Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:646

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
7346297 / AO 18-106
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. In dit geval is geen sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging door de werknemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7346297 / AO 18-106 (SJ)

Uitspraakdatum: 25 januari 2019

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. T. Veldman, Univé Rechtshulp

tegen

de vennootschap onder firma Restaurant ‘t Stokpaardje

statutair gevestigd te Alkmaar

verwerende partij

verder te noemen: ‘t Stokpaardje

gemachtigde: mr. W. de Vis

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om ten laste van ‘t Stokpaardje een billijke vergoeding toe te kennen. ‘t Stokpaardje heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 11 januari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.3.

Voorafgaand aan de zitting heeft ‘t Stokpaardje bij brief van 7 januari 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 2001, is op 1 maart 2018 in dienst getreden bij ‘t Stokpaardje. De laatste functie die [verzoekster] vervulde, is die van gastvrouw voor 30 uren per week, met een salaris van € 165,00 bruto per week. Haar werkdagen waren doorgaans vrijdag, zaterdag, zondag en maandag.

2.2.

Op 13 september 2018 heeft [verzoekster] haar laatste werkdag gehad bij ‘t Stokpaardje. Nadien is [verzoekster] niet meer op het werk verschenen.

2.3.

Per 1 november 2018 heeft [verzoekster] een nieuw dienstverband aanvaard bij een andere werkgever.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om ten laste van ‘t Stokpaardje een billijke vergoeding ten bedrage van één maandsalaris, zijnde € 709,50 bruto, toe te kennen op grond van artikel 7:681, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [verzoekster] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat [verzoekster] niet heeft ingestemd met de opzegging, waarmee de opzegging in strijd is met artikel 7:671 BW. Wel berust [verzoekster] in de opzegging per 1 november 2018 omdat zij een nieuw dienstverband heeft aanvaard.

3.2.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij eind augustus/begin september bij ‘t Stokpaardje heeft aangegeven dat zij minder wilde werken omdat zij er iets naast wilde gaan zoeken. Bij die gelegenheid is [verzoekster] gevraagd of zij wel eens wat extra zou kunnen invallen, waarmee zij heeft ingestemd. Verder heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij op 13 september 2018 heeft ingevallen voor een collega. Tijdens het werken heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ), eigenaar van ’t Stokpaardje, tegen [verzoekster] gezegd dat zij de rest van het weekend vrij zou zijn omdat een nieuw meisje zou invallen. Volgens [verzoekster] is haar gezegd dat zij niet meer hoefde te komen, als het nieuwe meisje goed zou bevallen. Ter afscheid heeft [verzoekster] een fles wijn gekregen en is met [naam 1] de afspraak gemaakt dat hij nog zou laten weten hoe het ging met het nieuwe meisje en hoe het zou gaan met de betalingen tot 13 september 2018. [verzoekster] heeft vervolgens niets meer gehoord.

3.3.

Voorts heeft [verzoekster] een verzoek gedaan om een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 1.155,00 bruto en een verzoek om betaling van achterstallig loon van € 1.247,40 bruto.

4 Het verweer

4.1. ‘

t Stokpaardje verweert zich en stelt dat het verzoek om ten laste van haar een billijke vergoeding toe te kennen, moet worden afgewezen. ‘t Stokpaardje voert daartoe – samengevat – aan dat [verzoekster] op 1 september 2018 zelf haar baan heeft opgezegd bij [naam 1] . In dit verband wijst ‘t Stokpaardje op de door haar overlegde verklaringen van andere werknemers. Volgens ‘t Stokpaardje heeft [verzoekster] laten weten te willen stoppen en een nieuwe baan te hebben gevonden. ‘t Stokpaardje voert aan dat [verzoekster] een opzegtermijn van één maand had, maar dat zij het liefst zo snel mogelijk weg wilde. ‘t Stokpaardje is om die reden op zoek gegaan naar vervanging en heeft op 3 september 2018 een advertentie op Facebook geplaatst. Daarbij is [verzoekster] direct na de opzegging ook minder gaan werken zodat zij voor drie dagen per week aan de slag kon gaan bij haar nieuwe werkgever. Voorts voert ‘t Stokpaardje aan dat zij vanaf 14 september 2018 vervanging had gevonden. [naam 1] heeft dat de avond ervoor tegen [verzoekster] verteld. Toen is ook tegen [verzoekster] gezegd dat zij fulltime kon beginnen bij haar nieuwe baan. Volgens ’t Stokpaardje heeft [verzoekster] daarmee ingestemd.

4.2.

Ook voert ‘t Stokpaardje aan dat er geen sprake is van achterstallig salaris, omdat [verzoekster] in totaal 25 dagen teveel verlof heeft opgenomen. Die dagen heeft ‘t Stokpaardje verrekend.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil of [verzoekster] , zoals door ’t Stokpaardje is gesteld, in het gesprek van 1 september 2018 eenzijdig ontslag heeft genomen.

5.2.

Vooropgesteld moet worden dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De volgens vaste rechtspraak (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387) geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering.

5.3.

Ter zitting heeft ‘t Stokpaardje gesteld dat [verzoekster] op 1 september 2018 in een gesprek met [naam 1] heeft verteld dat zij een nieuwe baan heeft gevonden op kantoor bij de werkgever van haar vriend. [naam 1] heeft gezegd dat hij daardoor verrast was en dat [verzoekster] niet gelijk weg kon omdat het rooster al rond was. [naam 1] heeft aan [verzoekster] gevraagd wanneer zij kon starten. Volgens ’t Stokpaardje antwoordde [verzoekster] dat zij liefst per direct wilde starten. Ook heeft ’t Stokpaardje ter zitting gesteld dat [naam 1] diezelfde avond met [naam 2] (hierna: [naam 2] ), een andere werknemer, heeft gesproken over het overnemen van de maandagen van [verzoekster] . [naam 2] wilde namelijk meer werken. Door [naam 1] is diezelfde avond aan [verzoekster] doorgegeven dat [naam 2] de maandagen van [verzoekster] zou overnemen. ’t Stokpaardje heeft voorts ter zitting gesteld dat [naam 1] op 13 september 2018 aan [verzoekster] heeft gezegd dat hij een nieuwe werknemer heeft gevonden, dat dit zomaar de laatste werkdag van [verzoekster] kon zijn en dat [verzoekster] zich voor 100% op haar nieuwe baan kon storten. ’t Stokpaardje heeft gesteld dat partijen daarna in goed overleg uit elkaar zijn gegaan.

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat al uit de verklaringen van ’t Stokpaardje zelf niet kan worden afgeleid dat [verzoekster] op 1 september 2018 duidelijk en ondubbelzinnig haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Op zich is naar het oordeel van de kantonrechter wel duidelijk geworden dat [verzoekster] wilde stoppen met het werken in de horeca, hetgeen ook blijkt uit de door ’t Stokpaardje overgelegde verklaringen en het WhatsApp-bericht dat [verzoekster] aan [naam 2] heeft verstuurd. Daarmee is echter niet gezegd dat [verzoekster] op 1 september 2018 haar arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. Uit de overgelegde verklaringen van [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] kan dat ook niet worden afgeleid, omdat ook daaruit in feite niet meer volgt dan dat [verzoekster] vertelde dat zij van plan was te gaan stoppen met werken. Aan die verklaringen kan de kantonrechter daarom niet die waarde toekennen die ’t Stokpaardje daaraan gehecht wenst te zien. Hetzelfde overweegt de kantonrechter ten aanzien van de verklaring van [naam 2] . [naam 2] verklaart weliswaar dat [verzoekster] haar baan heeft opgezegd, maar naar aanleiding van het verhandelde ter zitting staat vast dat hij niet bij het gesprek tussen [verzoekster] en [naam 1] op 1 september 2018 aanwezig was. Verder blijkt ook uit de bewoordingen zoals die volgens ’t Stokpaardje zijn gebruikt niet duidelijk tegen welke datum [verzoekster] de arbeidsovereenkomst dan zou hebben opgezegd. Tekenend in dit verband acht de kantonrechter nog dat [naam 1] ter zitting heeft verklaard dat partijen naar zijn mening op 13 september 2018, na het vinden van een vervanging voor [verzoekster] , in goed overleg uit elkaar zijn gegaan. Ook daaruit volgt niet dat op 1 september 2018 sprake was een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging. De kantonrechter leidt uit de bewoordingen van ’t Stokpaardje veeleer af dat partijen naar aanleiding van de mededelingen van [verzoekster] dat zij weg wilde uit de horeca, zijn gaan praten over een voor ieder werkbare oplossing.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] uit de mededelingen en houding van ’t Stokpaardje op en rond 13 september 2018 in redelijkheid mogen afleiden dat ’t Stokpaardje de arbeidsovereenkomst beëindigde en opzegde. Volgens ’t Stokpaardje zelf is zij er immers van uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst op 13 september 2018 is beëindigd. De stelling van ’t Stokpaardje dat partijen op 13 september 2018 in goed overleg uit elkaar zijn gegaan en dat de arbeidsovereenkomst daardoor is geëindigd kan niet worden gevolgd. Een dergelijke beëindigingsovereenkomst is op grond van artikel 7:670b lid 1 BW alleen geldig als deze schriftelijk is aangegaan en dat is niet het geval. Anders dan ‘t Stokpaardje op de zitting heeft aangevoerd, kan ook van een geldige instemming van [verzoekster] met de beëindiging geen sprake zijn. Ook daarvoor is immers op grond van artikel 7:671 lid 1 BW een schriftelijke verklaring vereist. Van een rechtsgeldige opzegging is dan ook geen sprake. Dit betekent dat [verzoekster] aanspraak kan maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

5.6.

Bovenstaande heeft tot gevolg dat de door [verzoekster] gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de periode van 13 september tot 1 november 2018, te weten € 1.155,00 bruto, hetgeen van de zijde van ’t Stokpaardje niet is betwist. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 november 2018.

5.7.

Hoewel [verzoekster] vanwege de ongeldige opzegging in beginsel ook aanspraak kan maken op een billijke vergoeding, ziet de kantonrechter gelet op alle omstandigheden van dit geval geen aanleiding voor toekenning van die vergoeding. Daarbij is van belang dat [verzoekster] een belangrijk aandeel heeft gehad in de verwarring die is ontstaan over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, nadat zij te kennen had gegeven te willen stoppen in de horeca. Verder heeft zij nagelaten na 13 september 2018 contact op te nemen met ’t Stokpaardje over (het vervolg van) haar arbeidsovereenkomst, waardoor de onduidelijkheid is blijven bestaan. Ook gaat de kantonrechter ervan uit dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval op korte termijn was geëindigd, omdat [verzoekster] met ingang van 1 november 2018 een andere dienstverband is aangegaan. Het verlies aan inkomen van [verzoekster] over de periode tot 1 november 2018 wordt al gecompenseerd door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Het verzoek om een billijke vergoeding wijst de kantonrechter dan ook af.

5.8.

Met betrekking tot de door [verzoekster] verzochte betaling van het achterstallig loon inclusief vakantiegeld over de periode van 1 augustus 2018 tot en met 13 september 2018 overweegt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat de periode van 18 tot en met 31 augustus 2018 buiten beschouwing kan blijven, omdat niet in geschil is dat [verzoekster] in deze periode onbetaald verlof heeft opgenomen en in deze periode dan ook geen recht op loondoorbetaling heeft. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat ’t Stokpaardje ten onrechte heeft gesteld dat [verzoekster] in de periode van 7 september tot 10 september 2018 ongeoorloofd afwezig is geweest. Vast staat dat [verzoekster] zich heeft ziekgemeld en dat ’t Stokpaardje geen aanleiding heeft gezien een bedrijfsarts in te schakelen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [verzoekster] in de hiervoor genoemde periode wegens ziekte ongeschikt was voor haar werk een aanspraak had op loondoorbetaling tijdens ziekte. De kantonrechter is, anders dan ’t Stokpaardje, van oordeel dat deze dagen dus niet als opgenomen vakantiedagen kunnen worden aangemerkt.

5.9.

Verder stelt de kantonrechter op grond van de verklaringen van partijen op de zitting vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [verzoekster] in de periode van 1 maart 2018 tot en met 13 september 2018 recht heeft op 11,7 vakantiedagen. Er is niet gebleken dat [verzoekster] , zoals zij meent, in de periode van 23 april tot 7 mei 2018 een onbetaald verlof heeft opgenomen. Blijkens de zich bij de gedingstukken bevindende loonspecificaties en bankafschriften is over deze vakantiedagen loon betaald door ’t Stokpaardje. Ook is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] vier vakantiedagen in juni 2018 heeft opgenomen en twaalf vakantiedagen heeft opgenomen in de periode van 15 juli tot en met 9 augustus 2018 in verband met de verplichte sluiting van het restaurant. Ter zitting heeft [verzoekster] aangeven dat zij van de verplichte vakantieopname tijdens de sluitingsperiode op de hoogte was. Dit betekent dat [verzoekster] in totaal 24 vakantiedagen heeft opgenomen, terwijl zij maar recht had op 11,7 vakantiedagen. [verzoekster] heeft dus 12,3 vakantiedagen te veel opgenomen. Uitgaande van het voorgaande, de vaste werkdagen van [verzoekster] en haar verklaring ter zitting dat 10 september 2018 de eerste maandag was waarop zij niet heeft gewerkt, komt de kantonrechter tot de conclusie dat [verzoekster] in de periode van 1 augustus tot en met 13 september 2018 over 16 dagen recht heeft op loon. Dit afgezet tegen de 12,3 te veel opgenomen vakantiedagen, resteert een achterstallig loon inclusief vakantiegeld over 3,7 dagen. In zoverre zal het verzoek worden toegewezen.

5.10.

De door [verzoekster] gevorderde maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over het achterstallige loon zal de kantonrechter toewijzen. Het is aan ’t Stokpaardje te wijten en toe te rekenen dat aan [verzoekster] te weinig loon is betaald, aangezien ’t Stokpaardje geen vakantie-administratie heeft, er geen eindafrekening is opgemaakt en ten onrechte vier ziektedagen als vakantiedagen zijn aangemerkt.

5.11.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt ‘t Stokpaardje om aan [verzoekster] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.155,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2018 tot de dag van algehele betaling;

6.2.

veroordeelt ’t Stokpaardje om aan [verzoekster] over 3,7 dagen achterstallig loon inclusief vakantiegeld te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van algehele betaling;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 25 januari 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter