Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6430

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
15/976002-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vrijspraak omkoping ambtenaar

verweer nietigheid dagvaarding verworpen

beroep op niet-ontvankelijkheid OM ivm tijdsverloop en bijkomende bijzondere omstandigheden verworpen

beroep op verjaring verworpen, stuitingshandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/976002-14 (P)

Uitspraakdatum: 23 juli 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

16 april en 9 juli 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. R.E.I. Steen en mr. W.J. Veldhuis (hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: officier van justitie) en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. A.J.N. Van Stigt, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 6 juli 2009, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de jaren 2004 tot en met 2009, in de gemeente(n) Heemstede en/of Hoofddorp en/of Haarlem en/of Amsterdam en/of Hattem en/of elders in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), meermalen, althans eenmaal, een ambtenaar, te weten [naam] , in

diens hoedanigheid van Lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en/of als gedeputeerde van het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Holland (al dan niet via [rechtspersoon 1] ) één of meer gift(en) en/of belofte(n) heeft gedaan en/of dienst(en) heeft verleend en/of aangeboden, te weten

a. a) een gift van EUR 14.875 (betaald op 6 februari 2007) en/of

b) een gift van EUR 20.000 (betaald op 21 juli 2008) en/of

c) een belofte (gedaan per brief van 30 november 2004) tot de betaling van 1½ % van de verkoopprijs en eventuele nabetalingen van [rechtspersoon 2] . aan [rechtspersoon 3] en/of

d) (een) belofte(n) (gedaan per brief d.d. 14 november 2005) tot de betalingen van EUR 90.000 en/of EUR 50.000 en/of EUR 50.000 en/of EUR 35.000

gedaan en/of verleend en/of aangeboden door hem, verdachte, (in zijn hoedanigheid van directeur/bestuurder van [rechtspersoon 4] ) en/of [rechtspersoon 4]

althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die [naam] te bewegen in zijn bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door die [naam] , in zijn huidige en/of vroegere bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) -zakelijk weergegeven- :

- ( anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 2] en/of

- aangaan en/of onderhouden van een relatie tussen [naam] en hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 2] teneinde (aldus) voor hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 2] een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen en/of

- ten gunste van hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 2] (pogen te) beïnvloeden van besluitvormingsprocedures van de provincie Noord-Holland) en/of ambtenaren van de provincie Noord-Holland en/of

- ( ten gunste van hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] ) (pogen te) beïnvloeden van besluitvormingsprocedures van de provincie Noord-Holland met betrekking tot de ontwikkeling van het gebied Lutkemeren en/of

- ( ten gunste van hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] ) verrichten van diensten aan (een) private partij(en) in de vorm van het adviseren bij de overname van [rechtspersoon 2] door [rechtspersoon 3] en/of (vanuit de hoedanigheid van [naam] als ambtenaar) het met elkaar in contact brengen/ koppelen van (de private partijen) [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] en/of - (ten gunste van hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] ) het adviseren en/of bemiddelen bij de verkoop van gronden in de Lutkemeerpolder en/of

- met aanwending van zijn, [naam] , gezag en invloed in de provincie Noord-Holland, pogen een betere positie te bewerkstelligen voor hem, verdachte, en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 2] binnen de provincie Noord-Holland.

2 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen onder de gedachtestreepjes 1-4, 6 en 7 is omschreven onvoldoende feitelijk en concreet is en niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zonder nadere concretisering kan de koppeling tussen het ten laste gelegde en het dossier niet worden gemaakt en is het voor de verdediging niet duidelijk waartegen zij zich in dit verband moet verdedigen.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, bezien in samenhang met het dossier en de behandeling op zitting, voldoende concreet is en verdachte wist waartegen hij zich diende te verdedigen. Er is geen jurisprudentie die voorschrijft dat het oogmerk in de tenlastelegging scherper omschreven dient te worden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De inhoud van de tenlastelegging wordt niet alleen beoordeeld aan de hand van de letterlijke tekst maar moet mede worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier.

De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de daaraan te stellen eisen nu deze een voldoende duidelijke en voldoende feitelijke opgave inhoudt van het strafbare feit dat verdachte ten laste is gelegd en dus in zoverre in overeenstemming is met de eisen die artikel 261 Sv stelt. Bezien in combinatie met het onderliggende strafdossier moet het verdachte volstrekt duidelijk zijn wat hem wordt verweten en waartegen hij zich diende te verdedigen. Bovendien is bij de bespreking van het ten laste gelegde ter terechtzitting gebleken dat dat ook het geval was.

Daarnaast is inherent aan het strafbare feit van omkoping dat in algemene zin kan worden omschreven wat de tegenprestatie inhoudt, met name nu voor een bewezenverklaring niet is vereist dat sprake is van een concrete tegenprestatie maar voldoende kan zijn het doen ontstaan of onderhouden van een relatie met als doel enige vorm van begunstiging.

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.

Beroep op niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding geheel te wijten is aan het Openbaar Ministerie. Daarnaast is sprake van bijzondere bijkomende omstandigheden, te weten dat het in de rede had gelegen de zaak van verdachte tezamen met de zaak van [naam] te behandelen. Nu het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen eerst de strafzaak tegen [naam] af te ronden, is de termijn onaanvaardbaar lang opgerekt, hetgeen strijdig is met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Ook heeft het Openbaar Ministerie signalen van de verdediging om de zaak te seponeren dan wel op zitting te brengen genegeerd, hetgeen inbreuk maakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en raakt aan het recht op een eerlijke behandeling.

Het voorgaande dient - in onderlinge samenhang beschouwd - te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het uitgangspunt in de jurisprudentie is dat het Openbaar Ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het lange tijdsverloop op zich is daarvoor niet voldoende. Er is geen sprake van bijkomende bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid. De beslissing tot gesplitste vervolging is doelbewust genomen, mede gelet op de impact en omvang van de reeds afgedane zaak, zodat geen sprake is van een willekeurige vervolgingsbeslissing.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden.

De rechtbank gaat in onderhavige zaak uit van een aanvang van de redelijke termijn op 26 november 2014, de dag waarop de verdediging met het Openbaar Ministerie gesprekken heeft gevoerd over de mogelijkheid van een buitengerechtelijke afdoening van de zaak. Deze gesprekken hebben niet geleid tot een schikking, waarna het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld over te gaan tot vervolging. Op 23 december 2014 heeft de verdediging verzocht om het horen van 21 getuigen. Op 30 januari 2015 heeft het Openbaar Ministerie een concept tenlastelegging verstrekt. Bij beslissing van 17 juli 2015 heeft de rechter-commissaris besloten tot het horen van 14 getuigen. Het laatste getuigenverhoor vond plaats op 1 februari 2017. De behandeling van de zaak op 16 april 2019 is aangehouden in verband met gezondheidsproblemen van de raadsman, waarna de zaak inhoudelijk is behandeld op 9 juli 2019. De rechtbank wijst vonnis op 23 juli 2019, ongeveer vier jaar en acht maanden na aanvang van de redelijke termijn.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel in deze zaak sprake is geweest van omstandigheden die vertraging in de behandeling hebben veroorzaakt, kunnen deze het tijdsverloop niet volledig rechtvaardigen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn is overschreden.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan het enkele tijdsverloop, ook in uitzonderlijke gevallen, niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De verjaringsregels bieden verdachte bescherming tegen inactiviteit van politie en/of justitie (vlg. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De door de raadsman aangevoerde bijzondere omstandigheden maken dit niet anders. Verdachte is in het kader van een groter onderzoek als één van de verdachten in beeld gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen eerst de verdachten van passieve omkoping te vervolgen, om, in de woorden van het Openbaar Ministerie, geen ‘monster-proces te creëren’ en ten aanzien van de actieve omkopers te onderzoeken of deze buitengerechtelijk konden worden afgedaan. Gelet op het opportuniteitsbeginsel kon en mocht het Openbaar Ministerie kiezen voor een afgesplitste vervolging om de redenen die door het Openbaar Ministerie naar voren zijn gebracht. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom in dit geval sprake zou zijn van willekeur. Dat het Openbaar Ministerie correspondentie van de verdediging met het verzoek de zaak te seponeren onbeantwoord heeft gelaten, is naar het oordeel van de rechtbank geen bijkomende bijzondere omstandigheid omdat dit verzuim niet gerelateerd is aan het tijdsverloop. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie twee maanden na voornoemde brief laten weten de zaak buiten rechte te willen afdoen. De verweren leiden - ook in combinatie - niet tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en worden verworpen.

Beroep op verjaring

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde omkopingsgedragingen voor zover die betrekking hebben op artikel 177a (thans vervallen) Sr zijn verjaard, nu niet tijdig een daad van vervolging heeft plaatsgevonden die de verjaring heeft gestuit.

De rechtbank begrijpt dat dit zou dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de doorzoeking in de woning van [naam] op 31 maart 2010 ex artikel 72 Sr ook in de zaak van verdachte als daad van vervolging is aan te merken. De verjaringstermijn is daardoor tijdig gestuit, zodat de ten laste gedragingen ex artikel 177a (thans vervallen) Sr niet zijn verjaard.

Verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – actieve ambtelijke omkoping in de periode 1 mei 2004 tot en met 6 juli 2009. De binnen die periode verweten beloften dateren van 30 november 2004 en 14 november 2005 en de verweten giften van 6 februari 2007 respectievelijk 21 juli 2008. De tenlastelegging is toegesneden op de artikelen 177a (thans vervallen) en 177 (oud) Sr.

Artikel 70, eerste lid, Sr bepaalt dat het recht tot strafvordering door verjaring vervalt in zes jaren voor misdrijven waarop niet meer dan drie jaren gevangenisstraf is gesteld en in twaalf jaren voor misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. Volgens artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van artikel 72, eerste lid, Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde. Als daad van vervolging heeft volgens vaste jurisprudentie te gelden een daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen.

Eén en ander betekent dat in de onderhavige zaak de eerste termijn van verjaring is aangevangen (een dag na de verweten belofte van 30 november 2004) op 1 december 2004. Op artikel 177a (thans vervallen) Sr was op dat moment een maximum gevangenisstraf gesteld van twee jaren, zodat het recht tot strafvordering ten aanzien van dat wetsartikel in beginsel zou zijn verjaard per 1 december 2010. Op artikel 177 (oud) Sr was een maximum gevangenisstraf gesteld van vier jaren, zodat het recht tot strafvordering ten aanzien van dat wetsartikel in beginsel zou zijn verjaard per 1 december 2016.

De verjaring is echter gestuit door de op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris verrichte doorzoeking in de woning van [naam] op 31 maart 2010. Deze doorzoeking is aan te merken als een daad van vervolging die ingevolge (de wetsgeschiedenis van) artikel 72 Sr ook de verjaringstermijn in de zaak van verdachte heeft gestuit. Een dergelijke vervolgingsdaad heeft immers zogenaamde zakelijke werking en daarmee effect tegen alle bij het delict betrokken (toekomstige) verdachten en dus ook tegen verdachte.

Aldus is op 31 maart 2010 opnieuw een verjaringstermijn van respectievelijk zes jaren voor artikel 177a (thans vervallen) Sr en twaalf jaren voor artikel 177 (oud) Sr aangevangen. Vervolgens is per 1 januari 2015 artikel 177a (thans vervallen) Sr opgegaan in artikel 177 (nieuw) Sr en voorzien van een hogere strafbedreiging, te weten een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Daarbij hoort een verjaringstermijn van twaalf jaren. Nu de wetswijziging wat betreft de verjaringstermijn terugwerkende kracht heeft, beloopt de op 31 maart 2010 aangevangen verjaringstermijn thans voor beide artikelen twaalf jaren. Dit betekent dat de in de tenlastelegging opgenomen gedragingen zowel wat betreft artikel 177a (thans vervallen) Sr als artikel 177 (oud) Sr niet zijn verjaard.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt verworpen.

Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Vrijspraak

3.1.

Inleiding

Aanleiding onderzoek

Op 29 september 2009 is de Rijksrecherche onder de naam Oranje een strafrechtelijk onderzoek gestart naar mogelijke ambtelijke corruptie door [naam] in zijn functie van gedeputeerde. In verschillende deelonderzoeken zijn naast [naam] een groot aantal andere (rechts)personen, onder wie verdachte, als verdachte aangemerkt.

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn bankrekeningen onderzocht van [rechtspersoon 1] . [naam] is tot 4 juli 2001 en daarna zijn echtgenote, enig aandeelhouder en tevens directeur van [rechtspersoon 1] . Uit het onderzoek is gebleken dat [naam] , ook na 4 juli 2001, degene is die de feitelijke (advies)werkzaamheden vanuit [rechtspersoon 1] verricht. Verder volgt uit het onderzoek naar de bankrekeningen van deze vennootschap dat er onder meer door [rechtspersoon 4] , gevestigd te Heemstede, betalingen zijn gedaan aan [rechtspersoon 1] . Deze betalingen zijn onder meer gedaan in de periode dat [naam] werkzaam was als Statenlid van Provinciale Staten (11 maart 2003 tot 10 januari 2005) en Gedeputeerde van het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (10 januari 2005 tot 15 juni 2009). Verdachte was bestuurder van [rechtspersoon 4] , die op haar beurt aandeelhouder en bestuurder was van [rechtspersoon 2] . [rechtspersoon 2] heeft als bedrijfsomschrijving: ‘de (projekt)ontwikkeling, huur, verhuur, verwerving en het beheer van registergoederen, het voeren van interim-management alsmede het geven van adviezen ter zake van de ontwikkeling van registergoederen’.

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015 is [naam] (in hoger beroep) veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, witwassen, beide meermalen gepleegd en meerdere gevallen van passieve ambtelijke omkoping. Het betreft onder meer omkoping door middel van het aannemen van twee giften (€ 14.875 betaald op 6 februari 2007 en € 20.000 betaald op 21 juli 2008) van verdachte in zijn hoedanigheid van bestuurder van [rechtspersoon 4] . Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk.

Verdenking

Verdachte wordt in onderhavige zaak, kort samengevat, verweten dat hij, al dan niet samen met anderen, [naam] heeft omgekocht door hem giften en beloften te doen, namelijk:

  1. een gift van € 14.875;

  2. een gift van € 20.000;

  3. een belofte (gedaan per brief van 30 november 2004) tot betaling van 1,5% van de verkoopprijs en eventuele nabetalingen van [rechtspersoon 2] aan [rechtspersoon 3] ;

  4. (een) belofte(n) (gedaan per brief van 14 november 2005) tot betalingen van € 90.000 en/of € 50.000 en/of € 50.000 en/of € 35.000,

met het oogmerk om [naam] te bewegen als ambtenaar, al dan niet in strijd met diens plicht, iets te doen of na te laten dan wel ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door [naam] , al dan niet in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

3.2.

Vrijspraak belofte 1,5% verkoopprijs en nabetalingen (onder c) en belofte betalingen € 90.000 en € 50.000 (eerste deel onder d)

De rechtbank is - zoals geconcludeerd door de officier van justitie en bepleit door de verdediging - van oordeel dat de onder c tenlastegelegde belofte (tot betaling van 1,5% van de verkoopprijs en eventuele nabetalingen) en het eerste deel van de onder d ten laste gelegde belofte (tot betalingen van € 90.000 en € 50.000) niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

3.3.

Vrijspraak giften € 14.875 en € 20.000 (onder a en b) en belofte betalingen € 50.000 en € 35.000 (tweede deel onder d)

3.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie neemt als uitgangspunt hetgeen het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep in zijn arrest van 7 april 2015 in de zaak tegen [naam] heeft vastgesteld. Die vaststellingen komen erop neer dat de betalingen door verdachte van € 14.875 en € 20.000 moeten worden gekwalificeerd als giften aan een ambtenaar waardoor deze in zijn hoedanigheid van gedeputeerde van het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland is omgekocht. [naam] heeft deze betalingen aangenomen terwijl hij wist dat deze hem werden gedaan met het doel om verdachte te begunstigen, een voorkeursbehandeling voor verdachte te bewerkstelligen en om ten gunste van verdachte besluitvormingsprocedures in de provincie te beïnvloeden, onder meer met betrekking tot het project Lutkemeren (de rechtbank begrijpt: ontwikkeling deelgebied III in de Lutkemeerpolder). In de brief van 14 november 2005 van verdachte aan [rechtspersoon 1] is als uitwerking van de afgesproken 1,5% van de verkoopprijs en de nabetalingen onder meer overeengekomen dat de laatste twee betalingen van € 50.000 en € 35.000 worden gedaan na het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 2] en Stadsdeel Osdorp respectievelijk bij de start bouw project Lutkemeren. Daarmee zijn deze betalingen rechtstreeks afhankelijk gemaakt van ontwikkelingen in het project Lutkemeren van [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] (hierna [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] ). Vervolgens heeft [rechtspersoon 4] van deze voorwaardelijk toegezegde bedragen € 14.875 (op 6 februari 2007) en € 20.000 (op 21 juli 2008) betaald, hetgeen valt te verklaren uit tegenvallende ontwikkelingen in het project Lutkemeren. Dit is een indicatie dat de giften rechtstreeks verband houden met een prestatie die [naam] moest leveren. [naam] was ten tijde van de brief en de betalingen gedeputeerde van de provincie Noord-Holland en belast met onder meer de portefeuille Ruimtelijke Ordening. In die hoedanigheid kon hij invloed uitoefenen op (ambtelijke) beslissingen van derden ten aanzien van de Lutkemeerpolder. Verdachte had belang bij positieve ontwikkelingsbeslissingen van de grond in de Lutkemeerpolder en dus ook bij een hem gunstig gestelde [naam] om die ambtelijke beslissingen te nemen of te beïnvloeden. Dit brengt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte de belofte tot betaling van € 50.000 en € 35.000 heeft gedaan met het oogmerk [naam] te bewegen in zijn bediening in strijd met zijn plicht iets te doen en dat verdachte € 14.875 en € 20.000 heeft betaald ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [naam] in strijd met zijn plicht is gedaan.

3.3.2.

Standpunt verdediging

Het is onjuist dat de betalingen van € 50.000 en € 35.000 in de brief van 14 november 2005 “rechtstreeks afhankelijk zijn gesteld van de ontwikkelingen in het project Lutkemeren”. Deze laatste twee betalingen zijn niet gekoppeld aan ontwikkelingen in het project Lutkemeren noch afhankelijk gesteld van de doorgang van het project/de projecten. Uit getuigenverklaringen en het onderliggende feitencomplex volgt dat het ging om vaste bedragen die getrapt in de toekomst zouden worden uitbetaald. Uit de feitelijke gang van zaken rondom de totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst in december 2006 tussen SDO en [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] in het project Lutkemeren volgt niet dat [naam] daar op enig moment bemoeienis mee heeft gehad dan wel daarop invloed heeft uitgeoefend of heeft kunnen uitoefenen. Uit de afgelegde getuigenverklaringen van diverse betrokken personen en de zich in het dossier bevindende stukken blijkt eenzelfde beeld; het is de gemeente Amsterdam die samen met SDO de enige en allesbepalende factor vormt. Indien en voor zover [naam] in theorie een rol kan hebben gespeeld, is die enkele mogelijkheid op zichzelf ontoereikend om te oordelen dat verdachte de betalingen heeft gedaan met de bedoeling [naam] te bewegen in de zin van artikel 177 Sr.

3.3.3.

Oordeel rechtbank

Juridisch kader

Artikel 177, eerste lid, onderdeel 1 (oud) Sr veronderstelt dat de omkoper het oogmerk (de bedoeling) heeft dat de ambtenaar in zijn bediening iets doet of nalaat.

Oogmerk in de zin van artikel 177 (oud) Sr is aanwezig wanneer de gever moet hebben beseft dat het doen van een ‘gift’ of ‘belofte’ als noodzakelijk en dus voor hem gewild gevolg meebrengt dat de ambtenaar wordt bewogen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Het betreft de zwaarste vorm van opzet die bovendien niet op de ‘gift’ of ‘belofte’ maar op het gevolg moet zijn gericht. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.

Als dat oogmerk niet (volledig) blijkt uit een door de gever daartoe strekkende verklaring, dient (mede) aan de hand van de feiten en omstandigheden, oftewel de uiterlijke verschijningsvorm van de feiten en omstandigheden van en rondom de ‘gift’ of ‘belofte’, te worden bepaald of de gever met zijn ‘gift’ of ‘belofte’ het oogmerk had om de ambtenaar te bewegen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Om de bewijsrechtelijke drempel van oogmerk te halen, dient op die manier minst genomen komen vast te staan dat het niet anders kan zijn dan dat de gever een ‘gift’ of ‘belofte’ aan de ambtenaar heeft gedaan met als doel daar iets voor terug te krijgen: dat kan een concrete tegenprestatie zijn, maar hoeft dat niet te zijn. Het kan er ook om gaan een speciale relatie te doen ontstaan die zal (kunnen) leiden tot een voorkeursbehandeling dan wel een betere positie, in onderhavig geval binnen de Provincie Noord-Holland.

Omkoping achteraf (artikel 177, eerste lid, onderdeel 2 (oud) Sr) vereist weliswaar geen oogmerk, maar wel opzet van de omkoper op het doen van een gift of belofte, welk opzet mede is gericht op het verband tussen de gift/belofte en het eerdere doen of nalaten van de ambtenaar.

Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank het handelen van de verdachte als volgt.

Vastgestelde feiten

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. In een overeenkomst tussen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] van 5 juni 2001 ondertekend namens [rechtspersoon 1] door [naam] en namens [rechtspersoon 2] door [naam 1] , is vastgelegd dat [rechtspersoon 1] voor [rechtspersoon 2] advieswerkzaamheden zal verrichten voor een all-in kwartaalfee van € 2.500 exclusief btw. Verdachte/ [rechtspersoon 4] wilde de aandelen in [rechtspersoon 2] verkopen. [naam] heeft in april/mei 2004 een kennismaking geregeld tussen [naam 2] van [rechtspersoon 3] en [naam 1] en verdachte namens [rechtspersoon 2] waarbij [naam] [rechtspersoon 3] heeft gepresenteerd als potentiële koper van (de aandelen van) [rechtspersoon 2] . Verdachte heeft kort daarna met [naam] afgesproken dat in het geval deze kennismaking tot een verkoop zou leiden, [rechtspersoon 1] voor de bemiddeling een fee zou ontvangen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [naam] voor het eerst in mei 2004 heeft ontmoet en dat hij tot dat moment niet wist dat [naam] advieswerkzaamheden voor [rechtspersoon 2] verrichtte, aangezien [rechtspersoon 2] meer adviseurs had en [naam 1] als directeur van [rechtspersoon 2] zelfstandig bevoegd was.

In de brief van 30 november 2004 bevestigt verdachte namens [rechtspersoon 4] de met [naam] gemaakte afspraak, inhoudende dat [naam] “bij verkoop van [rechtspersoon 2] aan [rechtspersoon 3] , 1,5% van de verkoopprijs en van de eventuele nabetalingen zal ontvangen en dat betaling zal plaatsvinden op het moment dat [rechtspersoon 3] [rechtspersoon 4] heeft betaald”. Een makelaarsfee in deze orde van grootte voor het aanbrengen van een overnamekandidaat is niet ongebruikelijk.

Begin 2005 beginnen de onderhandelingen over de overname van [rechtspersoon 2] door [rechtspersoon 3] .

Op 15 januari 2005 wordt [naam] benoemd tot gedeputeerde. In een brief van 9 januari 2005 heeft [naam] [rechtspersoon 2] onder meer bericht dat in verband met die benoeming de contractuele verplichtingen tussen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] worden opgeschort en hij zijn werkzaamheden met ingang van 10 januari 2005 voor [rechtspersoon 1] beëindigt.

In juni 2005 sluiten [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] een koopovereenkomst waarbij [rechtspersoon 2] 60% van de aandelen zal overdragen aan [rechtspersoon 3] . De overdracht van de aandelen volgt in september 2005.

In de brief van 14 november 2005 is de tussen verdachte en [naam] gemaakte afspraak over de in 2004 overeengekomen makelaarsfee nader uitgewerkt. In die brief staat onder meer het volgende vermeld. “Naar aanleiding van de bevestiging van eerder gemaakte afspraken inzake de verkoop van [rechtspersoon 2] zoals verwoord in onze brief van 30 november 2004 bevestigen wij hierbij schriftelijk de reeds eerder mondeling gemaakte vervolgafspraken. Als uitwerking van de afgesproken 1,5% van de verkoopprijs zijn de volgende betalingen overeengekomen bij tranche 60% aandelenverkoop [rechtspersoon 2] aan [rechtspersoon 3] :

- € 90.000,- voor 31 december 2005;

- € 50.000,- per januari 2006;

- € 50.000,- na het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 2] en Stadsdeel Osdorp;

- € 35.000,- bij start bouw project Lutkemeren.

De vergoeding van 1,5% over de waarde van [rechtspersoon 2] bij lichten optie door [rechtspersoon 3] blijft ongewijzigd.”

De eerst genoemde bedragen van € 90.000 en € 50.000 zijn vervolgens betaald.

Belofte betaling € 50.000 en € 35.000 in brief 14 november 2005 (tweede deel onder d)

In de visie van het Openbaar Ministerie heeft verdachte in de brief van 14 november 2005 twee betalingen beloofd die rechtstreeks afhankelijk zijn gemaakt van ontwikkelingen in het project Lutkemeren. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de brief van 14 november 2005 is bedoeld om met [naam] een vaste prijs af te spreken waarover geen discussie meer mogelijk was, en waarbij de betaaldata variabel waren, nu ook de koopprijs door [rechtspersoon 3] in termijnen zou worden voldaan. Volgens verdachte was ten tijde van het opstellen van de brief duidelijk dat de transactie tussen [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] door zou gaan, het due dilligence onderzoek was afgerond en was er zicht op een calculatie van de nabetalingen in verband met lopende projecten. Uit de verklaring die verdachte op 13 februari 2015 als getuige ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep in de zaak tegen [naam] heeft afgelegd als ook zijn verklaring als verdachte ter zitting, leidt de rechtbank af dat de koopsom van de aandelen in [rechtspersoon 2] bestond uit Eigen Vermogen, een bedrag aan goodwill en nabetalingen in het kader van de ontwikkeling van grond in diverse projecten, waaronder het project Lutkemeren, waarvoor [rechtspersoon 4] of [rechtspersoon 2] reeds kosten hadden gemaakt. [rechtspersoon 3] was bereid deze kosten te vergoeden indien het betreffende project door zou gaan. Verdachte heeft ter zitting ontkend dat de laatste twee betalingen, genoemd in de brief van 14 november 2005, afhankelijk zijn gemaakt van ontwikkelingen in het project Lutkemeren. De betalingen zijn gekoppeld aan Lutkemeren, omdat ten aanzien van dit project de met [rechtspersoon 3] afgesproken nabetalingstermijn tien jaar bedroeg, terwijl die termijn bij de andere projecten waarop nabetalingen zouden worden verricht, vijf jaar was.

De makelaarsfee waarop [naam] recht had, is volgens verdachte op dat moment (november 2005) op ongeveer € 225.000 begroot.

De rechtbank stelt vast dat het ter zitting door verdachte ingenomen standpunt over de in de brief van 14 november 2005 gemaakte koppeling tussen de aan [naam] toekomende bedragen en (ontwikkelingen in) het project Lutkemeren enigszins afwijkt van de verklaring die hij daarover als getuige in de zaak tegen [naam] (in hoger beroep) heeft afgelegd. Als getuige heeft verdachte immers aangegeven dat de betalingen aan [naam] afhankelijk waren van de ontwikkeling van het project Lutkemeren en dat er geen betaling of een lagere betaling zou zijn gevolgd als de samenwerkingsovereenkomst niet tot stand was gekomen of de bouw niet was gestart. Tegelijkertijd heeft verdachte als getuige wel gezegd dat [naam] op de ontwikkeling van het project geen invloed had, dat de totale succesfee ten tijde van de brief op ongeveer € 225.000 kon worden begroot en dat er gezocht is naar duidelijke betalingsmomenten die zijn gekoppeld aan momenten waarop de waarde van projecten bepaald kan worden.

De rechtbank acht de door verdachte ter zitting gegeven uitleg over de brief niet onaannemelijk. Vast staat immers dat de hoogte van de succesfee rond de datum waarop de brief is opgesteld, ongeveer maar niet tot op de cent nauwkeurig vastgesteld kon worden, aangezien de met [rechtspersoon 3] overeengekomen koopsom mede afhing van de waarde van de nog lopende projecten waarop [rechtspersoon 3] gehouden was nabetalingen te verrichten, welke waarde nog niet exact bepaald kon worden.

Wat er verder ook zij van de in brief gelegde koppeling tussen betalingen aan [naam] en het project Lutkemeren, is de rechtbank - anders dan het Openbaar Ministerie - van oordeel dat daaraan niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat verdachte die betalingen rechtstreeks afhankelijk heeft gesteld van nog te leveren provinciale prestaties, waarop [naam] als gedeputeerde invloed kon uitoefenen. Daartoe zijn bijkomende feiten en omstandigheden nodig, die de rechtbank niet of onvoldoende zijn gebleken.

Vast staat dat het project Lutkemeren een bedrijventerrein in de Lutkemeerpolder betreft, waar [rechtspersoon 2] reeds op 17 januari 2000 gronden in eigendom had verworven; de overige gronden waren nagenoeg geheel in handen van de gemeente Amsterdam (Stadsdeel Osdorp). In een bestemmingsplan dat in 2002 door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland is goedgekeurd, is voorzien in de bestemming van aan Schiphol gerelateerd bedrijventerrein. Vanaf 2003 hebben er onder leiding van [rechtspersoon 5] besprekingen plaatsgevonden tussen [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] en Stadsdeel Osdorp (hierna SDO) om tot een gemeenschappelijke grondexploitatie te komen. In het licht van deze feiten ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte met de in zijn brief genoemde betalingen van € 50.000 (na ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 2] en SDO) en € 35.000 (bij start bouw project Lutkemeren) de bedoeling heeft gehad [naam] te bewegen tot een doen of een nalaten in zijn functie van gedeputeerde. Ten tijde van het opstellen van de brief door verdachte is geen sprake van enige betrokkenheid van de provincie of van [naam] als gedeputeerde bij het project Lutkemeren. [rechtspersoon 6] is op dat moment geen gesprekspartner in het project Lutkemeren, terwijl ook anderszins niet is gebleken van betrokkenheid of invloed van de provincie. Er is vanuit het perspectief van verdachte bezien ook geen noodzaak voor betrokkenheid van provincie of [rechtspersoon 6] . De door het Openbaar Ministerie gelegde link tussen de brief en de speech die [naam] een week na het opstellen van de brief, op 21 november 2005, geeft tijdens het [rechtspersoon 2] Event waarin hij onder meer iets zegt over zijn rol als ‘matchmaker’ tussen [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 2] en over het feit dat de provincie Noord-Holland project gerelateerde procedures snel afrondt, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende specifiek. Bovendien past een dergelijke algemene uitspraak bij de rol van een gedeputeerde, die Ruimtelijke Ordening in portefeuille heeft, om goede relaties te onderhouden met bedrijven in de vastgoedsector. Daaraan kan in ieder geval niet de conclusie worden verbonden dat het tekenen van een samenwerkingsovereenkomst tussen SDO en [rechtspersoon 2] en de start van de bouw project Lutkemeren prestaties zijn die op dat moment onmiskenbaar binnen de invloedssfeer van de provincie lagen.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping van [naam] door middel van de in de brief van 14 november 2005 gedane belofte tot betaling van € 50.000 en € 35.000.

Gift € 14.875 (onder a)

Op 6 februari 2007 wordt er door [rechtspersoon 4] op basis van een factuur van [rechtspersoon 1] met omschrijving “conform onze afspraak en herbevestigd dec jl declareren wij u wegens 3e termijn vervreemding aandelen [rechtspersoon 2] ” € 14.875 betaald aan [rechtspersoon 1] .

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de betaling van € 14.875 verband hield met het tot stand komen van een concept samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] en SDO (gemeente Amsterdam). Deze samenwerkingsovereenkomst is overigens nooit definitief geworden. Verdachte verklaart hierover ter zitting: “ [naam] bedelde om geld en omdat we met de concept samenwerkingsovereenkomst weer een stap verder waren in de ontwikkeling van het project Lutkemeren, was ik bereid tot een betaling van € 14.875, zijnde 25% van het afgesproken bedrag”. De betreffende concept samenwerkingsovereenkomst gedateerd 21 februari 2006 hield in dat SDO en [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] in het kader van de gezamenlijke ontwikkeling van het gebied Lutkemeren III een Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij (GEM) zouden oprichten waarbij beide partijen grond zouden inbrengen. Volgens verdachte zou [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] haar gronden inbrengen tegen een marktconforme prijs en de opstalontwikkeling voor haar rekening nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt ten aanzien van de betaling van € 14.875 dat onvoldoende is gebleken dat verdachte deze betaling heeft gedaan met als doel [naam] te belonen voor een door hem verrichte prestatie dan wel [naam] te bevoordelen teneinde daar zelf ten behoeve van [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] of [rechtspersoon 4] voordeel van te trekken.

Allereerst verwijst de omschrijving op de door [naam] verstuurde factuur naar de met verdachte gemaakte afspraak inzake de vervreemding aandelen [rechtspersoon 2] , te weten het in rekening brengen van een deel van de makelaarsfee waarover in de brieven van 30 november 2004 en 14 november 2005 afspraken zijn gemaakt en welke fee eind 2005 door verdachte was begroot op in totaal ongeveer € 225.000. Zoals hiervoor reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat betalingen ter zake van die fee door verdachte destijds afhankelijk zijn gemaakt van een door [naam] te leveren tegenprestatie in het project Lutkemeren. Verder is ook niet gebleken dat de provincie of [naam] als gedeputeerde in de periode rondom deze betaling op enigerlei wijze betrokken zijn bij met SDO gevoerde onderhandelingen die hebben geleid tot een concept samenwerkingsovereenkomst inzake de gezamenlijke ontwikkeling/grondexploitatie van deelgebied III van de Lutkemeer of daarop enige invloed hebben uitgeoefend dan wel kunnen uitoefenen. De inhoud van de samenwerkingsovereenkomst of het memo van [rechtspersoon 5] van 11 oktober 2006 waarin de historie van het project alsmede de beoogde samenwerking tussen SDO en [rechtspersoon 3] in deelgebied III van de Lutkemeren wordt beschreven, bieden daarvoor geen steun. Ook de diverse verklaringen van bij de ontwikkeling van project Lutkemeren betrokken personen wijzen daar niet op. Er lag een concept samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de ontwikkeling van gronden waarvoor het bestemmingsplan reeds in 2002 door de provincie was vastgesteld. Niet valt in te zien op welke wijze verdachte met de betaling het oog heeft gehad op door [naam] in zijn functie als gedeputeerde reeds verrichtte of nog te verrichten prestaties dan wel andere vormen van begunstiging van verdachte en of aan hem gelieerde bedrijven.

Het Openbaar Ministerie heeft nog aangevoerd dat de omstandigheid dat er minder is betaald dan (voorwaardelijk in brief van 14 november 2005) toegezegd vanwege tegenvallende resultaten, een indicatie vormt dat er voor de betaling wel degelijk een tegenprestatie verschuldigd is. Verdachte heeft tegengesproken dat de betaling van € 14.875 in plaats van € 50.000 komt door tegenvallende resultaten in het project. Volgens verdachte was er ten tijde van de betaling van € 14.875 nog geen zicht op resultaten, laat staan dat gezegd kon worden dat sprake was van tegenvallende resultaten. Verdachte/ [rechtspersoon 4] had naast een nabetaling door [rechtspersoon 3] ingevolge de samenwerkingsovereenkomst recht op 20% van de winst op de ontwikkeling van de grond in de toekomst, hetgeen een aanzienlijk bedrag zou vertegenwoordigen. Bovendien is de betaling (25% van het afgesproken bedrag) gevolgd omdat [naam] bedelde om geld. De rechtbank kan de juistheid van de verklaring van verdachte op dit punt niet uitsluiten. Zijn standpunt dat de koppeling van de derde en vierde deelbetaling (in de brief van 14 november 2005) aan het project Lutkemeren willekeurig is en uitsluitend is bedoeld om het moment van deelbetaling vast te stellen alsmede dat [naam] geen invloed op de ontwikkeling van het project kon uitoefenen, sluit daar ook bij aan.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de vermeende omkopingsgedraging - de gift van € 14.875 - door verdachte is verricht met het oogmerk [naam] in zijn functie van gedeputeerde iets te laten doen of na te laten of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [naam] in die functie was gedaan of nagelaten, acht zij dit onderdeel van de tenlastelegging (onder a) niet wettig en overtuigend bewezen.

Gift € 20.000 (onder b)

Op 21 juli 2008 wordt op de rekening van [rechtspersoon 1] vanaf de rekening van [rechtspersoon 4] een bedrag van € 20.000 bijgeschreven. De omschrijving op het bankafschrift luidt: “3e voorschot afrek [rechtspersoon 2] d.d. brief 30/11//2007”. Volgens verdachte is ook deze betaling terug te voeren op de brief van 14 november 2005 en betreft het wederom een (deel)betaling aan [naam] voor de door hem reeds in 2004 geleverde prestatie. Ter zitting heeft verdachte verklaard aan de betaling geen herinnering meer te hebben; hij vermoedt dat het tijdstip van de betaling te maken heeft gehad met het onderhandelingsakkoord van 10 juli 2008 en het feit dat [naam] met enige regelmaat vroeg hoe het stond met de betalingen ter zake de makelaarsfee.

Het Openbaar Ministerie heeft voor het bewijs van de actieve omkoping door verdachte in dit verband gewezen op het feit dat het [rechtspersoon 6] - waarvan de provincie, vertegenwoordigd door [naam] , aandeelhouder is - ten tijde van de betaling partij bij de onderhandelingen over project Lutkemeren is geworden. Ook wijst het Openbaar Ministerie op contacten tussen verdachte en [naam] in de periode rondom de betaling (juni 2008) en daarna (september 2008) en het feit dat verdachte in het najaar van 2008 zou hebben geroepen dat [naam] namens de provincie de gronden van [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] (inmiddels [rechtspersoon 7] ) in project Lutkemeren wel zou willen kopen.

Vast staat dat [rechtspersoon 6] ergens in 2007 partij bij de onderhandelingen over project Lutkemeren is geworden en dat de provincie, als één van de aandeelhouders van [rechtspersoon 6] , op die manier betrokken raakte. [naam] was voorzitter van het [forum] , het orgaan waarin de aandeelhouders van [rechtspersoon 6] betrokken waren. Ook de door het Openbaar Ministerie genoemde mailcontacten tussen verdachte en [naam] wijzen in de richting van betrokkenheid van [naam] bij het project. Zij leveren echter, ook in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank niet het wettig en overtuigend bewijs van omkoping op. Daartoe is immers vereist dat op basis van de feiten en omstandigheden waaronder de gift is gedaan, het niet anders kan dan dat verdachte [naam] heeft betaald met het doel hem te bewegen in zijn functie iets te doen of na te laten. Dit is niet het geval.

Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat het aan de onderhandelingstafel geraken van [rechtspersoon 6] op verzoek van SDO is gebeurd. Verdachte heeft dit ter zitting verklaard en zijn verklaring vindt steun in de verklaring van [naam 3] (afgelegd op 28 september 2015 als getuige bij de rechter-commissaris). [naam 3] , destijds vanuit SDO betrokken bij project Lutkemeren, heeft verklaard dat [rechtspersoon 6] is opgericht om bedrijventerreinen rond Schiphol gestructureerd te ontwikkelen. Feitelijk is het een private overheidsonderneming met overheden als aandeelhouder. [rechtspersoon 6] was al partner in Lutkemeer I, dus was het logisch om [rechtspersoon 6] ook te betrekken bij Lutkemeer III, nu met een andere partij sprake zou zijn van concurrentie tussen de twee gebieden, aldus [naam 3] . Achterliggende gedachte voor de betrokkenheid van [rechtspersoon 6] was volgens verdachte ook deze publiek-private samenwerking nieuw leven in te blazen dan wel [rechtspersoon 6] een doorstart te laten maken. Deze verklaring van verdachte vindt bevestiging in het memo van [rechtspersoon 5] van 11 april 2007 en ook in de verklaring van [naam 4] (afgelegd bij de rechter-commissaris op 28 september 2015). Uit het dossier rijst het beeld, onder meer op basis van getuigenverklaringen van diverse bij de onderhandelingen betrokken personen, dat sprake was van ingewikkelde onderhandelingen. De komst van een derde partij, met bijbehorende eigen belangen, kan, evenals de latere bemoeienissen van het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA), eerder als nadelig dan als een voordeel voor [rechtspersoon 7] worden gezien.

Kennelijk is in of rond september 2008 gebleken dat geen sprake meer kon zijn van een samenwerking in het kader van een Gebiedsonwikkelings- of Grondexploitatiemaatschappij (GEM) waarbij SDO en [rechtspersoon 7] hun gronden in de Lutkemeerpolder zouden inbrengen.

Dit kwam omdat het OGA er, kort samengevat, op tegen was dat een private partij zou deelnemen in een GEM. Naar aanleiding daarvan doet verdachte het voorstel de gronden te verkopen aan [rechtspersoon 6] . Uit een memo van [rechtspersoon 5] van 23 oktober 2008 volgt dat op 15 oktober 2008 kennelijk is besproken dat het OGA/de gemeente Amsterdam of de provincie Noord-Holland bereid is de grond van [rechtspersoon 7] aan te kopen met de inzet dit te realiseren voor 1 januari 2009. Kort daarna bleek SDO bereid de grond van [rechtspersoon 7] in de Lutkemeerpolder te kopen. In een intern memo gedateerd 21 oktober 2008 en gericht aan [naam] wordt laatstgenoemde meegedeeld dat daarmee een interventie van de provincie Noord-Holland niet langer aan de orde is. In 2009 zijn de gronden van [rechtspersoon 7] in de Lutkemeerpolder verkocht aan SDO/gemeente Amsterdam.

Dat verdachte in juni 2008 een agenda van een onderhandelingsoverleg met (vertrouwelijke) bijlagen naar [naam] stuurt en hem in september 2008 via de mail een (prijs)voorstel voor de verkoop van gronden aan [rechtspersoon 6] voorlegt met het verzoek om commentaar, is opmerkelijk te noemen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verdachte op enig moment in een vergadering zou hebben geroepen dat [naam] , met wie hij de provincie bedoelde, de gronden van [rechtspersoon 7] in de Lutkemeerpolder zou willen kopen. Aan deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet de betekenis worden toegekend die het Openbaar Ministerie daaraan toegekend wenst te zien. Niet gebleken is immers dat [naam] op de e-mails van verdachte heeft gereageerd of dat deze hebben geleid tot overleg tussen beiden. Verdachte heeft de betreffende mail met een inhoudelijk voorstel over de verkoop van de grond van [rechtspersoon 7] aan [rechtspersoon 6] ook cc aan [naam 4] (vanuit [rechtspersoon 5] betrokken bij de onderhandelingen) gestuurd, hetgeen niet duidt op enig heimelijk overleg tussen verdachte en [naam] . In dat verband valt ook niet uit te sluiten dat het versturen van de e-mail aan [naam] juist op verzoek van [naam 5] (van [rechtspersoon 6] ) is gebeurd, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard. Over de reden van het in beeld komen van de provincie als mogelijke koper van de grond van [rechtspersoon 7] , verklaren direct betrokkenen bij de onderhandelingen ook niet eenduidig. Volgens [naam 6] ( [rechtspersoon 6] ) kwam de provincie in beeld omdat, naar de rechtbank begrijpt, de onderhandelingen in de visie van het [rechtspersoon 6] te lang duurden, waardoor het idee opkwam dat de provincie de gronden tijdelijk zou financieren. [naam 4] verklaart dat de aankoop van de grond door de provincie is genoemd als mogelijke optie in het kader van de herkapitalisatie van [rechtspersoon 6] . Voor zover verdachte tijdens de onderhandelingen zou hebben geroepen dat [naam] /de provincie de gronden zou kopen, hetgeen verdachte ter zitting overigens heeft ontkend, geldt dat geenszins valt uit te sluiten dat dit enkel en alleen is gebeurd om druk op de onderhandelingen te zetten, die volgens verdachte en ook andere betrokkenen al (te) lang duurden en dat [naam] met die geopperde mogelijkheid niets van doen heeft gehad.

In het licht van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat het oogmerk van verdachte zonder meer en ondubbelzinnig gericht was op het bevoordelen van [naam] teneinde hem tot iets te bewegen en daar zelf of ten behoeve van aan hem gelieerde bedrijven voordeel van te hebben. Evenmin kan worden bewezen dat de betaling achteraf is gedaan naar aanleiding van een doen of nalaten van [naam] . Ten aanzien van de betaling van € 20.000 op 21 juli 2008 blijft open de mogelijkheid dat verdachte dit bedrag als gedeelte van de reeds in 2004 overeengekomen makelaarsfee op verzoek van [naam] aan hem heeft uitbetaald. Dit leidt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging ontbreekt.

3.4.

Conclusie

Hetgeen verdachte is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. E.M. ten Bos en mr. H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juli 2019.

mr. Overbeek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.