Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6445

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 110
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA, contra-expertise Heliomare

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/110

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Breedveld),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

(gemachtigde: P. van Dongen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] B.V., te [plaats] ,

(gemachtigde: mr. J.D. Uding).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser per 19 juli 2018 een uitkering te verstrekken op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissingen van 25 april 2019, 29 mei 2019 en 18 juni 2019 bepaald dat kennisneming van de medische stukken ten aanzien van eiser is voorbehouden aan de gemachtigde van de derde belanghebbende.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser was vroeger productiemedewerker bij [derde belanghebbende] (ex-werkgever). Op 12 juli 2016 heeft eiser zich bij zijn ex-werkgever ziek gemeld. Omdat re-integratiepogingen tot niets leidden, heeft eiser uiteindelijk op 2 mei 2018 een WIA-uitkering aangevraagd.

2. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser op de datum in geding, dat is hier 19 juli 2018, minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Verweerder heeft de afwijzing gebaseerd op de rapportages van de door hem ingeschakelde primaire verzekeringsarts en de primaire arbeidsdeskundige. Volgens de verzekeringsarts is niet gebleken dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Daarom is gekeken naar de benutbare mogelijkheden van eiser. De uitkomst hiervan is neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juni 2018. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige onderzocht of er voor eiser passende functies zijn te duiden en hoe het met deze functies gemiddeld te verdienen inkomen zich verhoudt met het maatmaninkomen van eiser. Dat is het inkomen dat eiser vroeger, voordat hij ziek werd, verdiende bij zijn ex-werkgever. Uit deze berekening is naar voren gekomen dat het inkomensverlies voor eiser ten opzichte van zijn maatmaninkomen uitkomt op 30,94%. Dit is te weinig om voor een WIA-uitkering in aanmerking te komen. In bezwaar is de mate van arbeidsongeschiktheid weliswaar iets hoger geacht door verweerder, 31,66% in plaats van 30,94%, echter deze ligt nog altijd onder de grens van 35% die nodig is voor een WIA-uitkering. Verweerder heeft het bezwaar daarom ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 november 2018 en de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 november 2018.

3. Eiser is het niet met verweerder eens. Eiser is namelijk van mening, kort samengevat, dat hij meer medische beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts(en) is aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser in beroep naar wat hij in bezwaar al naar voren heeft gebracht. Daarnaast heeft eiser in beroep een rapportage overgelegd van mevrouw [naam] , klinisch neuropsycholoog, naar aanleiding van het door haar op 19 februari 2019 verrichte neuropsychologisch onderzoek.

4. Verweerder handhaaft in beroep zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat eiser onvoldoende arbeidsongeschikt wordt geacht. Volgens verweerder leidt het in beroep overgelegde neuropsychologisch rapport niet tot een ander oordeel. Verweerder verwijst hierbij naar de in beroep overgelegde reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juni 2019. Deze concludeert dat uit de neuropsychologische rapportage geen ander beeld naar voren komt dan bij verweerder al bekend was en dat met de geconstateerde gebreken in de FML van 16 november 2018, geldig vanaf 5 juni 2018, al voldoende rekening is gehouden door beperkingen aan te nemen in de rubrieken I en II. Om die reden wordt geen aanleiding gezien om de FML aan te passen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Verweerder heeft zijn besluitvorming in deze zaak gebaseerd op de rapportages van door hem ingeschakelde verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiser betwist de juistheid hiervan. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of de rapportages zorgvuldig tot stand gekomen zijn en of er aanleiding is voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van deze rapportages.

5.2.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet zorgvuldig is geweest. Eiser is gezien en onderzocht door zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn daarbij op een deugdelijke en kenbare wijze besproken en onderzocht. Het dossier bevat verder ook de nodige (medische) gegevens van de behandelende artsen van eiser. De verzekeringsartsen beschikten dus over voldoende gegevens om tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van eiser te kunnen komen en een inschatting van diens psychische en fysieke belastbaarheid op de datum in geding te kunnen maken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog gereageerd op de in beroep ingediende neuropsychologische rapportage en ook deze daarmee bij haar beoordeling betrokken. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest.

5.3.

De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel. In de verzekeringsgeneeskundige rapportages wordt inzichtelijk en afdoende gemotiveerd hoe de verzekeringsartsen tot de vastgestelde beperkingen van eiser zijn gekomen en waarom er geen grond bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen. De rechtbank merkt nog op dat de door eiser ondervonden klachten niet leidend zijn voor het aannemen van beperkingen. Dat eiser klachten ondervindt en daardoor beperkt wordt in zijn functioneren wordt ook door verweerder niet betwijfeld, maar op grond van de WIA kan slechts rekening gehouden met beperkingen die objectiveerbaar het gevolg zijn van ziekte of gebrek. Verder overweegt de rechtbank dat eiser geen informatie heeft ingebracht die twijfel oproept aan de conclusies van de verzekeringsartsen. In de in beroep overgelegde neuropsychologische rapportage wordt ook niet gesteld dat het oordeel van de verzekeringsartsen onjuist zou zijn. Bovendien is niet gebleken dat de bevindingen van dit rapport anders zijn dan die van de eerdere neuropsychologische rapportage van Heliomare van 31 augustus 2016, die door de verzekeringsartsen is meegenomen in hun medische rapportages. Er is dan ook geen reden om op grond van het in beroep overlegde neuropsychologisch rapport aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van eiser op onjuiste wijze in de FML van 16 november 2018 zijn neergelegd.

5.4.

De ter zitting naar voren gebrachte stelling van de gemachtigde van eiser dat er ten aanzien van het beoordelingspunt handelingstempo in de rubriek persoonlijk functioneren ten onrechte geen beperking is aangenomen, volgt de rechtbank niet. Uit de FML in combinatie met de verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt voldoende inzichtelijk waarom er op dit punt geen beperking is aangenomen. Vastgesteld moet daarnaast worden dat de verzekeringsarts weliswaar geen beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van het handelingstempo in het dagelijks leven (rubriek 1, beoordelingspunt 7) maar wel beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van het handelingstempo in het soort werk dat eiser geacht kan worden te doen (rubriek 1, beoordelingspunt 9). Eiser is namelijk aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Er zijn dus wel beperkingen in arbeidssituaties aangenomen op dit punt. Ook ten aanzien van het beoordelingspunt spreken in de rubriek sociaal functioneren (rubriek 2, beoordelingspunt 3) blijkt uit de FML in combinatie met de verzekeringsgeneeskundige rapportages voldoende inzichtelijk waarom er op dit punt geen beperking is aangenomen. Eiser functioneert op dit punt namelijk vrijwel ongestoord in het dagelijks leven. Enkel omdat de spraak van eiser wel gestoord kan raken als de energetische klachten toenemen, is in de FML op dit punt toegelicht dat aan de te duiden functies geen hoge spreekvaardigheidseisen moeten worden gesteld. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten tot twijfel aan de juistheid van de FML op dit punt. Eiser heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit deze conclusie moet worden getrokken. Zoals verweerder verder ter zitting heeft toegelicht, is met de toelichting van de verzekeringsarts ook daadwerkelijk rekening gehouden bij het duiden van de functies.

Gelet op het vorenstaande en op hetgeen in de FML in de rubrieken 1 t/m 5 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangegeven, kan worden gevolgd dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een arbeidsduurbeperking. De beroepsgrond slaagt niet.

5.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en dus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de aan eiser voorgehouden functies niet geschikt zouden zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht dat de functies voor eiser geschikt zijn, ondanks de gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van zijn belastbaarheid.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.