Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6444

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3285
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek nadeelcompensatie verkeersregeling Volendam. Causaal verband tussen de verkeersregeling en de omzetdalingen van hotel-restaurant is onvoldoende aangetoond. Geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid advies SAOZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3285

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2019 in de zaak tussen

[hotel] B.V., eiseres 1

en [naam 1] Groep B.V., eiseres 2, beiden te [plaatsnaam] ; tezamen eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres 1 om nadeelcompensatie voor geleden schade als gevolg van de verkeersregeling Noordeinde - Haven - Zuideinde te Volendam, afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Eiseres 1 is vertegenwoordigd door [naam 2] en eiseres 2 is vertegenwoordigd door [naam 3] , beiden vergezeld van [naam 4] (adviseur en gemachtigde ter zitting) en mr. [naam 5] (Langhout & Wiarda juristen en rentmeesters). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Smit, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, vergezeld van mr. [naam 6] van de Stichting [naam stichting] ( [naam stichting] ) en [naam 7] , werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

1.1

[hotel] is een hotel-restaurant gelegen aan de [adres] . Eigenaar van de opstal, waarin het hotel-restaurant is gevestigd, is eiseres 1. Achter het hotel is een parkeerterrein. De onderneming werd sinds 20 december 2007 geëxploiteerd door de vennootschap onder firma [naam vof] , met als vennoten eiseres 1 (75%) en [naam bedrijf 1] B.V. (25%). [naam bedrijf 1] B.V. heeft de vennootschap ultimo 2011 opgezegd tegen 31 december 2012. Per 1 april 2013 is [hotel] B.V. enig, volledig exploitant van het hotel-restaurant. De exploitatie van de onderneming heeft eiseres 1 per 1 juni 2014 overgedragen aan [naam bedrijf 2] B.V.

1.2

Op 1 juni 2011 heeft verweerder verkeersbesluiten genomen, onder meer strekkende tot de afsluiting van de Haven aan de zuidzijde vanaf het Havendijkje tot aan de Zeestraat voor al het gemotoriseerde verkeer van 1 april tot 1 november tussen 11.00 uur en 23.00 uur door plaatsing van verkeersborden en het afdwingen van handhaving daarvan door fysieke maatregelen. Voorts is besloten tot afsluiting van het Noordeinde voor alle motorvoertuigen van 1 april tot 1 november tussen 11.00 uur en 23.00 uur door plaatsing van verkeersborden en het afdwingen van handhaving daarvan door fysieke maatregelen gecombineerd met een elektronisch pasjessysteem. Toegang tot het Noordeinde en daarmee tot het hotel-restaurant aan de Haven en het parkeerterrein voor bezoekers wordt uitsluitend verleend indien en voor zover op het parkeerterrein achter [hotel] parkeerplaatsen vrij zijn, hetgeen middels bebording aan de Parallelweg is aangegeven. De verkeersbesluiten zijn zes weken na bekendmaking in werking getreden en geëffectueerd met ingang van 2012.

1.3

Op 14 januari 2014 heeft verweerder, na een evaluatie van de hiervoor genoemde verkeersregeling, besloten tot een aanpassing van de verkeersregeling op het Noordeinde. Deze verkeersregeling, waarmee afwisselend voor verkeer naar en van de Haven toegang wordt verleend via het Noordeinde, is van een halfuursregeling aangepast naar een kwartiersregeling.

1.4

Eiseres 1 heeft bij brief van 7 januari 2016 op grond van de ‘Regeling Nadeelcompensatie Noordeinde-Haven-Zuideinde 2011’ een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij verweerder, verband houdende met de verkeersregeling voor het Noordeinde. Zij stelt dat die heeft geleid tot omzetderving als gevolg van het wegvallen van klanten die het hotel en restaurant bezoeken. Tevens is volgens eiseres 1 sprake van een waardevermindering van de onroerende zaak als gevolg van de invoering van de verkeersregeling.

2.1

Met het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Verweerder heeft de afwijzing gebaseerd op een advies van april 2017 van [naam stichting] , een door hem in het kader van het verzoek om nadeelcompensatie ingeschakeld adviesbureau. In dit advies concludeert [naam stichting] dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van causaal verband tussen de invoering van de verkeersregeling en de gestelde schade door omzetderving c.q. waardedaling van het object.

2.2

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 tegen het primaire besluit, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Edam-Volendam (de bezwaarschriftencommissie) van 31 mei 2018, ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op de weg van de aanvrager ligt om het causale verband aan te tonen tussen de gestelde schade en het schadeveroorzakende besluit. Eiseres 1 heeft dit mede getracht te doen aan de hand van een in bezwaar ingebrachte contra-expertise van Langhout & Wiarda van 9 oktober 2017. Volgens verweerder zijn er echter teveel andere ontwikkelingen om te kunnen stellen dat sprake is van een causaal verband tussen de invoering van de verkeersregeling en de dalende omzet, zoals het minder goede weer, de algehele ontwikkeling van de Nederlandse economie (crisis) en de wisseling van de eigenaar van het [hotel] , c.q. het uittreden van vennoot [naam bedrijf 1] B.V. uit de vof. Eiseres 1 heeft onvoldoende aangetoond dat deze ontwikkelingen niet van belang zijn en dat juist de verkeersregeling tot vermindering van de omzet heeft geleid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het advies van [naam stichting] , dat nog is aangevuld op 21 december 2017 naar aanleiding van de contra-expertise en vragen van de bezwaarschriftencommissie, op een juiste wijze tot stand is gekomen en met de aanvulling van SOAZ van 21 december 2017 voldoende is gemotiveerd.

Ontvankelijkheid beroep

3.1

Verweerder heeft in beroep gewezen op een mogelijk ontvankelijkheidsprobleem. Ten eerste is volgens verweerder van belang dat alleen [hotel] B.V. een verzoek om nadeelcompensatie heeft gedaan en niet [naam 1] Groep B.V. Verweerder betwijfelt of de [naam 1] Groep B.V. kan worden aangemerkt als gelaedeerde in de zin van de Regeling. [naam 1] Groep B.V. heeft op 1 februari 2018 aan verweerder medegedeeld dat de vordering, waarover thans wordt geprocedeerd, door [hotel] B.V. is overgedragen aan haar, maar dat aan [hotel] B.V. de last is gegeven op haar naam en voor haar rekening door te procederen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat een aanspraak op planschade niet kan worden overgedragen. Volgens verweerder dient dat ook te gelden voor onderhavige aanspraak op nadeelcompensatie. Dit betekent dat de vordering niet is overgedragen en dat het beroep, voor zover ingesteld door [naam 1] Groep B.V., niet-ontvankelijk is. Bovendien stelt verweerder dat geen bewijs van overdracht van de vordering is geleverd door middel van een akte van cessie. Ook indien het bewijs kan worden geleverd, blijft daarmee onduidelijk of [naam 1] Groep B.V. een rechtstreeks betrokken belang heeft bij de besluitvorming, aldus verweerder. Indien de vordering daadwerkelijk is overgedragen, dan is [hotel] B.V. niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang, zo stelt verweerder.

3.2

[naam 1] Groep B.V. heeft in de brief van 1 februari 2018 aan verweerder aangegeven dat de mededeling in die brief - inhoudende dat de vordering van [hotel] B.V. waarover wordt geprocedeerd, is overgedragen aan [naam 1] Groep B.V. - aan de aanhangige procedure niets wijzigt. Daaruit maakt de rechtbank op dat, wat daar ook van zij, die mededeling geen consequenties heeft voor wat betreft de belanghebbendheid. Verweerder heeft het bestreden besluit wel - abusievelijk, zo neemt de rechtbank aan - gericht aan [naam 1] Groep B.V. en niet aan [hotel] B.V., maar de rechtbank vat het bestreden besluit op als bedoeld te zijn gericht aan [hotel] B.V., die het verzoek om nadeelcompensatie heeft ingediend en die stelt de schade na de invoering van de verkeersregeling te hebben geleden. Het beroep, voor zover ingediend door [hotel] B.V. is dan ook ontvankelijk. Het beroep voor zover ingediend door [naam 1] Groep B.V. zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu zij geen rechtstreeks, maar slechts een afgeleid belang heeft bij het beroep tegen het bestreden besluit.

Het bestreden besluit

4.1

Eiseres 1 heeft aangevoerd dat het bestreden besluit geen stand kan houden, nu dat is gebaseerd op een gebrekkig advies van [naam stichting] . Dit advies is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet zorgvuldig vastgesteld. In het bestreden besluit is ten onrechte niet ingegaan op de vele feiten en omstandigheden die in de contra-expertise, de pleitaantekeningen en op de hoorzitting naar voren zijn gebracht. De door [naam stichting] genoemde oorzaken voor het teruglopen van de omzet heeft eiseres 1 voldoende weerlegd. Volgens eiseres 1 is reeds in de procedure ter voorbereiding van de verkeersbesluiten door juridisch adviseurs die door verweerder in het kader van de besluitvorming zijn ingeschakeld, aangegeven dat de uiteindelijk gekozen variant de bereikbaarheid van [hotel] zou aantasten met de financiële gevolgen van dien. Dat blijkt volgens eiseres 1 ook uit de planschaderisicoanalyse van [naam 8] die in het kader van de verkeersregeling is opgesteld. Eiseres 1 concludeert dat het causale verband tussen de schade en de verkeersregeling door haar voldoende aannemelijk is gemaakt.

4.2

De rechtbank stelt voorop dat voor het toekennen van nadeelcompensatie onder meer is vereist dat een causaal verband tussen de schade en het rechtmatige overheidshandelen aannemelijk is. De bewijslast rust op de verzoeker om nadeelcompensatie. Het ligt dus op de weg van eiseres 1 om aannemelijk te maken dat de verkeersregeling heeft geleid tot schade door de omzetdaling dan wel waardedaling van de onroerende zaak.

4.3

De afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie is gebaseerd op het advies van [naam stichting] , dat hangende het bezwaar is aangevuld. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zijn besluitvorming daarop mocht baseren. Daarbij geldt dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat een advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig, en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien dat het geval is, mag een bestuursorgaan van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

4.4

Het definitieve advies van [naam stichting] is tot stand gekomen na onderzoek, een hoorzitting en een conceptadvies, waarop partijen hebben kunnen reageren. Hangende bezwaar heeft [naam stichting] nog een reactie gegeven naar aanleiding van de door eiseres 1 in bezwaar ingediende contra-expertise.

Niet in geschil is dat vanaf 2012 sprake is geweest van een dalende omzetontwikkeling. De cijfers die [naam stichting] aan haar advisering ten grondslag heeft gelegd, worden door eiseres 1 niet bestreden. [naam stichting] heeft eiseres 1 geconfronteerd met de dalende omzetten van het hotel, waaronder de negatieve omzetontwikkeling in de maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de verkeersregeling in april 2012 en de (fors) lagere omzetten in de periodes in de jaren 2012 en 2013 dat de verkeersregeling niet van kracht was (januari tot en met maart, november en december) en heeft gevraagd om een verklaring daarvoor. Eiseres 1 heeft aangegeven dat de lagere omzetten te wijten waren aan het wegvallen van grote evenementen en congressen, de opzegging van contracten door touroperators, het wegblijven van hotelgasten vanwege een te grote loopafstand van de parkeerplaats tot het hotel en de terugloop van zakelijke lunches, allemaal het gevolg van de verkeersregeling. Verder heeft zij aangevoerd dat schommelende omzetten in de maanden januari tot en met maart heel normaal zijn voor haar onderneming, zoals ook blijkt uit de cijfers van 2011. Het lag op de weg van eiseres 1 om haar stellingen over deze oorzaken voor de omzetontwikkelingen (met bewijsstukken) te onderbouwen. Eiseres 1 heeft echter, hoewel zij daarvoor ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, geen concrete onderbouwing gegeven, noch heeft zij de door [naam stichting] genoemde mogelijke andere oorzaken voor omzetdaling afdoende weerlegd. [naam stichting] heeft meerdere mogelijke andere oorzaken genoemd, die geen verband houden met de verkeersregeling, zoals minder goede weersomstandigheden, de slechtere prestaties ten opzichte van de branche en de ondernemerskeuzes die gaandeweg zijn gemaakt, zoals het - relatief kort na de inwerkingtreding van de verkeersregeling - grootschalig ontslag van personeel, sluiting van een gedeelte van het hotel en de onttrekking uit de onderneming van twee substantiële bedragen in 2011. [naam stichting] heeft er ook op gewezen dat de omzetten na de overname door [naam bedrijf 2] B.V. ondanks het feit dat de verkeersregeling is gehandhaafd, zich heel behoorlijk hebben hersteld naar niveaus van voor de invoering van de verkeersregeling. Ook heeft [naam stichting] gesteld dat de loopafstand vanaf het parkeerterrein tot het hotel niet dermate groot is dat een potentiële gast daarom zal afzien van een overnachting in het hotel. De stelling van eiseres 1 dat voorafgaand aan de verkeersregeling een planschaderisicoanalyse is gemaakt die er op zou wijzen dat de verkeersregeling tot schade kon leiden, leidt niet tot een ander oordeel. Dat verweerder voorafgaand aan de invoering van de verkeersregeling de mogelijkheid van het optreden van schade door de verkeersregeling heeft onderkend, doet aan de op eiseres 1 rustende bewijslast tot het aannemelijk maken van schade als gevolg van de verkeersregeling niet af.

4.5

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat de advisering van [naam stichting] niet zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud niet inzichtelijk en concludent is, zodat verweerder deze advisering aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Van de zijde van eiseres 1 zijn geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de SOAZ advisering naar voren gebracht. Eiseres 1 heeft kritische kanttekeningen bij de [naam stichting] advisering geplaatst en uitgelegd waarom zij anders aankijkt tegen de oorzaken voor de dalende omzetcijfers, maar zij heeft niet (met bewijsstukken) onderbouwd dat (geheel of gedeeltelijk) sprake is van causaal verband tussen de dalende omzetcijfers en de verkeersregeling. De door [naam stichting] aangegeven mogelijke andere oorzaken voor de dalende omzetcijfers zijn door eiseres 1 niet afdoende weerlegd. De beroepsgronden van eiseres 1 slagen daarom niet.

5. Het beroep, voor zover ingediend door eiseres 1, is ongegrond. Reeds hierom bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover ingediend door [naam 1] Groep B.V.,

niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover ingediend door [hotel] B.V., ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en mr. E. Jochem en mr. R.H.M. Bruin, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.