Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6442

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 798
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wat betreft het standpunt van eiseres dat meer beperkingen moeten worden aangenomen dan de verzekeringsartsen hebben gedaan, volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn toelichting dat er weliswaar sprake is van veel klachten en aandoeningen maar dat een groot deel van deze klachten onvoldoende medisch objectiveerbaar is om tot een andere uitkomst over de arbeidsgeschiktheid te kunnen leiden. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat duidelijk is gemotiveerd waarom de klachten die volgens eiseres te wijten zijn aan het ASIA-syndroom niet (voldoende) medisch objectiveerbaar zijn, omdat over het ASIA-syndroom nog onvoldoende bekend is. Hoewel de rechtbank heel goed begrijpt dat het voor eiseres moeilijk moet zijn dat zij onvoldoende erkenning krijgt voor de door haar ervaren medische klachten, staat de eis van objectivering in de weg aan het aannemen van verdergaande beperkingen. Aan het ASIA-syndroom kan dan ook niet de door eiseres gewenste waarde worden gehecht. Dat het RIVM gevraagd is een vervolgstudie te verrichten doet hieraan niet af. De uitkomsten van dit onderzoek zijn immers nog niet bekend. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/798

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf 1 augustus 2017 beëindigd.

Bij besluit van 30 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Eiseres is samen met haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C. Husmann. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 24 juli 2018 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en verweerder om een nadere toelichting verzocht.

Op 24 augustus 2018 heeft verweerder een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd, waar eiseres bij brief van 27 september 2018 op heeft gereageerd. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 oktober 2018 overgelegd. Eiseres heeft hierop bij brief van 16 november 2018 gereageerd. Verweerder heeft een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 maart 2019 overgelegd. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 18 april 2019 haar reactie gegeven.


Het onderzoek is ter zitting voortgezet op 27 juni 2019. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was laatstelijk werkzaam als office manager/hoofd administratie voor 21 uur per week. Op 5 augustus 2013 heeft zij zich ziek gemeld. Op 16 juni 2015 is eiseres door een verzekeringsarts onderzocht in het kader van een einde wachttijd beoordeling. Deze heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige achtte eiseres aan de hand van deze FML na arbeidsdeskundig onderzoek van 7 augustus 2015 ongeschikt voor het verrichten van haar eigen werk maar wel geschikt om andere functies te verrichten. In deze functies kon eiseres 18,98% minder verdienen dan dat zij deed voordat zij ziek werd. Hiermee kwam eiseres niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft verweerder daarom de door eiseres per 3 augustus 2015 aangevraagde WIA-uitkering afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar van eiseres is bij besluit van 8 december 2015 ongegrond verklaard. Weliswaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML iets aangepast, de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep achtte eiseres desondanks geschikt voor het verrichten van de functies van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar, productiemedewerker voedingsmiddelen industrie en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten). Hiermee kon eiseres 18,65% minder verdienen dan dat zij deed voordat zij ziek werd en kwam daarom nog altijd niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.

1.2.

Gedurende de hiervoor genoemde WIA-procedure had eiseres zich op 16 oktober 2015 ook ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW) per 30 september 2015. Op
11 januari 2016 is zij in dit kader door de verzekeringsarts onderzocht. Deze achtte eiseres eveneens in staat om de eerder geduide functie van wikkelaar te verrichten. Eiseres is daarom per 20 januari 2016 weer hersteld geacht in het kader van de ZW. Per 6 juni 2016 heeft eiseres zich opnieuw ziek gemeld. Naar aanleiding daarvan is zij op
19 juli 2016 door een verzekeringsarts onderzocht. Deze achtte eiseres op dat moment nog altijd geschikt voor het verrichten van de functie van wikkelaar. Eiseres is daarom bij besluit van 12 augustus 2016 per 15 augustus 2016 hersteld gemeld. Het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres is bij besluit van 1 november 2016 gegrond verklaard omdat eiseres volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met het volgen van een multidisciplinair revalidatietraject per 12 augustus 2016 niet in staat was de geduide functies te verrichten. De ZW-uitkering van eiseres is daarom per 12 augustus 2016 voortgezet.

2. De procedure waar het hier om gaat is de eerstejaars Ziektewet beoordeling van eiseres. In dit kader is eiseres wederom door een verzekeringsarts onderzocht. In haar rapportage van 30 mei 2017 is geconcludeerd dat er nog altijd beperkingen zijn voor persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Wel zijn er benutbare mogelijkheden voor het kunnen verrichten van arbeid. Er is een daarom een nieuwe FML opgesteld, geldend per 30 mei 2017. Aan de hand van deze FML acht de arbeidsdeskundige eiseres nog altijd geschikt voor één van de in het kader van de WIA-uitkering op 7 augustus 2015 geduide functies, namelijk die van wikkelaar. Eiseres is als gevolg hiervan bij het primaire besluit per 1 augustus 2017 hersteld geacht in het kader van de ZW.

3. Eiseres is het niet eens met haar hersteldverklaring. Er is sprake van een verslechtering van haar gezondheid. Bij eiseres zijn het ASIA-syndroom (verzamelnaam voor aantasting van het immuunsysteem door onder meer blootstelling aan siliconen door implantaten), fibromyalgie, het syndroom van Reynaud en het Sjögren syndroom vastgesteld. Daarnaast is er sprake van slijtage van de ruggenwervels en nekwervels en kampt eiseres met PTSS/depressieve klachten. Ondergane operaties hebben helaas niet geleid tot verbetering. Er zijn juist complicaties opgetreden. De huisarts en de echoscopist hebben verdikkingen in de oksel vastgesteld. Er heeft chirurgisch onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft verder onvoldoende waarde gehecht aan de informatie van dr. [naam 1] ten aanzien van Raynaud. Al met al dienen er meer beperkingen te worden aangenomen, waaronder een urenbeperking. Eiseres is het dan ook niet eens met de conclusies van de verzekeringsarts in haar medische rapportage van 30 mei 2017 noch met de daarop gebaseerde FML. Daarnaast vindt eiseres de door de arbeidsdeskundige geduide functie van wikkelaar ongeschikt vanwege de overschrijding van de belastbaarheid op het punt van schroefbewegingen met hand- en arm maken (4.7). Daarbij komt dat eiseres met een soldeerbout moet werken terwijl zij beperkt is geacht op het punt hoog persoonlijk risico.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 januari 2018. Uit dit rapport komt naar voren, samengevat, dat het duidelijk is dat eiseres een aantal aandoeningen denkt te hebben, maar dat deze onvoldoende te objectiveren zijn. Wel is duidelijk dat eiseres als gevolg van lekkende borstprotheses en hersteloperaties lokale klachten heeft. Onderzoek naar het ASIA-syndroom wijst verder uit dat dit syndroom maar door een enkele arts in Nederland wordt gediagnostiseerd en dat de diagnosticerende behandelaar van eiseres niet meer in Nederland (werkzaam) is. De nieuwe behandelaar van eiseres is nog met zijn onderzoek bezig, maar gezien de eerdere uitgebreide onderzoeken is er geen aanleiding de uitkomsten hiervan af te wachten. Verder blijkt uit onderzoek van het RIVM uit 2014 dat er geen causaal verband is aan te tonen tussen siliconenborstimplantaten en gezondheidsklachten. De door dr. [naam 1] gestelde diagnose is niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek volgens het RIVM. Uit de informatie valt niet op te maken dat er vijf auto-immuunziekten zijn. Dus ook niet de ziekte van Sjögren. Droge ogen passen hier wel bij, maar dit alleen is onvoldoende om die diagnose te kunnen stellen. Bovendien heeft eiseres deze klachten al jaren, ook voordat zij de implantaten kreeg. Behoudens een eenmalige verhoogde waarde in 2016 zijn er nooit afwijkende anti-immuunstoffen aangetoond en zijn er dus geen geobjectiveerde bevindingen om een anti-immuun syndroom vast te stellen. Een eenmalige zwakke afwijking is hiervoor onvoldoende.

Een groot deel van de overige klachten kan alleen toegeschreven worden aan het pijnsyndroom en spanningsklachten. Eiseres is ruimer belastbaar dan zij zelf ervaart. Op de FML is voldoende rekening gehouden met de klachten als gevolg van het pijnsyndroom. Er zijn zelfs meer beperkingen aangenomen als gevolg van schouderklachten terwijl er nu bij onderzoek geen sprake meer is van een bewegingsbeperking en de bevindingen ook niet passen bij een tenniselleboog. Er zijn ook geen argumenten aanwezig voor een urenbeperking. De psychische klachten geven geen aanleiding de geclaimde beperkingen over te nemen. Er zijn geen aanwijzingen voor een duidelijke depressie. Een PTSS is overwogen maar niet aangetoond en met de beperkingen als gevolg van de persoonlijkheidsstoornis is op de FML in voldoende mate rekening gehouden. Het syndroom van Raynoud treedt op bij koude of trillingen. Dit komt niet voor in de functie van wikkelaar. Bij duplex van de armen zijn arterieel geen bijzonderheden waargenomen. Er is dus geen vaatbeknelling in de nek/schouder aangetoond. De FML kan dan ook standhouden. Eiseres kon hersteld beschouwd worden voor de functie van wikkelaar.

5. In beroep handhaaft eiseres haar stelling

dat zij meer beperkt is dan aangenomen door de verzekeringsartsen. Het onderzoek is volgens eiseres onzorgvuldig geweest. Er is sprake van een consistent geheel aan klachten en beperkingen die voortkomen uit ziekte of gebrek. Er is vastgesteld dat sprake is van diverse auto-immuun ziekte na lekkage van siliconen (ASIA-syndroom, fibromyalgie, syndroom van Raynaud en Sjögren syndroom). Hierdoor heeft zij ontstekingen in haar lichaam. Ondanks operaties in 2015 en 2016 blijft zij klachten houden. Er is sprake van verdikking/siliconen en zwarte vlekken in haar rechteroksel, waarvoor zij nog steeds onder behandeling is. Hieraan is ten onrechte voorbij gegaan, dit in weerwil van de bevindingen bij eigen onderzoek. Gewezen wordt op de informatie van de huisarts van 27 mei 2016, van prof. [naam 1] en van de internist, vasculair geneeskundige dr. [naam 2] . Hieraan is ten onrechte geen waarde gehecht. Er is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar het onderzoek van RIVM uit 2014. Daarbij is echter voorbij gegaan aan het feit dat de Inspectie van de Gezondheidszorg reden heeft gezien het RIVM te vragen om de klachten die vrouwen ervaren na plaatsing van siliconen borstimplantaten in kaart te brengen. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de minister van VWS gevraagd om een vervolgonderzoek.
De aanname van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er nooit afwijkende anti-immuunstoffen zijn aangetoond en er dus geen geobjectiveerde bevindingen zijn om auto-immuun syndromen vast te stellen is eveneens onjuist. Eiseres wijst op uitslagen van de immunologie-onderzoeken in 2016 en 22 november en mei 2017. Ook is bij onderzoek vastgesteld dat de bloedtoevoer naar haar vingers niet goed is (syndroom van Raynoud). Verder heeft zij last van slijtage aan haar ruggenwervel, darmklachten, depressieve klachten/PTSS en hartklachten/lage bloeddruk. Er is nog allerlei onderzoek gaande. Dit had door de verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten worden afgewacht. Dat het niet waarschijnlijk is dat er nog iets nieuws wordt gevonden kan eiseres niet volgen. Eiseres heeft voorts verwezen op informatie van de fysiotherapeut van 25 maart 2018.

6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop in haar rapportage van 15 juni 2018 in beroep als volgt gereageerd. De ingebrachte medische informatie bevat geen medische gegevens op grond waarvan aanvullende beperkingen zouden moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep reageert puntsgewijs op de beroepsgronden:
- De verzekeringsarts gaat voorbij aan het in oktober 2017 afgeronde onderzoek van het RIVM.
Dat rapport is niet meer dan een inventarisatierapport, op basis waarvan geen uitspraak kan worden gedaan over of de implantaten de oorzaak zijn van gezondheidsklachten. De aanbeveling luidt nader wetenschappelijk onderzoek. En er is ten opzichte van het rapport uit 2014 geen ander medisch inzicht.
- Aanname van de verzekeringsarts dat er geen afwijkende anti-immuunstoffen zijn aangetoond.

Uit de bijgevoegde labwaarden blijkt niet van een immuunziekte. De waarde anti cardiolipine IgM is slechts dan als afwijkend (verhoogd) te bestempelen als dit op twee verschillende tijdstippen door middel van ELISA tenminste twaalf weken na elkaar is gemeten. Dit is niet het geval. Bovendien is verhoging van deze waarde niet pathognomonisch voor een auto-immuunziekte. ANA-antistoffen zijn dubieus verhoogd. Ook dan kan niet de conclusie van een immuunziekte getrokken worden.
-Er is sprake van Raynaud.
Er zijn aanwijzingen voor Raynaud. Werken in koude of met trillingen kunnen luxerende factoren zijn. Deze komen in de functie van wikkelaar niet voor. De TOS test is positief. Dit was reeds bekend en geeft geen reden voor meer beperkingen. De arm/schouderfunctie is ongestoord. TOS klachten treden alleen op in uiterste rekstanden van de schouder/nekregio. Door de beperking van boven schouderhoogte actief zijn wordt hiermee rekening gehouden. De afspraak met de plastische chirurg is van ver na datum in geding.
- Er is sprake van slijtage van de ruggenwervel.
Slijtage is geen reden voor verdergaande beperkingen. Beweging is heilzaam. Bij onderzoek is geen functiebeperking van de rug geobjectiveerd. Door de aangenomen beperkingen wordt zwaardere belasting voorkomen.
- Er is sprake van verzakking van de dunne darm.
Er zijn, buiten de defecatie om, geen afwijkingen en dus geen arbeidsbelemmeringen. Er is geen sprake van enterocele, dus geen verzakking.
- Er zijn meer psychische beperkingen.
Uit de informatie blijkt van een lichte depressie. Hiermee is in de FML rekening gehouden. De diagnose PTSS is niet gesteld.
- Lage bloeddruk, verwijzing naar de cardioloog.
Een lage bloeddruk bij het opstaan blijkt niet uit de stukken. Bij vaatonderzoek op
18 september 2017 werd dit niet geconstateerd. De verwijsbrief is van ver na datum in geding. Er is geen informatie over eerdere hartklachten aanwezig. Trommelstokvingers en horlogeglasnagels kunnen zich bij verschillende interne aandoeningen voordoen, maar ook zonder onderliggend lijden. Dit leidt niet tot het aannemen van verdergaande beperkingen.
- Nieuwe lopende onderzoeken hadden moeten worden afgewacht.
In bezwaar dient een heroverweging plaatst te vinden per datum in geding met inachtneming van de tot dan toe bekende geobjectiveerde afwijkingen.
- Informatie van de fysiotherapeut.
Deze gegevens waren al bekend en zijn meegewogen in bezwaar.

7. Ter zitting op 21 juni 2018 is vervolgens onder meer aan de orde gekomen dat eiseres een reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de door haar aangevoerde grond dat de functie wikkelaar onder andere vanwege een overschrijding van de belastbaarheid op het punt 4.7 ongeschikt is, mist. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak op 24 juli 2018 weer heropend en verweerder alsnog verzocht om een nadere toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (eventueel in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep) op de passendheid van de functie wikkelaar, ten aanzien van het beoordelingspunt 4.7.

8. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 21 augustus 2018 zijn reactie ingediend. De maatstaf is in de onderhavige situatie de combinatie van functies die geduid zijn bij de eerdere WIA beoordeling. Als eiseres geschikt is voor één van deze functies is er sprake van herstel. In het primaire besluit is er één functie met name genoemd. Dit wil niet zeggen dat er niet meer functies geschikt zouden kunnen zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de belasting in de per augustus 2015 geduide functies vergeleken met de belasting zoals vastgelegd in de FML van 30 mei 2017. Na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep komt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie dat de functies van wikkelaar en productiemedewerker industrie vanwege overschrijding van de belastbaarheid van eiseres op het punt 4.7 niet passend zijn. De functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie is echter wel volledig passend. De ZW-uitkering is dus terecht beëindigd, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

9. Eiseres stelt zich in haar reactie van 27 september 2018 op het standpunt dat haar beroep gelet hierop gegrond is en de beëindiging van de ZW-uitkering per 1 augustus 2017 niet in stand kan blijven, omdat de hieraan ten grondslag gelegde motivering onjuist is en volledig komt te vervallen. Het standpunt dat de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie passend is voor eiseres kan nu niet opeens aan de beëindiging van de ZW-uitkering per 1 augustus 2017 ten grondslag worden gelegd en is bovendien onjuist. De belastbaarheid van eiseres wordt namelijk ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico en duwen of trekken en frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk overschreden. Bovendien is de passendheid van deze functie nog niet eerder door een (bezwaar)verzekeringsarts beoordeeld.

10. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hierop met een rapportage van
8 oktober 2018 gereageerd. Hersteld melding kan volgen als sprake is van passendheid van één van de eerder geduide functies. De functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie is passend. Gladde vloeren staat niet vermeld in de FML als een voor eiseres onacceptabel hoog risico. Nergens valt uit af te leiden dat lopen over een gladde vloer voor eiseres niet mogelijk is. Dit is niet gelijk aan werken op hoogte. De functie betreft geen chauffeursfunctie en er worden geen gevaarlijke machines bediend. Eiseres is voorts niet beperkt ten aanzien van duwen of trekken. Zij kan ongeveer 15 kg duwen of trekken en incidenteel zwaarder. Er wordt in de functie tijdens 4 van de 8 werkuren twee keer per uur een rolbak met vleesdeeg geduwd waarvoor soms een kracht nodig is van meer dan 15 kg. De functie waar eiseres naar verwijst is een andere versie, namelijk die van 21 februari 2017 en niet die in 2015. Bepalend is de functie zoals die geduid is per augustus 2015, met de belastbaarheid die toen beschreven is. Hierin wordt gesproken van 80 kg en niet van 200 kg, dus een lager benodigde kracht. In het rapport van 8 december 2015, dat ten grondslag lag aan het besluit op bezwaar in de eerdere WIA procedure, is reeds beargumenteerd dat de grotere kracht die nodig is wordt gecompenseerd door de geringe frequentie per uur en het feit dat de belasting niet ieder uur van de dag voorkomt. Dit besluit staat in rechte vast. Ook ten aanzien van het item tillen wijst eiseres op de versie uit 2017. Echter in de versie van 2015 blijft de belasting binnen de belastbaarheid. De functie is dan ook volledig passend.

11. Eiseres heeft bij brief van 16 november 2018 vermeld dat gekeken dient te worden naar de belastbaarheid van de functie op 1 augustus 2017. De functie in 2015 is op dat moment niet meer voorhanden. Op 21 februari 2017 is deze functie geactualiseerd. Op 4 juli 2017 heeft ook de primaire arbeidsdeskundige de geactualiseerde functie beoordeeld en niet die uit 2015. De belastbaarheid wijkt op meerdere onderdelen aanzienlijk af en is zwaarder dan de per 5 augustus 2015 vastgestelde belasting. De belasting in de functie in de versie in 2017 gaat de belastbaarheid van eiseres te boven.
Subsidiair stelt eiseres dat gelet op de actualisering van de functie in 2017 getwijfeld kan worden aan de juistheid van de op 5 augustus 2015 geldende belasting van de functie. Eiseres verzoekt nadere informatie van de arbeidskundig analist om dit na te kunnen gaan.
Verder is de functie ten onrechte niet (ook) ter beoordeling voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

12. In haar rapportage van 15 maart 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich op het standpunt gesteld dat er uitgegaan dient te worden van de functiebeschrijving uit 2015. Het is te vergelijken met een ‘normale’ maatmanfunctie. Die wordt beschreven op het moment dat de betrokkene ziek wordt en blijft onveranderd geldig. Deze wordt ook niet later aangepast of bijgesteld als de oorspronkelijk functie dan op een andere manier zou worden uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft er verder meerdere malen op gewezen dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens zoals vermeld in het Claimbeoordeling- en Borgingssysteem (CBBS). Deze zijn door eiseres ongemotiveerd bestreden. Er is daarom geen aanleiding voor twijfel.
Bespreking van de passendheid van de functie met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet verplicht. Overleg is gebruikelijk bij twijfel of iemand een bepaalde belasting aankan. Hiervan is echter bij deze functie geen sprake.
Ten aanzien van het item boven schouder hoogte actief zijn vermeldt de arbeidskundige bezwaar en beroep het volgende. Eiseres kan minder dan 5 minuten aaneen actief zijn. Zij kan dit wel (minder dan) 1 minuut, zoals in de functie aan de orde is. De belasting van 5 keer per uur minder dan 1 minuut leidt niet tot een in zijn totaliteit zwaardere belasting dan twee keer per uur tot 5 minuten boven schouderhoogte werken.

13. Eiseres heeft bij brief van 18 april 2019 een door haar geschreven e-mail onder de aandacht gebracht. Zij heeft wel gemotiveerd gesteld dat haar beperkingen verdergaand zijn dan vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft niet op alle gronden gereageerd. Eiseres kan niet geschikt geacht worden voor werk dat er niet meer is. De FML is na augustus 2015 aangepast op de punten 4.7 en 5.7. Ten onrechte heeft er geen overleg plaatsgevonden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De aanzienlijke verzwaring van de functie in 2017 ten opzichte van die in 2015 maakt dat er getwijfeld wordt aan de juistheid van de belasting van de functie in 2015. Van verweerder kan mede gelet op de uitspraak van de CRvB worden verlangd dat gegevens worden overgelegd ter verificatie van de juistheid van de gegevens uit het CBBS. De ZW-uitkering is volgens eiseres ten onrechte beëindigd.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

14.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2056).

14.2.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen beschikten over voldoende gegevens om ten aanzien van de datum in geding tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van eiseres te komen. Alle door eiseres naar voren gebrachte klachten zijn daarnaast op een deugdelijke en kenbare wijze besproken bij de medische beoordeling. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de namens eiseres in beroep ingediende (medische) gegevens en deze bij zijn beoordeling betrokken. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig is geweest. De beroepsgrond van eiseres dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest slaagt dan ook niet.

14.3.

De rechtbank ziet verder evenmin aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel in deze zaak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom eiseres op de datum in geding als hersteld kan worden beschouwd voor de ZW. Daarbij moet worden vooropgesteld dat niet de diagnose, maar de vraag welke beperkingen uit de aandoeningen voortvloeien bepalend is voor de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2918). Wat betreft het standpunt van eiseres dat meer beperkingen moeten worden aangenomen dan de verzekeringsartsen hebben gedaan, volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn toelichting dat er weliswaar sprake is van veel klachten en aandoeningen maar dat een groot deel van deze klachten onvoldoende medisch objectiveerbaar is om tot een andere uitkomst over de arbeidsgeschiktheid te kunnen leiden. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat duidelijk is gemotiveerd waarom de klachten die volgens eiseres te wijten zijn aan het ASIA-syndroom niet (voldoende) medisch objectiveerbaar zijn, omdat over het ASIA-syndroom nog onvoldoende bekend is. Hoewel de rechtbank heel goed begrijpt dat het voor eiseres moeilijk moet zijn dat zij onvoldoende erkenning krijgt voor de door haar ervaren medische klachten, staat de eis van objectivering in de weg aan het aannemen van verdergaande beperkingen. Aan het ASIA-syndroom kan dan ook niet de door eiseres gewenste waarde worden gehecht. Dat het RIVM gevraagd is een vervolgstudie te verrichten doet hieraan niet af. De uitkomsten van dit onderzoek zijn immers nog niet bekend. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden gevolgd.

15.1.

Met betrekking tot de grond van eiseres dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat in beroep de functie van wikkelaar is komen te vervallen pas toen de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie aan eiseres is tegengeworpen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat er op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft immers tot in beroep volgehouden dat eiseres geschikt moet worden geacht voor de functie wikkelaar en dit is ook de enige in het bestreden besluit genoemde functie. Het besluit is hiermee in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het besluit wordt vernietigd.

15.2.

De rechtbank ziet met de door verweerder in beroep gegeven motivering over de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand te laten, nu in de beroepsfase alsnog een deugdelijke motivering is gegeven en de overige beroepsgronden niet slagen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

15.3.

Zoals hiervoor al is overwogen, gaat het in een zaak als deze om elk van de geduide functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in beroep op deugdelijke wijze gemotiveerd dat de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie voor eiseres geschikt is en dat deze functie alleen al de hersteldverklaring kan dragen. Zoals verweerder verder terecht heeft opgemerkt is in de onderliggende stukken van de primaire besluitvorming de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie al geduid. Hierbij is de arbeidsdeskundige ook terecht uitgegaan van de functieomschrijving zoals deze gold ten tijde van de eerdere WIA beoordeling op 7 augustus 2015. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt namelijk dat in een geval als het onderhavige, waarin de maatstaf “zijn arbeid” wordt gevormd door de in het verleden in het kader van een WIA-beoordeling geselecteerde functies, het niet relevant is of die functies nog bestaan ten tijde van de ongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW. In het verlengde daarvan is evenmin relevant of de belasting, verbonden aan de destijds geselecteerde functies, ten tijde van de ongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW inmiddels op onderdelen is gewijzigd (zie ook de uitspraak van de CRvB van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3619).

15.4.

De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat de belasting van de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie de medische belastbaarheid van eiseres zoals verwoord in de FML overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de beperkingen als genoemd in de FML. Voor de stelling van eiseres dat verweerder gehouden is de functie voor te houden aan een verzekeringsarts bestaat geen (wettelijke) grondslag. Voor zover de beroepsgronden van eiseres zich richten op de juistheid van het CBBS wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van de CRvB waaruit volgt dat het CBBS als ondersteunend systeem in beginsel rechtens aanvaardbaar is (zie onder meerde uitspraken van de CRvB van 9 november 2004,ECLI:NL:CRVB: 2004:AR4719 en 4 september 2013, ECLI:CRVB:2013:1647). Het is verder vaste jurisprudentie dat in beginsel van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. In dit verband verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de CRvB van 8 augustus 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390). In die uitspraak is voorts overwogen dat, indien door een betrokkene de juistheid van deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden of indien de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt, van het UWV kan worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende gemotiveerd en niet met concrete stukken heeft onderbouwd dat de gegevens die in het CBBS zijn opgenomen onjuist zijn.

16. Nu het beroep gegrond verklaard wordt, dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

17. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.280,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, ter waarde van € 512, - maal wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.