Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:687

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
7403768 \ AO VERZ 18-115
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontslag op staande voet door werkgever niet rechtsgeldig. Het niet nakomen van verplichtingen in het kader van ziekte en re-integratie door de werknemer kan op zichzelf geen ontslag op staande voet rechtvaardigen (ECLI:NL:HR:2004:AO9549 Vixia/Gerrits). Niet voldaan aan de vereisten voor de geldigheid van een ‘samengesteld’ ontslag op staande voet (ECLI:NL:HR:2006:AX9387 (Buwa Schoonmaakdiensten) en ECLI:NL:HR:2014:2806 (Stichting Meridiaan)).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7403768 \ AO VERZ 18-115

Uitspraakdatum: 30 januari 2019

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. L.N. Hermes

tegen

[verweerder] , handelend onder de naam Taxi Broos

gevestigd te Heerhugowaard

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. J.W.L. Vader

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om een door [verweerder] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. [verzoekster] heeft ook een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen. [verweerder] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) te ontbinden, maar dit verzoek is op de zitting ingetrokken.

1.2.

Op 16 januari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun stand-punten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoekster] en [verweerder] hebben ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting hebben partijen bij brieven van 10 en 14 januari 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1983, is op 1 april 2018 in dienst gekomen bij [verweerder] . [verzoekster] heeft als functie taxichauffeur en een salaris van € 1.525,33 bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan en na afloop daarvan verlengd. De laatste verlenging loopt van 1 augustus 2018 tot en met 30 april 2019.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst Taxivervoer (hierna: CAO Taxivervoer).

2.3.

In een verslag van een gesprek van 14 juli 2018 staat onder meer dat partijen hebben gesproken over het naleven van de regels voor rijtijden, over problemen rondom het werkrooster en over het gedrag van [verzoekster] .

2.4.

[verzoekster] heeft zich op 14 november 2018 ziek gemeld. In een verslag van de bedrijfsarts van 23 november 2018 staat dat [verzoekster] is uitgevallen ten gevolge van overbelasting en meerdere factoren, en dat er op dat moment geen mogelijkheden waren om te werken in eigen en aangepast werk. Volgens de bedrijfsarts had [verzoekster] tijd nodig om zaken op een rijtje te krijgen.

2.5.

Op 26 november 2018 is [verzoekster] door [verweerder] op staande voet ontslagen. In een brief van die datum is het ontslag bevestigd. In die brief worden als dringende redenen voor het ontslag genoemd dat [verzoekster] tijdens haar ziekteverzuim onbereikbaar was om haar re-integratie te bespreken, en dat [verzoekster] zich niet heeft gehouden aan het ziekteverzuimreglement en aan de redelijke voorschriften om het recht op loon tijdens ziekte te kunnen vaststellen. Verder is als dringende reden vermeld dat was gebleken dat [verzoekster] elders aan het werk was tijdens haar ziekte en dat zij daardoor de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en de CAO Taxivervoer heeft geschonden, omdat daarin een verbod staat om zonder toestemming van de werkgever binnen en buiten de taxibranche werkzaam te zijn. Ook zijn als dringende redenen genoemd de omstandigheden in het hiervoor weergegeven gespreksverslag van 14 juli 2018.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot doorbetaling van loon. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

3.2.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [verzoekster] gesteld dat zij tijdens haar ziekte niet elders aan het werk is geweest, dat zij wel degelijk bereikbaar was en dat zij het verbod op nevenwerkzaamheden niet heeft overtreden. Verder wijst [verzoekster] erop dat de omstandigheden in het gespreksverslag van 14 juli 2018 geen ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen, zeker nu niet de arbeidsovereenkomst na 14 juli 2018 nog is verlengd per 1 augustus 2018. Daarnaast voert [verzoekster] aan dat sprake is van een samengesteld ontslag en dat in ieder geval niet alle afzonderlijke redenen zijn komen vast te staan.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek. Hij voert aan – samengevat – dat [verzoekster] tijdens haar ziekte moedwillig nevenwerkzaamheden heeft verricht en deze heeft verzwegen voor [verweerder] , wat voor [verweerder] de “doodsteek” is geweest voor de arbeidsrelatie. Ter ondersteuning daarvan heeft [verweerder] een geluidsopname overgelegd, waaruit naar zijn mening duidelijk blijkt dat [verzoekster] op 26 november 2018 werkzaam was in een sportschool. Daarmee zijn volgens [verweerder] ook verschillende bepalingen uit de arbeidsovereenkomst en de CAO Taxivervoer geschonden.

4.2.

Verder meent [verweerder] dat [verzoekster] zich gedurende haar ziekte bewust onbereikbaar heeft gehouden en haar re-integratie alleen maar heeft tegengewerkt. Het bewust achterhouden van informatie en het bewust tegenwerken van de re-integratie rechtvaardigen zonder meer een ontslag op staande voet, aldus [verweerder] .

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon.

5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.3.

De wettelijke regels voor ontslag op staande voet staan in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens die regels is zo’n ontslag alleen geldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW). Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.

5.4.

In de wet staan voorbeelden van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Een dringende reden kan bijvoorbeeld zijn dat een werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt (artikel 7:678 lid 2, onderdeel k, BW).

5.5.

De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Belangrijk is de aard en ernst van de dringende reden. Ook kunnen meespelen de duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Verder kan meewegen wat de gevolgen zijn voor de werknemer van een ontslag op staande voet. Maar ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn vanwege de aard en de ernst van de dringende reden (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2000, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2000:AA4436 (Hema)).

5.6.

Er kunnen zich gevallen voordoen dat door een werkgever als dringende reden voor het ontslag op staande voet aan de werknemer een feitencomplex wordt meegedeeld, bestaande uit verschillende feiten en omstandigheden. Als na betwisting door de werknemer slechts een gedeelte daarvan komt vast te staan, kan dat ontslag toch geldig zijn. Daarvoor gelden de volgende drie vereisten. In de eerste plaats is vereist dat het gedeelte dat komt vast te staan op zichzelf beschouwd kan gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Verder is nodig dat de werkgever heeft gesteld en aannemelijk is dat hij de werknemer, anders dan uit de ontslagaanzegging blijkt, ook op staande voet zou hebben ontslagen voor het gedeelte dat is komen vast te staan. Bovendien is vereist dat dit laatste voor de werknemer ook duidelijk moet zijn geweest (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2006, te vinden op www. rechtspraak.nl onder nummerECLI:NL:HR:2006:AX9387 (Buwa Schoonmaakdiensten) en de uitspraak van 26 september 2014, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI: NL:HR:2014:2806 (Stichting Meridiaan)).

5.7.

Uit de brief van [verweerder] van 26 november 2018 blijkt dat hij een feitencomplex, meerdere feiten en omstandigheden, als dringende reden voor het ontslag op staande voet heeft meegedeeld aan [verzoekster] .

5.8.

De door [verweerder] genoemde onbereikbaarheid van [verzoekster] tijdens haar ziekte kan niet als een dringende reden worden aangemerkt. Naar de kantonrechter begrijpt, verwijt [verweerder] [verzoekster] met name dat zij op maandagochtend 26 november 2018 meerdere keren haar telefoon niet opnam. Echter, uit de door [verzoekster] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dat zij die dag steeds gereageerd heeft op berichten van [verweerder] . Van onbereikbaarheid was dus geen sprake.

5.9.

Ook de door [verweerder] in de ontslagbrief gestelde schending van het ziekteverzuimreglement en van redelijke controlevoorschriften om het recht op loon tijdens ziekte te kunnen vaststellen, is niet komen vast te staan. [verweerder] heeft immers op de zitting erkend dat er door hem en in zijn onderneming geen ziekteverzuimreglement en geen controlevoorschriften zijn vastgesteld.

5.10.

De door [verweerder] genoemde omstandigheden in het gespreksverslag van 14 juli 2018 kunnen evenmin een dringende reden opleveren. De in die brief genoemde omstandigheden zijn door [verzoekster] betwist, maar kunnen hoe dan ook niet meer aan een ontslag op staande voet op 26 november 2018 ten grondslag worden gelegd. Daarvoor hebben die feiten en omstandigheden zich te lang geleden voorgedaan. Bovendien heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] na 1 augustus 2018 verlengd en heeft [verweerder] dus destijds in het gespreksverslag van 14 juli 2018 geen enkele aanleiding gezien om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

5.11.

De kantonrechter neemt wel als vaststaand aan dat [verzoekster] tijdens haar ziekte elders heeft gewerkt, zoals [verweerder] heeft gesteld, in ieder geval op 26 november 2018. Uit de door [verweerder] overgelegde geluidsopname van een gesprek op 26 november 2018 blijkt dat [verzoekster] zich in een sportschool tegenover een derde presenteert als medewerker van die sportschool, informatie geeft die normaal gesproken alleen door een medewerker wordt gegeven, en bovendien zelf duidelijk zegt: “Maandag- en vrijdagochtend werk ik hier ook”. De verklaring die [verzoekster] daarvoor op de zitting heeft gegeven, vindt de kantonrechter niet geloofwaardig, omdat die verklaring in feite niet meer inhoudt dan dat [verzoekster] zelf niet begrijpt waarom zij zich heeft gepresenteerd als medewerker en heeft gezegd dat zij werkt in de sportschool.

5.12.

Dat [verzoekster] op 26 november 2018 werkzaam was in een sportschool, levert echter geen schending op van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en de CAO Taxivervoer. Uit artikel 9 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst volgt dat de werknemer gedurende de loop van de overeenkomst binnen de vervoersbranche niet voor een andere werkgever of opdrachtgever werkzaam mag zijn, tenzij met schriftelijke toestemming van de werkgever. Een sportschool behoort niet tot de vervoersbranche. [verzoekster] mag op grond van de arbeidsovereenkomst dus bij een sportschool werken, naast haar werkzaamheden als taxichauffeur voor [verweerder] . Daarbij komt dat [verzoekster] op maandagen niet werkzaam was voor [verweerder] , zodat het haar vrij stond om op een maandag elders en in een sportschool te werken. Er kan ook geen sprake zijn van schending van de CAO Taxivervoer. Voor zover uit de CAO Taxivervoer een verplichting volgt voor een werknemer om bij indiensttreding te melden dat hij ook elders werkt en [verzoekster] die verplichting heeft geschonden, zoals [verweerder] stelt, kan ook dat geen dringende reden opleveren. [verzoekster] heeft terecht gesteld dat in het hiervoor genoemde artikel 9 van de arbeidsovereenkomst ten gunste van de CAO Taxivervoer is afgeweken en dat die bepaling van de arbeidsovereenkomst dus voorrang heeft. Niet in geschil is dat van de CAO Taxivervoer ten gunste van een werknemer mag worden afgeweken.

5.13.

Op de zitting heeft [verweerder] toegelicht dat het hem er eigenlijk om gaat dat [verzoekster] tegen hem heeft gelogen over haar nevenwerkzaamheden en dat hij vindt dat [verzoekster] de beoordeling van haar ziekte en haar re-integratie heeft belemmerd, doordat ze zegt ziek te zijn maar tegelijkertijd niet meldt dat ze bij een sportschool werkt.

5.14.

De kantonrechter kan [verweerder] volgen in zijn stelling dat [verzoekster] geen open kaart heeft gespeeld over haar nevenwerkzaamheden bij de sportschool. [verzoekster] is immers blijven volhouden dat zij geen nevenwerkzaamheden heeft, terwijl hiervoor als vaststaand is aangenomen dat zij bij een sportschool werkt. Echter, aan [verzoekster] is niet als dringende reden meegedeeld dat [verzoekster] geen open kaart heeft gespeeld of heeft gelogen over haar nevenwerkzaamheden bij de sportschool. Dat heeft [verzoekster] ook niet hoeven begrijpen of afleiden uit de ontslagbrief van 26 november 2018. Deze omstandigheid kan bij de beoordeling van het ontslag op staande voet dus ook geen rol spelen.

5.15.

Ook heeft [verweerder] een punt waar hij stelt dat [verzoekster] de beoordeling van haar ziekte en haar re-integratie mogelijk heeft belemmerd, doordat ze niet heeft gemeld dat ze tijdens en ondanks haar ziekte bij een sportschool werkte. [verzoekster] had in ieder geval bij het onderzoek door de bedrijfsarts op 23 november 2018 moeten melden dat zij in de sportschool werkte. Het gaat hier om informatie waarvan ook voor [verzoekster] duidelijk had behoren te zijn dat dit van belang kon zijn voor de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid en haar re-integratie. De bedrijfsarts heeft blijkens het verslag van 23 november 2018 geoordeeld dat [verzoekster] op dat moment geen mogelijkheden had om te werken in eigen en aangepast werk. Dat oordeel had mogelijk anders geweest als de bedrijfsarts had geweten dat [verzoekster] ook werkzaam was in een sportschool. [verzoekster] heeft hiermee dus haar verplichtingen bij ziekte en re-integratie geschonden. Deze schending kan echter geen dringende reden voor een ontslag op staande voet zijn. Het niet nakomen van verplichtingen in het kader van ziekte en re-integratie door de werknemer kan namelijk op zichzelf geen ontslag op staande voet rechtvaardigen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, te vinden op www. rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2004: AO9549 (Vixia/ Gerrits). Daarbij is van belang dat een werkgever voor dergelijke gevallen op grond van de wet al de mogelijkheid heeft om de loonbetaling te staken of op te schorten (artikel 7:629 lid 3 en lid 6 BW). Bijkomende omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen, zijn hier niet gebleken, zoals ook volgt uit wat hiervoor is overwogen.

5.16.

Ook als de hiervoor onder 5.14 en 5.15 genoemde omstandigheden, het niet open kaart spelen en de belemmering van de re-integratie, wel een dringende reden zouden opleveren, kan het ontslag op staande voet geen stand houden. Uit het voorgaande blijkt dat in ieder geval een deel van het feitencomplex dat door [verweerder] aan [verzoekster] als dringende reden voor ontslag is meegedeeld, niet is komen vast te staan. [verweerder] heeft niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt dat hij [verzoekster] ook alleen vanwege het niet open kaart spelen en de belemmering van de re-integratie op staande voet zou hebben ontslagen. Bovendien kon dit laatste voor [verzoekster] ook niet duidelijk zijn geweest. [verweerder] heeft in de ontslagbrief van 26 november 2018 niet gesteld dat iedere door hem aangevoerde dringende reden op zichzelf al voldoende reden was voor ontslag. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen onder 5.6, is het ontslag op staande voet ook in dat geval niet geldig.

5.17.

Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoekster] om vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een ontslag en een opzegging in strijd met de wet (artikel 7:671 BW). Dat brengt mee dat die opzegging vernietigd moet worden (artikel 7:681 lid 1 BW).

5.18.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [verzoekster] recht op doorbetaling van loon. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat de CAO Taxivervoer de eerste acht weken aanspraak geeft op 90% van het laatstverdiende loon en vervolgens 100%. Dat betekent dat [verzoekster] vanaf 14 november 2018 aanspraak heeft op betaling van € 1.372,80 bruto per maand en per 9 januari 2019 op
€ 1.525,34 bruto per maand. Daartoe zal [verweerder] worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verweerder] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%.

5.19.

[verzoekster] heeft loon gevorderd vanaf 1 november 2019. Op de zitting is gebleken dat over de maand november al een bedrag van € 943,00 netto aan loon is betaald. Daarover zijn partijen het eens. Daarom zal worden bepaald dat dit bedrag op de loonbetaling over de maand november 2018 in mindering komt.

5.20.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoekster] , is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De gevraagde voorlopige voorziening kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding (artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

5.21.

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van [verzoekster] met toepassing van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz (gepubliceerd op www. rechtspraak.nl) worden vastgesteld op € 720,00. [verweerder] wordt ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

vernietigt het ontslag op staande voet;

6.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van het salaris van € 1.372,80 bruto per maand vanaf 1 november 2018, waarop in mindering komt een betaald bedrag aan salaris over de maand november 2018 van € 943,00 netto, en tot betaling van € 1.525,34 bruto per maand vanaf 9 januari 2019, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van het salaris tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verzoekster] , en veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoekster] worden gemaakt;

6.4.

verklaart onderdeel 6.1, 6.2 en 6.3 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 30 januari 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter