Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6533

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-06-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
7339984 / CV EXPL 18-7672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De zaak betreft het besluit tot ontzetting wegens ‘bad standing’ van een lid van een vereniging in georganiseerd toeren op motoren.

Op grond van de artikel 2:35 lid 4 BW en de statuten had het bestuur gedaagde ten spoedigste schriftelijk van dit besluit in kennis moeten stellen en hem moeten meedelen dat hem beroep op de ALV openstaat. Vast staat dat dit niet is gebeurd, hetgeen het bestuur is te verwijten. Vervolgens heeft het bestuur niet de juiste stappen gezet om deze omissie te herstellen. Het bestuur heeft de ontzetting op de agenda van de ALV van 26 april 2018 gezet en in stemming gebracht. Uit de uitnodiging en de agenda kan op geen enkele wijze worden opgemaakt dat er reeds een bestuursbesluit was genomen en dat de bijeengeroepen ALV van 26 april 2018 gezien moet worden als de beroepsmogelijkheid voor gedaagde. Verder heeft het bestuur gedaagde in de brief van 28 april 2018 onjuist en incompleet geïnformeerd.

Het bestuur heeft gedaagde op het verkeerde been gezet en hem een beroepsmogelijkheid na het nemen van het besluit van 6 april 2018 onthouden. De kantonrechter acht dat in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 lid 2 BW.

Het bestuur heeft het recht op hoor en wederhoor van gedaagde veronachtzaamd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7339984 / CV EXPL 18-7672 (SJ)

Uitspraakdatum: 19 juni 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

Vereniging [naam vereniging]

gevestigd te [vestigingsplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: Juristu Incassodiensten B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 1 november 2018 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

[eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. [eiseres] heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de tegenvordering.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een vereniging in georganiseerd toeren op motoren.

2.2.

Het bestuur van de vereniging wordt volgens het handelsregister gevormd door de heren [naam 1] (als voorzitter), [naam 2] (als secretaris) en [naam 3] (als penningmeester), die tevens lid van de vereniging zijn. Naast deze drie waren er nog vijf leden die volgens de statuten en het door [eiseres] gehanteerde reglement bestuurlijke functies hadden binnen de vereniging. [gedaagde] was een van die vijf: hij had de functie van ‘Captain at Arms’. Een ander lid met bestuurlijke functies was [naam 4] . Hij had de functie van ‘Vice President’.

2.3.

Op 6 april 2018 heeft [naam 1] een spoedvergadering belegd voor hen die binnen de vereniging bestuurlijke functies hadden, behoudens [gedaagde] en [naam 4] . In de vergadering is gesproken en gestemd over “lidmaatschap [eiseres] continueren of beëindigen” met betrekking tot [gedaagde] en [naam 4] . Blijkens de notulen hebben alle aanwezigen gestemd vóór “lidmaatschap per direct beëindigen”. Aan het slot van de notulen is vermeld: “Het besluit zal in de ALV van 26 april 2018 nader toegelicht worden aan de leden gevolgd door een stemming. (uitnodiging volgt spoedig)”.

2.4.

Het besluit van het bestuur en de notulen van de vergadering van 6 april 2018 zijn niet aan [gedaagde] kenbaar gemaakt. Eerst in deze procedure, doordat [eiseres] deze notulen heeft overgelegd, heeft [gedaagde] daarvan kennisgenomen.

2.5.

Bij e-mail van 9 april is de zojuist bedoelde uitnodiging voor de algemene vergadering (ALV) aan de leden verzonden. Een hersteluitnodiging is bij e-mail van 16 april 2018 uitgegaan aan de leden. Bij aanvullende e-mail van 22 april 2018 is de locatie van de ALV aan de leden bekend gemaakt, namelijk de woning van voorzitter [naam 1] .

2.6.

Op 26 april 2018 heeft de ALV plaatsgevonden, alwaar [gedaagde] niet is verschenen. [naam 4] is evenmin verschenen bij de ALV.

2.7.

Blijkens de notulen van de ALV is met unanimiteit van stemmen voor uitzetting van [gedaagde] in ‘bad standing’ gestemd.

2.8.

Bij brief van 28 april 2018 heeft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer bericht dat hij met ingang van 26 april 2018 is ontzet uit de vereniging. Verder is een boete van € 1.000,00 opgelegd in verband met ‘out in bad standing’ en is aangegeven dat [gedaagde] nog € 400,00 aan restant contributie over 2018 is verschuldigd.

2.9.

Bij brief van 8 mei 2018 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geschreven het niet eens te zijn met de ontzetting en de vordering niet te zullen betalen.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2018 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 210,00 en de proceskosten van € 423,50 en de nakosten, een en ander, voor het geval voldoening niet binnen de termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag van algehele betaling.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tijdens de ALV is besloten om [gedaagde] met ingang van 26 april 2018 uit de vereniging te ontzetten omdat hij herhaaldelijk in strijd met de statuten handelde. Omdat [gedaagde] ervoor heeft gekozen niet bij de ALV aanwezig te zijn is de ontzetting tezamen met vordering ter zake van de opgelegde boete van € 1.000,00 en de onbetaalde contributie van € 400,00 bij brief van 28 april 2018 aan [gedaagde] kenbaar gemaakt. [gedaagde] heeft, ondanks daartoe te zijn aangemaand, nagelaten de boete en de contributie te betalen, zodat [eiseres] genoodzaakt was haar vordering ter incasso uit handen te geven. Naast de hoofdsom van € 1.400,00 vordert [eiseres] de buitengerechtelijke kosten van € 210,00 en de proceskosten van € 423,50. In de gedragingen van [gedaagde] heeft [eiseres] aanleiding gezien om aangifte te doen bij de politie.

3.3.

In de conclusie van repliek tevens conclusie van antwoord in de tegenvordering voert [eiseres] aan dat de incidenten, waarbij [gedaagde] en [naam 4] betrokken waren, relatief kort achter elkaar in april 2018 zijn voorgevallen waardoor er geen mogelijk bestond om tussentijdse maatregelen te nemen. De incidenten hebben ertoe geleid dat alle leden van [eiseres] , behoudens [gedaagde] en [naam 4] , een verzoek om het houden van een ALV hebben ingediend. Verder voert [eiseres] aan dat de ALV via meerdere platformen aan [gedaagde] kenbaar is gemaakt, dat de vrees van [gedaagde] voor escalatie en voor zijn gezondheid ongegrond is en dat [gedaagde] er dus zelf voor heeft gekozen om niet bij de ALV aanwezig te zijn en daarmee zijn recht om verweer te voeren heeft prijsgegeven. Tijdens de ALV is [gedaagde] met unanimiteit van stemmen ontzet met ‘dishonorable discharge’. Verder voert [eiseres] aan dat [gedaagde] niet aangeeft met welke bepalingen uit de statuten het besluit strijdig is. Volgens [eiseres] is het besluit juist niet strijdig met de statuten omdat daarin staat dat het bestuur gerechtigd is een lidmaatschap te eindigen door ontzegging. De genomen besluiten tijdens de ALV zijn dan ook rechtsgeldig. De vordering van € 400,00 in verband met het lidmaatschapsgeld is gebaseerd op artikel 4.5 van de statuten. De vordering van € 1.000,00 hangt samen met de ‘out in bad standing’ en is gebaseerd op artikel 3.19 van het huisreglement van [eiseres] .

3.4.

In de conclusie van dupliek in de tegenvordering voert [eiseres] aan dat [gedaagde] bij besluit van 4 april 2018 slechts is geschorst en dat het bestuur op 6 april 2018 de ontzetting van [gedaagde] heeft uitgesproken, nadat de incidenten hebben plaatsgevonden. Voorts voert [eiseres] aan dat uit de notulen van de vergadering van 26 april 2018 blijkt dat de vergadering door de leden bijeen is geroepen. Van deze ALV is [gedaagde] een uitnodiging gestuurd om zich tegen de ontzetting te kunnen verweren, maar van die gelegenheid heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt. Bij de ALV is door de leden unaniem ingestemd met het besluit van het bestuur van 6 april 2018. Verder voert [eiseres] aan dat [gedaagde] wel degelijk in strijd met het reglement heeft gehandeld en dat ‘dishonorable discharge’ feitelijk hetzelfde is als ‘out in bad standing’.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert aan – samengevat – dat het besluit nietig althans vernietigbaar is wegens strijd met de statuten ex artikel 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek. [gedaagde] voert aan dat uit niets blijkt dat het bestuur van [eiseres] een rechtsgeldig besluit heeft genomen om de ALV bijeen te roepen. Volgens [gedaagde] was van een ALV dan ook geen sprake en zijn de op de vergadering genomen besluiten op grond van artikel 2:15 lid 1 onder a BW vernietigbaar. Voorts voert [gedaagde] aan dat de besluiten op grond artikel 2:15 lid 1 onder b BW vernietigbaar zijn omdat deze zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Uit niets blijkt volgens [gedaagde] dat er sprake is van een zorgvuldige belangenafweging, hetgeen in strijd met artikel 2:8 BW is. [gedaagde] meent dat hij geen redelijke mogelijkheid had om zijn standpunt te verkondigen. Ook de notulen geven geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging. [gedaagde] geeft aan dat hij de vergadering aan zich voorbij heeft laten gaan omdat deze bij de president thuis plaatsvond en escalatie zeer waarschijnlijk was. [gedaagde] heeft daarom voor zijn gezondheid gekozen. Ook de keuze om de ontzetting via de ALV te laten lopen omdat er dan geen mogelijkheid is om beroep in te stellen vindt [gedaagde] onredelijk. Verder voert [gedaagde] aan dat er geen toelichting is gegeven op de verwijten en dat de toegepaste straf buiten alle proporties is. Nooit eerder is hij onderwerp van gesprek is geweest, is hem een waarschuwing gegeven of zijn andere maatregelen tegen hem genomen. Tot slot merkt [gedaagde] op dat de statuten geen mogelijkheid bieden tot het opleggen van een boete.

4.2.

[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het besluit genomen door de ALV van 26 april 2018 waarbij hij is ontzet als lid van [eiseres] nietig is althans dat de kantonrechter het besluit vernietigt en dat de kantonrechter [eiseres] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen zijn betaald.

4.3.

[gedaagde] legt aan de tegenvordering ten grondslag hetgeen hij in de conclusie van antwoord in de vordering naar voren heeft gebracht.

4.4.

In de conclusie van dupliek in de vordering tevens conclusie van repliek in de tegenvordering voert [gedaagde] nog aan dat het bestuur op 4 april 2018 heeft besloten het lidmaatschap van [gedaagde] te beëindigen en dat drie van de vier incidenten van een latere datum zijn en dan ook niet aan het besluit van het bestuur om hem te ontzetten ten grondslag hebben kunnen liggen. Ter zake het incident tijdens een openbaar motorevenement dat op 1 april 2018 heeft plaatsgevonden voert [gedaagde] aan dat hem niets valt te verwijten. Het was [naam 4] die het verwijt treft. Verder voert [gedaagde] aan dat uit niets blijkt dat alle leden een verzoek om een ALV hebben ingediend. Volgens [gedaagde] neemt [eiseres] het niet zo nauw met de feiten en het nemen van besluiten omdat [eiseres] in de procedure die [naam 4] tegen [eiseres] aanhangig heeft gemaakt geheel andere stellingen inneemt en betoogt dat er sprake is van een bestuursbesluit. Ook gebruikt [eiseres] de termen ‘ontzetting, beëindiging, opzeggen en dishonorable discharge’ door elkaar, zodat er geen sprake kan zijn van een goed en duidelijk besluit. [gedaagde] voert aan dat [eiseres] op onduidelijke gronden het restant van de lidmaatschapsgelden wil ontvangen en dat de boete samen hangt met een ‘out in bad standing’, terwijl deze term in geen enkel stuk wordt genoemd. [gedaagde] voert verder aan dat uit niets blijkt dat hij in strijd heeft gehandeld met de statuten en/of reglementen van [eiseres] .

5 De beoordeling

5.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

de vordering

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat de taak van het bestuur is erop toe te zien dat in de vereniging de juiste procedures, zoals voorgeschreven in de wet en de statuten, worden gevolgd. De kantonrechter is van oordeel dat het bestuur van [eiseres] dat in dit geval niet heeft gedaan en overweegt als volgt.

5.3.

De kantonrechter stelt vast dat het bestuur van [eiseres] op grond van de wet en de statuten bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van de ontzetting van een lid van de vereniging. Verder stelt de kantonrechter vast dat het bestuur conform zijn bevoegdheid op 6 april 2018 heeft besloten om [gedaagde] te ontzetten. Op grond van de artikel 2:35 lid 4 BW en de statuten had het bestuur [gedaagde] ten spoedigste schriftelijk van dit besluit in kennis moeten stellen en hem moeten meedelen dat hem beroep op de ALV openstaat. Vast staat dat dit niet is gebeurd, hetgeen het bestuur is te verwijten. Vervolgens heeft het bestuur niet de juiste stappen gezet om deze omissie te herstellen. Het bestuur heeft de ontzetting op de agenda van de ALV van 26 april 2018 gezet en in stemming gebracht. Uit de uitnodiging en de agenda kan op geen enkele wijze worden opgemaakt dat er reeds een bestuursbesluit was genomen en dat de bijeengeroepen ALV van 26 april 2018 gezien moet worden als de beroepsmogelijkheid voor [gedaagde] . Verder heeft het bestuur [gedaagde] in de brief van 28 april 2018 onjuist en incompleet geïnformeerd. Uit de brief van 28 april 2018 kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat het bestuur al op 6 april 2018 een besluit ten aanzien van de ontzetting heeft genomen. In de brief staat immers dat ‘dit besluit is, met meerderheid van stemmen, genomen in de ALV van 26 april 2018’. Daarbij wordt in deze brief verwezen naar artikel 4.4, hetgeen kan wijzen op een ALV-besluit. Bovendien staat in de brief van 28 april 2018 vermeld dat het niet mogelijk is om tegen een besluit tot ontzetting in beroep te gaan. Ook dat is onjuist. Hiermee heeft het bestuur [gedaagde] op het verkeerde been gezet en hem een beroepsmogelijkheid na het nemen van het besluit van 6 april 2018 onthouden. De kantonrechter acht dat in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 lid 2 BW. De pogingen van [eiseres] in onderhavige procedure om een en ander recht te breien, slagen naar het oordeel van de kantonrechter evenmin.

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat voorgaande, anders dan [gedaagde] kennelijk meent, niet de nietigheid of vernietigbaarheid van het (bestuurs)besluit van 6 april 2018 tot gevolg heeft. [gedaagde] heeft zijn beroep op de nietigheid dan wel vernietigbaarheid gericht op het besluit van de ALV van 26 april 2018.

Voor zover sprake is van een besluit van de ALV van 26 april 2018 ten aanzien van de ontzetting is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] geen belang heeft bij een rechterlijk oordeel over de nietigheid of vernietigbaarheid hiervan. Het besluit van 6 april 2018 van het bestuur aangaande de ontzetting van [gedaagde] is op zichzelf immers rechtsgeldig. En de nietigheid of vernietigbaarheid van het besluit van de ALV van 26 april 2018 doet hieraan niet af.

5.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] terecht een beroep doet op artikel 2:8 BW. Het bestuur heeft met bovenomschreven handelwijze [gedaagde] tot op heden de mogelijkheid onthouden om beroep in te stellen. Hij dient immers eerst van deze interne beroepsmogelijkheid gebruik te maken voordat hij zijn ontzetting kan aanvechten bij de rechter. Het bestuur heeft daarmee zijn recht op hoor en wederhoor veronachtzaamd. De kantonrechter acht het tegen deze achtergrond onaanvaardbaar om [gedaagde] te houden aan de verplichting tot het betalen van het restant van de contributie over 2018. Dit betekent dat dit onderdeel van de vordering van [eiseres] niet voor toewijzing in aanmerking komt.

5.6.

De vordering ten aanzien van de boete van € 1.000,00 wijst de kantonrechter eveneens af. Voor het opleggen van een boete is geen grondslag te vinden in de statuten, hetgeen vereist is.

5.7.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal afwijzen.

de tegenvordering

5.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de tegenvordering niet voor toewijzing in aanmerking.

de proceskosten in de vordering en de tegenvordering

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij voornamelijk ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

wijst de vordering af;

de tegenvordering

6.2.

wijst de vordering af;

de proceskosten in de vordering en de tegenvordering

6.3.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 300,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] ;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter