Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6766

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
HAA 19/225
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

einduitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/225

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2019 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: H. de Vries),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer, verweerder

(gemachtigden: mr. A.A.H.M. Neijtzell de Wilde-van Eerd en mr. M. Veerman).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [derde partij 1]te [woonplaats] ,

2. [derde partij 2]te [woonplaats] ,

3. [derde partij 3]te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. J. Happé)

4. [derde partij 4]te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. J. Happé)

5. [derde partij 5]te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. J. Happé)

6. [derde partij 6]te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. J. Happé)

7. [derde partij 7]te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. J. Happé)

8. [derde partij 8]te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. J. Happé)

9. [derde partij 9]te [woonplaats] ,

10. [derde partij 10]te [woonplaats] ,

11. [derde partij 11]te [woonplaats] ,

12. [derde partij 12]te [woonplaats] ,

13. [derde partij 13]te [woonplaats] ,

14. [derde partij 14]te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de bestemming “Wonen-3” naar “Verblijfsaccommodatie” op het adres [het perceel] (het perceel).

Bij besluit van 10 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partijen gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen.

Bij besluit van 29 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om omgevingsvergunning voor de activiteit met het bestemmingsplan strijdig gebruik geweigerd.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen sub 3, 5 en 7 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Derde-partijen sub 4, 6 en 8 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Derde-partij sub 9 is verschenen.

Bij tussenuitspraak van 19 april 2019 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De voorzieningenrechter blijft bij al wat in de tussenuitspraak is overwogen en beslist. Voor zover verzoekster zich keert tegen overweging 8.3 van de tussenuitspraak, overweegt de voorzieningenrechter dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel zal worden uitgegaan.

2. In zijn tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter onder 9.5 overwogen dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat de verkeersaantrekkende werking – indien daar al sprake van zou zijn – en de woningonttrekking ontoelaatbaar zijn. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het bestreden besluit aldus een (voldoende draagkrachtige) motivering ontbeert en daarom is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder bij brief van 9 mei 2019 gemotiveerd waarom hij het project planologisch niet aanvaardbaar acht. Verweerder heeft hierbij voorop gesteld dat hij bij het verlenen van het primaire besluit de effecten en de uitwerking van verblijfsaccommodatie als pilot onvoldoende heeft ingeschat. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het behoud van woonruimte en het voorkomen van verkeersaantrekkende werking zwaarder weegt dan het belang van verzoekster, inhoudende dat zij de gehele woning als verblijfsaccommodatie kan exploiteren. Verweerder heeft aangegeven dat de druk op de woningmarkt in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) hoog is en dat de economische groei en de bevolkingsontwikkeling in de MRA zorgen voor toenemende tekorten aan woningen in alle segmenten. De woningnood in Landsmeer is onverminderd groot. Verweerder acht het behoud van de woningvoorraad derhalve van groot belang. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking heeft verweerder aangegeven dat het gebruik van de gehele woning als verblijfsaccommodatie ruimte biedt voor zeven personen, terwijl bij toepassing van het Beleid Bed & Breakfast 2011 21 m² van de woning mag worden gebruikt voor een bed & Breakfast. Dat biedt ruimte aan 2 personen. Een verblijfsaccommodatie met 7 slaapplaatsen genereert dan ook meer verkeersbewegingen. Ook zijn meer parkeerplaatsen nodig dan op het perceel gerealiseerd kunnen worden. Het project is derhalve onwenselijk, aldus verweerder.

4. Verzoekster betoogt dat de nadere motivering het bestreden besluit niet kan dragen. Niet is gebleken dat de woningmarkt in Landsmeer onder druk staat of dat de geschetste situatie van toepassing is op de woning van verzoekster. Er zijn tal van woningen te koop in de prijsklasse van de woning van verzoekster. Er is niet beoordeeld of de omstandigheden van dit specifieke geval het gebruik van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4.4.1 van de Huisvestingsverordening Landsmeer zou rechtvaardigen. Voorts is volgens verzoekster geen sprake van overlast en ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersaantrekkende werking groter is dan bij gewone bewoning en bewoning met Bed & Breakfast.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de voorzieningenrechter de beslissing terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat hij zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan te weigeren.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd waarom hij de vergunning heeft geweigerd. De voorzieningenrechter acht het belang van het behoud van woonruimte voldoende uiteengezet. Anders dan verzoekster betoogt, heeft verweerder bij de ruimtelijke afwegingen geen toepassing hoeven geven aan artikel 4.4.1 van de Huisvestingsverordening Landsmeer. Immers ligt de Huisvestingsverordening niet ten grondslag aan het bestreden besluit.

Hoewel de voorzieningenrechter de motivering ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking van het project niet volgt, is hij van oordeel dat verweerder zich (wel) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het behoud van woonruimte zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Die redenering op zich kan het besluit al dragen. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit verder ook – nadat de effecten en de uitwerking van het project volledig zijn heroverwogen – op het standpunt kunnen stellen dat het draaien van een pilot onwenselijk is. Nu een beslissing op bezwaar een volledige heroverweging bevat, kan die andere uitgangspunten en nieuwe inzichten bevatten en dus ook (diametraal) anders uitvallen dan het primaire besluit. De weigering van de aanvraag om omgevingsvergunning kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook in stand blijven.

7. Nu het bestreden besluit een gebrek bevatte dat pas met de nadere motivering na de tussenuitspraak is hersteld, is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit daarom wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Dat betekent dat de weigering om aan verzoekster een omgevingsvergunning te verlenen in stand blijft.

8. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder verder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.