank de waarde van het appartement vaststellen op € 135.000. (…)

3.28

De rechtbank zal het eigendom van het appartement in Moskou toedelen aan de vrouw, voor een waarde van € 135.000, waarbij de vrouw de helft van de waarde aan de man dient te vergoeden.

(…)”

2.5.

[gedaagde] heeft namens [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) tegen voornoemde beschikking. Tijdens de gehele procedure in hoger beroep is [eiseres] bijgestaan door [gedaagde] als advocaat. [gedaagde] heeft namens [eiseres] het verzoekschrift in hoger beroep (met producties) ingediend waarin – voor zover relevant – is opgenomen:

“(…)

10. (…) De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat dat geen reële marktprijs voor het appartement is en is vervolgens voor de verdeling uitgegaan van een totaal uit de lucht gegrepen waarde van € 135.000,-. (…)

14. Op grond van vorenstaande is het appartement – ver – voor de echtscheiding (…) verkocht en geleverd voor de prijs van (omgerekend) € 13.756,-. Van dit bedrag is niets over. Van enige verdeling c.q. verrekening betreffende de ontvangen koopprijs van het appartement kan dan ook geen sprake zijn.

(…)”

2.6.

[gedaagde] heeft tevens een verweerschrift tegen het beroepschrift in incidenteel appel van [naam] ingediend waarin – voor zover relevant – is opgenomen:

“(…)

8. De man stelt in punt 5. van zijn verweerschrift dat de man – overigens pas ter zitting op de rechtbank – heeft gesteld dat de werkelijke waarde van het appartement in Moskou € 135.000,-, hetgeen niet door de vrouw zou zijn weersproken. De vrouw ontkent dat zij dit niet zou hebben weersproken. (…)

9. (…) Volgens de vrouw is die prijs met het oog op het betreffende appartement volkomen irreëel. De staat van het appartement is immers, naast de locatie, net zo doorslaggevend voor de waarde c.q. prijs. De vrouw betwist hierbij andermaal dat de namens de man aangevoerde internetgegevens kunnen strekken tot enig bewijs van de werkelijke waarde. Daarbij betwist de vrouw nogmaals nadrukkelijk dat zij deze waarde niet zou hebben weersproken

(…)”

2.7.

Op 7 maart 2016 heeft [gedaagde] een rolbericht gestuurd naar het hof met als productie de resultaten van een handschriftexpertise. Op 10 maart 2016 is de zaak in hoger beroep ter terechtzitting behandeld. Daarbij heeft [gedaagde] comparitie-aantekeningen overgelegd. In die aantekeningen is – voor zover relevant – opgenomen:

“(…)

Er zijn meerdere stukken overgelegd, waaruit de koopprijs blijkt, namelijk 600.000 roebel (€ 13.756,-). (…)

Van de koopprijs is niets over, ook daarvoor verwijs ik naar de processtukken. Van enige verdeling c.q. verrekening betreffende het appartement is dan ook geen sprake. De rechtbank heeft dit ten onrechte bepaald. (…)

Afgelopen maandag heb ik u nog de uitslag van de handschrift-expertise (…) gestuurd van het stuk dat namens de man als productie 25 is overgelegd. (…)

De vrouw betwist ten stelligste dat zij deze verklaring zou hebben geschreven, hetgeen gestaafd wordt door de uitslag van het onderzoek; de conclusie is dat de handgeschreven tekst niet door mevrouw, maar door een ander persoon is geschreven.

(…)”

2.8.

Op 26 april 2016 heeft het hof een tussenbeschikking gegeven waarin – voor zover relevant – is opgenomen:

“(…)

4.10

De hiervoor geciteerde bepalingen uit het Russisch BW geven geen eenduidig antwoord op de vraag wanneer tussen de partijen bij het koopcontract – de koper en de verkoper – de eigendomsoverdracht van het appartement heeft plaatsgevonden. Het hof is voornemens het Internationaal Juridisch Instituut (hierna het IJI), Spui 186, 2511 BW ’s-Gravenhage tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de hieronder geformuleerde vragen:

1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontact (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:

- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte

- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?

2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?

3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van het koopcontract?

(…)”

2.9.

Op 14 februari 2017 heeft het hof van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) het concept-rapport ontvangen. In dat rapport is – voor zover relevant – opgenomen:

“(…)

5. Conclusie

Ui de geraadpleegde rechtsliteratuur maken wij op dat de koopovereenkomst inzake onroerend goed schriftelijk dient te worden aangegaan en dat registratie daarvan vereist is. De koopovereenkomst is niet perfect zolang het schriftelijk koopcontract niet is geregistreerd (artikel 433 lid 2 CC). De koopovereenkomst is niet translatief. Voor de levering is een aparte rechtshandeling vereist, te weten het opstellen van een leveringsakte en de registratie daarvan (artikel 223 CC, artikel 551 CC en artikel 556CC). Zowel tussen partijen als ten opzichte van derden gaat de eigendom pas over van de verkoper op de koper nadat inschrijving heeft plaatsgevonden. (artikel 223 lid 2 CC, artikel 551 lid 2 CC). Nu het om een appartement gaat dienen zowel de koopovereenkomst als de leveringsakte te worden ingeschreven (artikel 558 CC).

(…)”

2.10.

Op 23 maart 2017 heeft [gedaagde] voornoemd rapport gestuurd aan [eiseres] . In de begeleidende mail is onder andere opgenomen:

“(…)

Hierbij stuur ik jou het advies van het Internationaal Instituut aan het Gerechtshof. (…) Wij hebben nog de mogelijkheid om binnen twee weken opmerkingen te geven en eventuele vragen te stellen (uiterlijk 3 april a.s.). Laat mij maar weten als je nog vragen of opmerkingen hebt.

(…)”

2.11.

[eiseres] heeft hierop gereageerd bij e-mail met een bijgevoegde brief van 23 maart 2017:

“(…)

Kan ik opmerkingen doen alleen over het advies van de internationale instituut of de zaak in algemeen? Ik denk dat in dit geval de enige wat wij kunnen doen de verkoop prijs te betwisten.

(…)

Hoewel de flat was verkocht in 2013 (koopcontract). Officieel geregistreerd in 2015.

(…)

Het advies van de internationale instituut komt mij niet onverwacht over. Dat is vanaf begin was duidelijk registratie vereist is.

(…)

Wij kunnen een opmerking doen over de vraag 3.3. betreft artikel 9 van overeenkomst. In dit artikel gaat over de registratie van de eigendomsrechten. De eigendom dient geregistreerd te worden, maar de registratie termijnen in ons overeenkomst er zijn niet gespecificeerd. (overeengekomen).

(…)

Heeft u misschien opmerkingen over de advies van de internationale instituut?

(…)”

2.12.

Op voorgaande e-mail heeft [gedaagde] diezelfde dag gereageerd: “Wij kunnen alleen iets melden over het advies van het IJI zelf.”

2.13.

Bij brief van 30 maart 2017 heeft [gedaagde] – onder meer – aan het hof bericht:

“(…)

Het advies verrast de vrouw niet; zij wist al dat registratie van een koopovereenkomst alsmede de leveringsakte vereist is voor het totstandkomen van een rechtsgeldige koopovereenkomst. In de procedure bij uw hof heeft de vrouw dat ook al naar voren gebracht, maar daarbij aangegeven dat aan de registratie geen tijd is verbonden, tenzij partijen dat expliciet in de koopovereenkomst overeen zijn gekomen. In de betreffende koopovereenkomst is geen termijn voor registratie overeen gekomen.

(…)”

2.14.

Voornoemde brief heeft [gedaagde] op 30 maart 2017 per e-mail gestuurd aan [eiseres] . Vervolgens heeft het hof heeft op 9 mei 2017 (eind)uitspraak gedaan in hoger beroep. In deze beschikking is onder meer opgenomen:

“(…)

2.2. (…)

Het hof begrijpt uit de reacties van partijen dat zij geen van beiden een uitbreiding of een nadere toelichting door het IJI wensen. (…)

2.5. (…)

Dit brengt met zich dat niet worden vastgesteld dat (ook) de leveringsakte is ingeschreven. Het dient er daarom voor te worden gehouden dat dit niet het geval is, hetgeen moet leiden tot de conclusie dat [naam vriendin] noch op 14 oktober 2015 noch op enig moment voor die datum de eigendom van het appartement heeft verkregen. (…)

Op grond van het voorgaande moet dan ook worden geoordeeld dat het appartement op 13 mei 2014, de peildatum, deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap. (…)

2.6.

De man is van mening dat de vrouw het appartement aan hem heeft verbeurd, omdat zij het appartement opzettelijk heeft zoekgemaakt door het heimelijk te verkopen terwijl zij wist dat het tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde dan wel door het appartement fictief te verkopen (…)

2.7.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man als productie b25 een handgeschreven tekst in het geding gebracht die hij in de voormalig echtelijke woning heeft gevonden. (…)

2.8.

De vrouw betwist dat deze tekst door haar is geschreven. (…) De conclusie van het volgens het rapport uitgevoerde vergelijkende onderzoek van het handschrift van de vrouw en de voornoemde tekst luidt dat deze tekst niet door de vrouw, maar door een andere persoon is opgesteld. De vrouw betwist niet dat de man deze tekst in de echtelijk woning heeft gevonden. Gesteld noch gebleken is dat het de man is die deze tekst heeft geschreven dan wel dat zijnerzijds gesprekken hebben plaatsgevonden waarvan de tekst de weergave bevat. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de tekst notities bevat van een gesprek dat de vrouw met een derde (Dmitrij?) heeft gehad en dat, indien de vrouw deze notities niet heeft geschreven, deze derde of een andere betrokkene dat heeft gedaan. (…)

2.10. (…)

Zoals uit het hierna onder 2.13 overwogene volgt kan de in het koopcontract vermelde koopsom van 600.00 roebel/€ 13.756,- niet als een reële verkoopprijs worden aangemerkt. (…)

2.11.

Aan deze overwegingen verbindt het hof de volgende gevolgtrekkingen. Op de peildatum behoorde het appartement tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De vrouw heeft met de door haar (vóór en) na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap verrichte (rechts)handelingen met betrekking tot het appartement een constructie opgezet teneinde het appartement aan de verdeling te onttrekken. Daarmee heeft zij zich schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, met het oogmerk de man te benadelen. (…)

2.12.

Vast staat dat het appartement op de peildatum (13 mei 2014) deel uitmaakte van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Nadien is het door de vrouw op 2 november 2013 met [naam vriendin] gesloten koopcontract door registratie perfect geworden. Daarmee is voor de vrouw de verplichting tot levering van het appartement aan [naam vriendin] tot stand gekomen. Deze verplichting is de vrouw tot heden niet nagekomen. Gelet op de inhoud van de hiervoor vermelde handgeschreven tekst met gespreksnotities, met name hetgeen daarin onder 5 is vermeld, alsmede de hiervoor beschreven gang van zaken met betrekking tot de verkoop van het appartement, valt ernstig te betwijfelen of zij deze verplichting op enig moment alsnog zal nakomen. Eerder ligt het in de rede te veronderstellen dat het koopcontract op een daartoe door de vrouw geschikt moment zal worden ontbonden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de bestreden beschikking te vernietiging voor zover daarin is beslist dat het appartement aan de vrouw wordt toegedeeld.

2.13.

De man stelt dat de waarde van de woning € 135.000,- bedraagt en heeft daartoe twee (…) berekeningen in het geding gebracht. (…) Gelet op de twee uitgebreide en onderbouwde onafhankelijke berekeningen waarop de man de door hem gestelde waarde baseert, alsmede de door de vrouw niet weersproken stelling van de man dat partijen zich altijd goed op de hoogte hebben gehouden van de waarde (ontwikkeling) van onroerend goed in Moskou (…) zal het hof de door de vrouw gestelde waarde niet volgen. (…)

Het hof:

In principaal en incidenteel appel

bekrachtigt de beschikking van beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

bepaalt dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het appartement (…) heeft verbeurd aan de man;

(…)”

2.15.

Bij e-mail van 11 mei 2017 heeft [gedaagde] voornoemde beschikking aan [eiseres] toegestuurd. Op 16 mei 2017 heeft [gedaagde] [eiseres] verwezen naar een cassatieadvocaat, mr. Van Stratum . Op 18 mei 2017 heeft [gedaagde] mr. Van Stratum op de hoogte gesteld van het standpunt van [eiseres] dat het hof is uitgegaan van achterhaald Russisch recht.

2.16.

[eiseres] heeft zich vervolgens gericht tot een andere cassatieadvocaat, mr. H.J.W. Alt voor cassatieadvies. [eiseres] heeft geen cassatie ingesteld tegen voornoemde beschikking van het hof.

2.17.

Namens [eiseres] is [gedaagde] bij brief van 4 oktober 2017 aansprakelijk gesteld, welke aansprakelijkheid [gedaagde] van de hand heeft gewezen.

2.18.

[eiseres] heeft zich gewend tot de Russische advocaat mevrouw U.V. Deryabina . Bij brief van 31 juli 2018 heeft het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie aan U.V. Deryabina (vertaald) – onder meer – bericht:

“(…)

Daarnaast informeren wij u dat er in de relaties tussen de Russische Federatie en het Koninkrijk der Nederlanden een Europese Conventie voor informatie over buitenlandse wetgeving van 1968 (hierna de Conventie) van toepassing is.

(…)”

2.19.

Op 2 maart 2018 heeft U.V. Deryabina een ‘legal opinion’ geschreven, die is overgelegd bij dagvaarding. Daarin staat – onder andere – opgenomen:

“(…)

Before March 1, 2013, sales and purchase agreement for the apartment was subject to the state registration, and therefore was considered to be entered into from the time of such registration. The said registration has been cancelled from March 1, 2013, and the said agreement comes into force upon signature by the parties. (Federal Act of 30.12.2012 No. 302-FZ).

(…)”

2.20.

Op 23 april 2019 heeft advocaat Golubec Arkadiy Albertovich in opdracht van [eiseres] een ‘legal opinion’ opgesteld, waarin (vertaald) – onder meer – staat opgenomen:

“(…)

Rekening houdend met de geraadpleegde documenten en geleid door de bepalingen van de bovengenoemde wettelijke normen, in de redactie die van kracht was ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst onroerend goed, kan expliciet worden geconcludeerd dat het rapport van Het Internationaal Juridisch Instituut onjuist is.

In november 2013 was staatsregistratie van de koopovereenkomst niet vereist. De koopovereenkomst werd gesloten op 02.11.2013 en uitgevoerd op 03.11.2013, zodoende was het appartement al verkocht op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding (peildatum) op 13 mei 2014.

Zodoende komen de conclusies van de rechtbank en het gerechtshof, dat het appartement nog niet verkocht zou zijn op de datum van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding op 13 mei 2014, en aldus diende te worden verdeeld ten tijde van de rechtszaak, niet overeen met de werkelijke feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] haar taak als opdrachtnemer van [eiseres] onzorgvuldig heeft verricht althans dat zij onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, zijnde in hoofdsom € 135.000,00, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.945,11, wettelijke rente en de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] op een viertal punten tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht. De rechtbank zal deze gestelde beroepsfouten hierna achtereenvolgens bespreken.

4.2.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het handelen van [gedaagde] moet worden getoetst aan de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf, die inhoudt dat beoordeeld moet worden of [gedaagde] jegens [eiseres] heeft gehandeld als een goed opdrachtnemer en of zij de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

4.3.

In de eerste plaats verwijt [eiseres] [gedaagde] dat zij heeft nagelaten het Hof, naar aanleiding van de tussenbeschikking van 26 april 2016, te wijzen op de op 7 juni 1968 te Londen gesloten Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, krachtens welke Overeenkomst het Hof rechtstreeks aan het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie een verzoek om informatie met betrekking tot de inhoud van het Russische recht had kunnen richten. Door deze nalatigheid heeft [gedaagde] de mogelijkheid geopend dat het IJI een onjuist advies uitbracht aan het Hof, aldus [eiseres] .

4.4.

[gedaagde] heeft hier tegenover gesteld dat het weliswaar mogelijk is om langs de door [eiseres] aangegeven route inlichtingen over de inhoud van buitenlands recht te verkrijgen, maar dat hiervan in de praktijk door rechterlijke instanties weinig gebruik wordt gemaakt en dat die instanties in een dergelijke situatie veeleer het IJI inschakelen.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank treft dit verwijt van [eiseres] geen doel, aangezien het Hof, dat uiteraard bekend was met genoemde Europese Overeenkomst, waarnaar in artikel 67 Rv wordt verwezen, de vrijheid had om te bepalen op welke wijze hij zich over de inhoud van het Russische goederenrecht wilde laten voorlichten. Blijkens de tussenbeschikking heeft het Hof kennelijk de keuze gemaakt om zich te laten informeren door middel van een rapport van het IJI. Zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt is een keuze voor rapportage door het IJI in de praktijk overigens bepaald niet ongebruikelijk. Dit laatste brengt met zich dat, ook al zou [gedaagde] het Hof uitdrukkelijk op, kort gezegd, artikel 67 Rv. hebben gewezen, daarmee geenszins vaststaat (en [eiseres] stelt dat ook niet) dat het Hof voor die route zou hebben gekozen.

4.6.

Het tweede verwijt van [eiseres] aan [gedaagde] houdt in dat [gedaagde] het Hof niet heeft gewezen op een belangrijke onjuistheid in het concept-rapport van het IJI. In dat rapport zou namelijk over het hoofd zijn gezien dat door een wetswijziging per 1 maart 2013 registratie van de koopovereenkomst naar Russisch recht niet langer noodzakelijk was voor de eigendomsovergang van het appartement op de koper. De consequentie hiervan zou zijn dat het appartement in Moskou niet tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap zou behoren. Volgens [eiseres] had [gedaagde] moeten onderzoeken of de in het concept-rapport van het IJI neergelegde conclusies correct waren en in dat verband een of meer specialisten op het gebied van het Russische recht moeten inschakelen.

4.7.

Bij de beoordeling van dit verwijt stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde] terecht heeft gewezen op het bepaalde in artikel 10:2 BW, dat inhoudt dat het door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen (buitenlandse) recht door de rechter ambtshalve wordt toegepast. Het initiatief om helderheid te verkrijgen over de inhoud van toepasselijke buitenlandse rechtsregels wordt aldus gelegd bij de betrokken rechterlijke autoriteit, die dus ook bepaalt op welke wijze de relevante informatie wordt vergaard. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 4.5. is overwogen.

4.8.

In deze zaak heeft het Hof gekozen voor voorlichting door het IJI en het heeft die voorlichting kennelijk van zodanig niveau geacht dat hij die (mede) aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.

4.9.

Het gaat naar het oordeel van de rechtbank (veel) te ver, gelet op de hierboven onder 4.2. omschreven maatstaf, om in een dergelijke situatie aan een advocaat de eis te stellen dat hij een min of meer diepgaand onderzoek verricht naar de juistheid van de bevindingen en conclusies van een op het terrein van buitenlandse rechtsstelsels gespecialiseerde instelling als het IJI. Bovendien zou dan een op gespannen voet met artikel 10:2 BW staande taakverschuiving plaatsvinden van de rechterlijke autoriteit naar de advocaat waar het gaat om de vaststelling van de inhoud van buitenlands recht.

4.10.

Daarbij komt nog dat door [gedaagde] terecht de vraag is opgeworpen (welke vraag door [eiseres] onbeantwoord is gelaten) hoe [gedaagde] als niet met het Russische recht bekend zijnde advocaat de resultaten van een eventueel in opdracht van haar dan wel van haar cliënte verricht onderzoek naar de inhoud van het Russische (goederen)recht zou kunnen beoordelen c.q. afwegen tegen de uitkomsten van het IJI-onderzoek.

4.11.

Slechts in het geval dat een rapport van het IJI evidente (dat wil zeggen ook voor een niet in het Russische recht gespecialiseerde jurist kenbare) misslagen of inconsistenties (met name ten nadele van de eigen cliënt) zou bevatten, mag van een advocaat worden verlangd dat hij die onder de aandacht van de rechter brengt. In deze zaak is echter gesteld noch gebleken dat dergelijke misslagen of inconsistenties aan de orde zijn.

4.12.

Terzijde merkt de rechtbank op dat [eiseres] zelf blijkens haar brief/mail d.d. 23 maart 2017 (onderdeel van productie 14 bij dagvaarding) instemde met de thans aangevochten IJI-conclusie.

4.13.

Bij dit alles laat de rechtbank in het midden of de Russische wetgeving per 1 maart 2013 in de door [eiseres] gestelde zin is gewijzigd (artikel 9 van de door een notaris opgestelde koopovereenkomst lijkt namelijk in een andere richting te wijzen).

4.14.

In de derde plaats verwijt [eiseres] [gedaagde] dat zij onvoldoende heeft weersproken dat een handgeschreven notitie, waarop het Hof (mede) zijn beslissing tot toepassing (ten nadele van [eiseres] ) van artikel 3:194 lid 2 BW heeft gebaseerd, aan [eiseres] kon worden toegerekend. Met name zou [gedaagde] namens [eiseres] onvoldoende hebben weersproken dat de bewuste notitie door [naam] in de voormalige echtelijke woning is gevonden.

4.15.

Ook dit verwijt treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Weliswaar heeft het Hof in zijn eindbeschikking van 9 mei 2017 in rechtsoverweging 2.8. – na eerst op grond van het namens [eiseres] overgelegde rapport met de resultaten van het handschriftkundig onderzoek te hebben vastgesteld dat bedoelde notitie niet door [eiseres] was geschreven – overwogen dat [eiseres] niet betwist dat [naam] deze tekst in de voormalige echtelijke woning heeft gevonden, maar blijkens de wijze waarop het Hof zijn beslissing om artikel 3:194 lid 2 BW toe te passen heeft gemotiveerd, heeft hij niet zo zeer de vindplaats als wel de inhoud van de notitie (in combinatie met een reeks andere omstandigheden, zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 van de eindbeschikking) redengevend geacht voor zijn gevolgtrekking dat [eiseres] een constructie had opgezet om het appartement in Moskou aan de verdeling te onttrekken. Uit de argumentatie van het Hof blijkt niet dat de omstandigheid dat de notitie in de echtelijke woning is aangetroffen daarbij een rol van betekenis, laat staan een doorslaggevende rol heeft gespeeld.

4.16.

Blijkens het voorgaande kan dan ook niet gezegd worden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het hier besproken verwijt en de voor [eiseres] ongunstige uitkomst van de appelprocedure.

4.17.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het enkele niet of onvoldoende weerspreken door een advocaat van een stelling van de wederpartij slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen een beroepsfout (in de hierboven onder 4.2 bedoelde zin) zal kunnen opleveren.

4.18.

Het vierde verwijt van [eiseres] houdt in dat [gedaagde] de door [naam] gestelde waarde van het appartement in Moskou, te weten € 135.000,-, niet (voldoende) heeft weersproken.

4.19.

De rechtbank constateert dat [gedaagde] in het door haar namens [eiseres] ingediende verzoekschrift in hoger beroep (overgelegde als productie 2 bij de conclusie van antwoord) uitvoerig en gemotiveerd heeft betoogd dat de rechtbank in eerste aanleg ten onrechte is uitgegaan van de door [naam] gestelde waarde van het appartement. De rechtbank verwijst naar de randnummers 10 t/m 14 van het verzoekschrift (hierboven onder 2.5 deels geciteerd) en naar de als productie 8 bij dat verzoekschrift overgelegde verklaring van de koopster van het appartement.

4.20.

Vervolgens is ook in het verweerschrift tegen beroepschrift in incidenteel appel op dit punt gemotiveerd verweer gevoerd (voor zover relevant hierboven onder 2.6 geciteerd), waarna [gedaagde] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het Hof op 10 maart 2016 blijkens de (als productie 5 bij conclusie van antwoord) overgelegde pleitnotities (zie hierboven onder 2.7) onder meer heeft betoogd dat de koopprijs van € 13.756,- weliswaar aan de lage kant was, maar dat daarvoor diverse, door haar nader toegelichte, redenen waren.

4.21.

De rechtbank kan op grond van het bovenstaande slechts concluderen dat het onderhavige verwijt van [eiseres] iedere feitelijke grondslag mist. De omstandigheid dat rechtbank en Hof haar standpunt met betrekking tot de waarde van het appartement niet hebben gevolgd betekent uiteraard niet dat dit standpunt niet (gemotiveerd) naar voren is gebracht.

4.22.

De slotsom van het voorgaande is dat geen van de door [eiseres] aan het adres van [gedaagde] gemaakte verwijten gegrond wordt bevonden, zodat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

4.23.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.565,00

- salaris advocaat € 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 4.979,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.979,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.1

1 type: AH coll: IV